Maandelijks archief: augustus 2015

Het Sint-Jorisretabel

Dit is een eerste bijdrage over kunstwerken die in Leuven en/of in opdracht van Leuvenaars zijn gemaakt maar die in de loop van de geschiedenis in Leuven zijn verdwenen en nu elders in de wereld zijn te bewonderen. De werken in deze reeks zijn gelukkig wel nog bewaard. Helaas zijn er ook een aantal meesterwerken in verschillende kunstrichtingen, die de  tand des tijds niet hebben weerstaan en voor goed uit het cultureel erfgoed zijn verdwenen. Meestal was de mens zelf rechtstreeks of onrechtstreeks verantwoordelijk voor de vernietiging.

Maar dit eerste kunstwerk in de reeks “Uit Leuven verdwenen” is gelukkig wel nog te bewonderen. Je moet ervoor wel naar het Jubelparkmuseum in Brussel. In feite is het retabel nog steeds eigendom van het Leuvense museum: in 1812 werd het uitgeleend aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis waar het dienst deed als lesmateriaal in de academie. In Leuven vond men het retabel te ouderwets. In 1979 deed het Leuvense stadsbestuur een poging om het kunstwerk terug te eisen maar de rechter oordeelde toen dat het ondertussen uitgegroeid was tot een stuk nationaal erfgoed en dat het dus het best op zijn plaats was in Brussel. Toen er bij de opening van M terug sprake was van het terugeisen, vond burgemeester Tobback het tijdstip niet opportuun om te procederen.

Oorspronkelijk was het retabel een laag ruggenstuk aan de achterkant van de tafel: retro-tabulum. Vanaf de Karolingische tijd (achtste tot tiende eeuw) begon men de achterwand waartegen het altaar stond, te versieren met een religieus tafereel. Later namen de altaarbladen deze functie over. De Brabantse retabels ontwikkelden verder tot twee grondtypes: een in de vorm van een laag horizontaal tafereel en een dat meer de vorm van een triptiek aannam.

Bij de retabelproductie waren drie ambachten. Schrijnmakers maakten de bak of kast en eventueel ook de luiken, de beeldsnijders waren verantwoordelijk voor de gesneden beeldjes en de schilders zorgden voor het schilderwerk op de luiken en voor de polychromie van het beeldsnijwerk. Het Sint-Jorisretabel is nooit gepolychromeerd: volgens sommige auteurs is dit een bewuste keuze, anderen denken dat het wel degelijk de bedoeling was de beelden te polychromeren maar hebben ze het niet gedaan omwille van geldgebrek.

Uit iconografisch oogpunt heb je drie grote groepen: de passieretabels, de Mariaretabels en de heiligenretabels. De passieretabels hebben het lijdensverhaal van Christus als onderwerp, de Mariaretabels het levensverhaal van Maria, de moeder van Jezus. De bronnen voor deze verhalen zijn de bijbel en de apocriefe geschriften, verhalen rond bijbelse figuren die niet voorkomen in de bijbel. De verhalen die op heiligenretabels worden verbeeld, komen uit de legenden, verhalen van bedevaarders, mirakelvertellingen. Een zeer belangrijke bron is de Legenda aurea van Jacobus de Voragine, een verzameling legenden van de belangrijkste volksheiligen. Heiligenretabels vertellen vaak het verhaal van de patroonheilige van de parochie waarvoor het retabel gemaakt werd of van de patroonheilige van de schenker of schenkers.

kapel_prentenatlas

Kapel van Onze-Lieve-Vrouw-van Ginderbuiten. Uit: “De Leuvense Prentenatlas”

Het Sint-Jorisretabel werd gemaakt in opdracht van het “Groote Gulde van de Ouden Cruysboghe” of het “Gulde van de Sestigen”. (De naam van het beeldje “Kamerood Sesteg” is ook een verwijzing naar deze gilde.) Schuttersgilden waren meestal religieuze verenigingen die tot doel hadden de stad te beschermen tegen aanvallen, ze te bewaken en de orde te handhaven. In feite waren dit religieus geïnspireerde middeleeuwse burgerwachten. In Leuven had je vier schuttersgilden: de Sint-Sebastiaansgilde of de gilde van de handboog, de kleine gilde van de kruisboog, de grote gilde van de kruisboog en de gilde van de kolveniers. Gilden hadden hun eigen patroonheilige en kapel en hun eigen oefenterreinen. De grote gilde van de kruisboog had haar oefenterrein in de gracht van de eerste ringmuur tussen de Heilige-Geestpoort (Diestsestraat) en de Sint-Michielspoort (Tiensestraat). Hun kapel, Onze-Lieve-Vrouw-van Ginderbuiten bevond zich binnen de (tweede) ringmuur in de “Hoelstrate”, de huidige Tiensestraat.

vanderbaren_compleet_kader

Joost Vander Baren, uit: Justus Lipsius. “Lovanium”

Deze kapel die het formaat van een kleine kerk had, werd in 1798 in opdracht van het Franse revolutionaire bewind gesloopt.

Wikipedia

Wikipedia

Ook een ander uit Leuven verdwenen meesterwerk bevond zich in deze kapel: de Kruisafneming van Rogier van der Weyden.

De opdracht voor het Sint-Jorisretabel werd gegeven aan Jan Borreman: “gemaekt door meester Jan Borreman, tot Brussel, met dobbel deuren, gesneden uyt goeden gekeurden houte, volgens het model daerafwesende.”

De toeschrijving van dit retabel aan Jan Borreman, in 1513 nog geroemd als de “beste meester beeldsnydere”, wordt bevestigd door de signatuur “IAN” op de zwaardschede van één van de figuren uit het centrale tafereel. Het retabel draagt het jaartal 1493 (“MCCCCXCIII”)

Jan Borreman de Oude, ook Jan Borman of Borremans) was de beste “beltsnyder” (beeldsnijder of houtsnijder) in Brussel. In 1479 verwierf hij het poorterrecht in Brussel en werd er lid van de gilde van de Steenbickeleren: de steenhouwers, metselaars, beeldhouwers en schaliedekkers die in één gilde verenigd waren.

Het eiken triomfkruis van de Sint-Pieterskerk in Leuven wordt ook aan Jan Borreman toegeschreven.

voorkant

© Lukas vzw

Het retabel vertelt het martelaarschap van Sint-Joris die tijdens het bewind van de Romeinse keizer Diocletianus omwille van zijn standvastige trouw aan het christelijk geloof onderworpen wordt aan een indrukwekkende reeks folteringen: hij wordt geradbraakt, in tweeën gezaagd, op de pijnbank gelegd, in een vat met kokend lood gedompeld, …

Jan Borreman beeldt dit uit in zeven grote en twee kleinere scènes, die telkens een foltering in beeld brengen.

Referenties:

  • M. Buyle, C. Vanthillo. “Vlaamse en Brabantse retabels in Belgische momenten”. (2000) M&L cahier, nr 4
  • E. Cockx, G. Huybens. “De Leuvense prentenatlas. Zeventiende-eeuwse tekeningen uit de Koninklijke Bibliotheek te Brussel” (2003) Jaarboek van de geschied- en oudheidkundige kring voor Leuven en omgeving, Volume 41, 2 vol.
  • J. Klinckaert “Laat-gotische beeldhouwkunst in België” (1994) Openbaar Kunstbezit Vlaanderen, jg. 32, extra nummer,
  • G. Dervaux-Van Ussel, H. Nieuwdorp, en J. Steppe. “Retabels”. (1997) OKV, 3-41
  • G. Huybens.  “Het liedeken van den Lovenaers: een achttiende-eeuws Leuvens Handschrift”. (1990) Leuven University press
  • Leuven eist retabel terug”. De Standaard, 2 juli 2008.
  • het Sint-Jorisretabel”. http://www.kmkg-mrah.be/nl/sint-jorisretabel
  • Wikipedia. https://nl.wikipedia.org
  • Inventaris Onroerend Erfgoed. https://inventaris.onroerenderfgoed.be/
  • Lukas vzw. http://www.lukasweb.be/nl

Vivès en de twee bronnen

Wie was Vivès? Waar komt de naam van de Leuvense stadsbibliotheek en archief vandaan? Op deze twee vragen krijg je een antwoord in deze Leuvense geschiedenis.

Wij beginnen ons verhaal in de universiteitshal op de Naamsestraat. Daar vind je twee stenen met Latijnse teksten: een links vooraan en een achter de glazen deur. De steen achter de glazen deur komt uit een gevel in de Diestsestraat.

gedenksteen

Uit: Filosofen in Leuven: een stadswandeling. Helga Gielen en Katrien Schaubroeck

HIC.GEMINI.FÕTES.GRAECVS.FLVIT
ATQVE.LATINVS
SIC.EOS.APPELLAT.LODO~.VIVES
VALENT IN.LINGVAE.EXERCITATIONE
AD.PHILIPPV.HISPÃ.ET.ANGL~.REGE~.ÊC .
ANNO.1556.
RENOVATUM.1767

In het Nederlands staat er: “Hier vloeiden de tweelingsbronnen, de Griekse en de Latijnse. Zo noemde ze Ludovicus Vivès uit Valencia in zijn Oefeningen in de Latijnse taal, opgedragen aan Filips, koning van Spanje en Engeland etc. in het jaar 1556. Hernieuwd in 1767.”

Juan Luis Vivès (1492-1540) woonde in de Diestsestraat te Leuven op de plaats van het huidige nummer 79 (tegenover de huidige Inno). In de tuin van dit huis lagen 2 bronnen. Het bestaan van deze bronnen is in 1961 bevestigd.  Toen werden bij slopingswerken van huizen in de Vital Decosterstraat in een soort gewelfde kelder in een tuin de twee bronnen in kwestie ontdekt.

Voor de renaissancehumanist Vivès stonden deze bronnen symbool voor de twee klassieke talen waaruit alle humanistische geleerdheid wordt geput en voortvloeit: het Grieks en het Latijn. Hij verwees ernaar in zijn “Exercitatio Linguae Latinae”, een boek met dialogen voor studenten.

In 1556 werd door de toenmalige bewoner van Vivès’ huis in de Oppendorpstraete (Diestsestraat) P. Roels, doctor en professor in de medicijnen, een gedenksteen aangebracht. Deze steen werd in 1767 hernieuwd en in 1931 door de erfgenamen Ryckman de Winge aan de universiteit geschonken.

Vivès (1492 of 1493 – 1540) werd geboren in de Spaanse stad Valencia. Zijn ouders waren tot het christendom bekeerde joden. In 1509 ging hij studeren aan de universiteit van Parijs. Teleurgesteld over het scholastieke onderwijs aldaar vestigde hij zich in 1512 in Brugge. In 1517 werd hij huisleraar van de negentienjarige bisschop van Kamerijk, kardinaal Guillaume de Croÿ. De twee verhuisden in 1517 naar Leuven, waar Vivès als gastdocent aan de universiteit werd toegelaten en zijn vriendschap met Erasmus bestendigde.

Hij werkte ook als hoogleraar aan het Drietalencollege, dat aanvankelijk los van de officiële universiteit opereerde en waarin de klassieke talen werden bestudeerd. De studenten konden er gratis onderwijs volgen, en de docenten kregen een bescheiden salaris uit de nalatenschap van mecenas Hiëronymus Busleyden.

Juan Luis Vivès geldt als de belangrijkste Spaanse geleerde van de zestiende eeuw. Na Erasmus was hij de belangrijkste vertegenwoordiger van het humanisme in de Nederlanden. Hij maakte vooral naam als pedagoog. Hij had een grondige hekel aan het schoolse onderwijs en zocht dan ook naar hervormingen. In “De disciplinis XX libri” (20 boeken over onderwijsvakken) geeft hij zijn ideale leerprogramma en in “De institutione feminae christianae” (over het onderwijs van christelijke vrouwen) pleit hij voor en kwaliteitsvolle opleiding voor vrouwen.

christelijke vrouw_tekening

Flandrica.be

Afbeelding aan het einde van “Die Institutie ende leeringe van een Christelijke Vrouwe, sowel in haer ioncheyt, als in haren houwelijcken staet”. Nederlandse vertaling van “De institutione feminae christianae

Met zijn studie “De subventione pauperum” dat in opdracht van de stad Ieper vertaald werd onder de titel “Secours van den aermen”, legde Vivès de basis voor een ingrijpende hervorming  van de armenzorg. Hij pleitte ervoor om alle middelen voor het armenbeleid te centraliseren bij de lokale overheid.  Daarmee reageerde hij op de traditie van de Heilige Geesttafels die sinds de zesde eeuw de armenzorg op parochieniveau organiseerden.

Criminelen moesten niet gestraft worden, maar geholpen worden om goede burgers te worden. De leefsituatie van de armen moest onderzocht worden vooraleer ze konden rekenen op steun. Daklozen en zwervers moesten hun naam noemen en verklaren waarom ze zwierven. Volgens Vivès kon armoede vermeden worden door iedereen te laten werken volgens zijn mogelijkheden. Wie geen vaardigheden had, moest scholing krijgen en wie zich onterecht als ziek voordeed, moest streng gestraft worden. Volgens Vivès was niemand werkonbekwaam: blinden konden bij voorbeeld wol spinnen of manden vlechten. Dit klinkt zeer modern. In feite legt Vivès hier de basis voor de theorie van de activerende verzorgingsstaat.

armenzorg_titelblad

Flandrica.be

Titelpagina “Ioannis Lodovici Vivis Valentini de subventione pauperu|m|. Sive de humanis necessitatib|us| libri .II. Ad senatum Brugensem. Prior de subve|n|tione privata quid unu|m|quemq|ue| facere oporteat alter de subventione publica, quod civitatem deceat. Ab autore ipso recogniti. Addite sunt annotaciule in calce libri, ad explicandos aliquot difficiliores locos. Habes etiam indice|s| in fine

Ook zeer modern is het antwoord van Vivès op de uitspraak van Bernardus van Chartres (twaalfde eeuw): “Wij zijn als dwergen, zittend op de schouders van reuzen”. Wij  denken hierbij waarschijnlijk onmiddellijk aan Google Scholar maar in zijn boek “De Disciplinis” schrijft Vivès: “Non est ita, neque nos sumus nani, nec illi hominis gigantes, sed omnes ejusdem staturae” (Dat is niet zo, wij zijn geen dwergen, net zomin zij reuzen zijn, iedereen heeft dezelfde bouw).

In 1522 viel de vader van Vivès in handen van de Inquisitie en twee jaar later  werd hij tot de brandstapel veroordeeld omwille van zijn vermeende terugval in het Jodendom. Om  dezelfde reden werd de moeder van Vivés, in 1508 overleden, in 1529 opgegraven en op de brandstapel geplaatst.

Voor Vivès verwezen de twee bronnen naar  de bronnen van de humanistische geleerdheid Nu verwijst “Tweebronnen” naar de twee informatiebronnen, die in het gebouw met die naam zijn gehuisvest: de bibliotheek en het archief.

Jan Van Vaerenbergh, bibliothecaris in 2000 op het ogenblik dat de bibliotheek en het archief in Tweebronnen introkken, zegt hierover:

“… twee instituten die in essentie elk een andere kant opkijken. Het archief conserveert en consolideert, de hedendaagse bibliotheek confronteert en stimuleert. Traditie versus moderniteit. Het archief bewaart een mening; de bibliotheek vormt een mening. De bibliotheek heeft geen verleden; het archief geen heden, maar beide maken ze de toekomst. … Tweebronnen verwijst uiteraard naar de bibliotheek en het archief, maar evenzeer naar de paarsgewijs te onderscheiden soorten informatiebronnen waaraan de gebruikers zich zullen kunnen laven: handgeschreven versus gedrukte bronnen, ambtelijke stukken versus literaire werken, reële versus digitale bronnen”

Vanaf september 2013 is Vives ook de naam van de West-Vlaamse hogeschool ontstaan uit de samenwerking van KATHO en KHBO.

Bronnen

  • Luyten Anita, Gilleir Mia, Van Nerum Mia, Van Aerde Ronald, Fransen Wilfried, Van Isterdael Wim. “De macht van het getal” LGB-krant, 2010, jg. 24 (3), I-XXI
  • Juan Luis Vivès“. Wikipedia: de vrije encyclopedie. https://nl.wikipedia.org/wiki/Juan_Luis_Vives
  • Gielen Helga, Schaubroeck Katrien. “Filosofen in Leuven: een stadswandeling“. http://leuven-plus.be/sites/default/files/document/publiek/filosofenwandeling.pdf
  • http://www.flandrica.be/
  • Steyaert Jan. “1526. Juan Luis Vives: armenzorg en het opkomend humanisme. Canon Sociaal Werk Vlaanderen. http://www.canonsociaalwerk.be/
  • Jacobs, S., e.a., “De reconversie van de Technische School van Henry van de Velde tot Openbare Bibliotheek en Archief van Leuven”, Leuven, Uitgeverij P, 2000

Het Sint-Annaretabel

In zaal 1 van het museum M wordt een hoge muur beheerst door veertien grote albasten panelen met taferelen gebeeldhouwd in hoogreliëf. Door hun omvang kan je ze moeilijk verborgen parels noemen maar ik betwijfel of velen weten waar dit vandaan komt en wat het voorstelt. Zowel het kunstwerk zelf als de context waarin we het moeten situeren, zijn bijzonder genoeg om even bij stil te staan.

Deze veertien panelen maakten deel uit van een retabel dat zich oorspronkelijk bevond in de kerk van de Celestijnenpriorij in Heverlee. In 1610 bestelt Karel II, hertog van Croÿ en Aarschot dit altaarstuk aan Robrecht Colijn de Nole, Meester-Beeldhouwer aan het hof van Albrecht en Isabella.

Zowel het materiaal als de periode waarin het tot stand kwam, zijn atypisch. Als we het over retabels hebben, denken we gemakkelijk aan houten kasten vol met kleine beeldjes in een decor dat doet denken aan de pracht van onze gotische kerken en stadhuizen. Het typische Brabantse retabel is van hout en geproduceerd in de vijftiende en zestiende eeuw. Dit retabel is in albast en gemaakt in de barokperiode. Robrecht Colijn de Nole komt uit een familie van beeldhouwers uit Kamerrijk. In 1590 vertrok hij met zijn broer Jan naar Antwerpen, waar ze een eigen beeldhouwersatelier hadden. In Antwerpen raakte Robrecht bevriend met belangrijke kunstenaars zoals Cornelis Floris III en Rubens. Hij overleed in 1636.

Willem van Croÿ werd in 1459 in Picardië geboren als telg uit een geslacht dat sinds verschillende generaties in dienst stond van de hertogen van Bourgondië. In 1488 huwt hij met Maria van Hamale, weduwe van Adolf de la Marck. Willem van Croy ontpopt zich tot één van de belangrijkste politieke figuren in de Nederlanden. In 1506 wordt hij aangesteld als regent over de Habsburgse Nederlanden tijdens de afwezigheid van Filips de Schone en in 1509 wordt hij uitgekozen als opvoeder en gouverneur van de latere Keizer Karel. Tijdens zijn verblijf in Italië, waar hij aan de zijde van de Franse koning strijdt voor de herovering van Napels, komt hij in contact met de renaissance. Bij zijn terugkeer brengt hij talrijke kunstwerken, meubels en handschriften mee en de volgende jaren laat hij de primitieve burcht ombouwen tot een prachtig renaissancekasteel. In 1521 vertrekt hij met keizer Karel naar Worms voor de Rijksdag. Tijdens zijn verblijf wordt hij ernstig ziek en op 21 mei 1521 laat hij zijn laatste wilsbeschikking vastleggen ter aanvulling van het testament dat hij kort vóór zijn vertrek had opgesteld. Hij overlijdt op 27 mei 1521. Na een plechtige dienst in Worms wordt hij overgebracht naar Aarschot waar hij wordt bijgezet in de Onze-Lieve-Vrouwekerk.

In zijn laatste wilsbeschikking van 21 mei 1521 gaf Willem van Croy zijn echtgenote de opdracht een celestijnenklooster te stichten. De kerk van het klooster zou dienst doen als grafkerk van de familie van Croÿ. Het was een monumentale driebeukige kerk met een vijfzijdige koorafsluiting. Ze was ongeveer 72 m lang en ongeveer 24,5 m breed. De kerk zelf was opgetrokken in gotische stijl maar in het interieur was de renaissance duidelijk aanwezig waarbij vooral de werken van Jan Mone moeten opgevallen zijn. Jan Mone ontwierp het albasten hoofdaltaar met retabel, het praalgraf van Willem van Croÿ en Maria van Hamal en het wandgraf van Kardinaal Willem van Croÿ. Jan Mone was in Spanje in contact gekomen met de renaissance en brengt deze nieuwe stijl over naar het noorden. Zo werd hij de belangrijkste vertegenwoordiger van de ontluikende renaissance in de Nederlanden.

Het werk van Jan Mone ging grotendeels verloren. In 1791 werd de kerk getroffen door een blikseminslag. Tijdens de Franse bezetting doet ze dienst als paardenstal, hospitaal en opslagplaats, en in 1796 wordt ze geplunderd door de troepen van “Rosse Max”. Ze wordt uiteindelijk volledig afgebroken tijdens de “verbouwingswerken” in opdracht van de hertog van Arenberg. Na de plundering in 1796 werden een aantal geredde stukken in albast uit de kerk overgebracht naar de oude dekenij van het stadhuis. In 1854 vormden de 14 panelen die we nu kunnen bewonderen, mee de basis tot de oprichting van een stedelijk museum.

Oorspronkelijk stond het retabel in de Sint-Annakapel van het Celestijnenklooster. Het is gewijd aan Anna, de moeder van Maria en de grootmoeder van Christus. . De heilige Anna komt niet voor in de Bijbel, maar in apocriefe teksten wordt hoe Anna op hoge leeftijd toch nog een kind krijgt met haar echtgenoot Joachim. Anna komt op de veertien panelen zelf maar één keer voor, in het tafereel van de geboorte van Maria.

De veertien panelen tonen de volgende taferelen:

  • Geboorte van Maria
  • Annunciatie (Aankondiging van de geboorte van Christus aan Maria)
  • Geboorte van Jezus
  • Aanbidding der wijzen
  • Vlucht naar Egypte
  • Voetwassing
  • Jezus in het hof van olijven
  • De geseling van Christus
  • Ecce Homo
  • De kruisdraging
  • De kruisiging
  • De graflegging
  • Hemelvaart van Christus
  • Hemelvaart van Maria

Op de website van Lukas vzw (http://www.lukasweb.be/nl) kan je afbeeldingen van de veertien panelen downloaden. Deze downloads zijn gratis als ze gebruikt worden voor educatieve doeleinden.

Bronnen: