Maandelijks archief: september 2015

Ferdinand Verbiest en de Kang-Xi globe

Ferdinand Verbiest

Pittem, 1623 – Bejing, 1688

father-ferdinand-verbiest-jesuit-science-source

Fineartamerica.com

Ferdinand Verbiest trad in 1641 in bij de Jezuïeten. Hij werd in 1659 als missionaris naar China gezonden. Een andere jezuïet, Johann Adam Schall von Bell, riep hem naar het keizerlijk hof als Assistent Dishi (kroonprinsleermeester).

De heersende keizer stierf op 23-jarige leeftijd. De Troonopvolger was pas zeven jaar. Het bestuur kwam in de handen van vier regenten die vijandig stonden tegenover de Jezuïeten en hen vervolgden. Een moslim-astronoom (Yang Guangxian) daagde de jezuïeten uit voor een astronomische wedstrijd. Yang won en nam de positie van de jezuïet Adam Schall von Bell over. De jezuïeten werden opgesloten. Ze kwamen vrij na een aardbeving, die door het Chinese hof gezien werd als een voorteken.

In 1669 kwam de nieuwe keizer Kangxi aan de macht, Hij liet de corrupte regent arresteren. Hij organiseerde ook een nieuwe astronomische wedstrijd: Ferdinand Verbiest en Yang Guangxian moesten uitmaken welke astronomen de beste waren, de Europese of de Chinese. Ze kregen drie opdrachten.

  1. Ze moesten de lengte van de schaduw van een zonnewijzer op de middag van een bepaalde dag bepalen,
  2. ze moesten de absolute en de relatieve positie van de zon en de planeten op een bepaalde dag bepalen,
  3. ze moesten het precieze tijdstip van de volgende maansverduistering voorspellen.

Ferdinand Verbiest maakte gebruik van de “Rudolfijnse” tabellen waarmee Johannes Keppler de exacte positie van de planeten bepaalde. Johannes Keppler had in 1609 aangetoond dat de planeten in ellipsvormige banen rond de zon draaien. Met de hulp van de tabellen van Keppler slaagde Verbiest in de drie testen. Yang werd gevangengezet en Ferdinand Verbiest nam zijn positie over.

Astronomie was aan het Chinese hof van kapitaal belang. De macht van de keizer was toen deels gebaseerd op het correct voorspellen van astronomische fenomenen zoals zons- en maansverduisteringen. Als die niet voorspeld waren in een kalender, betekende dat dat zijn macht niet erkend werd door de hemel. Ferdinand Verbiest stelde een tabel op met de zons- en maansverduisteringen voor de volgende 2000 jaar. Hij stelde ook voor een maand uit de Chinese kalender te verwijderen. Die was er in 1670 verkeerdelijk aan toegevoegd.

Ferdinand Verbiest raakte bevriend met de keizer. Hij onderwees hem in de wiskunde, de filosofie en de muziek. Hij kreeg de leiding over het keizerlijk observatorium en bouwde zes nieuwe meetinstrumenten waaronder een hemelglobe. Aan de hand van de globe kon hij de positie van sterren bepalen en wist hij te bewijzen dat de westerse kalender in overeenstemming was met astronomische fenomenen. Verbiest werd door keizer Kangxi tot mandarijn benoemd en kreeg na zijn dood een staatsbegrafenis.

De hemelglobe

De hemelglobe is een exacte replica van het instrument dat Ferdinand Verbiest in 1673 tekende aan het keizerlijk hof in China. Het origineel staat in het keizerlijke observatorium in Peking, samen met andere astronomische instrumenten die Verbiest liet bouwen.

Beijing Ancient Observatory rooftop

Beijing Ancient Observatory rooftop

De replica werd volledig manueel vervaardigd volgens de oorspronkelijke technieken, met uitzondering van de onzichtbare delen. Ze heeft dezelfde afmetingen als het origineel maar werd wat zwaarder gemaakt om toekomstige vervormingen te beperken. Op de hemelglobe zijn 1888 hemellichamen aangebracht in de vorm van grotere knopen en kleinere punten, de sterren en hemellichamen die aan het eind van de zeventiende eeuw bekend waren. Hij weegt 3.850 kg en is 2,76 meter hoog. De hemelglobe diende vooral om de bewegingen van de hemellichamen na te bootsen. Verbiest zelf kende een zestigtal gebruiksmogelijkheden.

In 1985 werd de opdracht tot het bouwen van de globe gegeven, in november 1988 werd hij verscheept naar Antwerpen en op 2 juni 1989 heeft de Chinese ambassadeur de globe ingehuldigd. De volgende dag reden tanks over het Tian’anmenplein om het studentenprotest voor meer democratie met geweld te onderdrukken. Enkele dagen later was de globe het decor voor een stille actie van Leuvense studenten.

Deze houtsnede van Utagawa Kuniyoshi (1797-1861) toont het portret van Chitasei Goyo (in het Chinees: Wu Yong), bijgenaamd “de meest intelligente ster”. De twee instrumenten, de sterrenglobe en de sextant, zijn van Ferdinand Verbiest. Zijn instrumenten werden opgenomen in Chinese handboeken en encyclopedieën, een bewijs van zijn grote invloed. De prent benadrukt het belang van astronomische kennis voor het bepalen van militaire strategieën.

Bronnen

Kamerood Sesteg

Het Leuvense begrip “kamerood sesteg’” (kameraad zestig) stamt uit het middeleeuwse schuttersleven. De Grote Gilde van de Kruisboog – “Groote Gulde van de Ouden Cruysboghe” of het “Gulde van de Sestigen” – had zestig leden. Telkens een lid wegviel, mocht een “bleuke” tot de gilde toetreden. Dat zestigste lid werd “kamerood sesteg” genoemd. De uitdrukking wordt nog wel eens gebruikt om een nieuweling aan te duiden met een beetje minachting. De mannen van 60 hebben van het begrip een geuzennaam gemaakt.

Schuttersgilden waren in feite religieus geinspireerde middeleeuwse burgerwachten. Zij moesten de stad beschermen tegen aanvallen, ze bewaken en er de orde in handhaven. In Leuven had je vier schuttersgilden: de Sint-Sebastiaansgilde of de gilde van de handboog, de kleine gilde van de kruisboog, de grote gilde van de kruisboog en de gilde van de kolveniers.

Wanneer in de veertiende eeuw de tweede ringmuur rond Leuven werd gebouwd, verloor de eerste ringmuur zijn beschermende functie. Delen van de grachten zouden verder gebruikt worden als oefenterreinen voor die schuttersgilden. De grote gilde van de kruisboog had haar oefenterrein tussen de Heilige-Geestpoort (Diestsestraat) en de Sint-Michielspoort (Tiensestraat), grosso modo over het huidige Mgr-Ladeuzeplein en het Herbert Hooverplein.  De andere gilden kregen een terrein tussen de Sint-Michielspoort  en de Proostpoort (Naamsestraat) nu deel van het stadspark – vandaar de Leuvense benaming “Gieëlenhof” (Gildenhof) – ,in het Handbooghof en in het Kolveniershof.

De schuttersgilden hadden meestal een eigen patroonheilige. Sint-Joris en Sint-Sebastiaan waren de meest voorkomende patroonheiligen. Vaak hadden de gilden ook een eigen kapel. De kapel van de grote gilde van de kruisboog bevond zich binnen de (tweede) ringmuur in de “Hoelstrate”, de huidige Tiensestraat. Deze kapel, Onze-Lieve-Vrouw van Ginderbuiten, had het formaat van een grote kerk en bezat enkele belangrijke kunstschatten waaronder het Sint-Jorisretabel van Jan Borreman en de Kruisafneming van Rogier Van der Weyden. De kapel werd in 1798 door de Fransen gesloopt.

De Mannen van 60 gaven de Aarschotse beeldhouwer Jan Rosseels de opdracht “Kamerood Sesteg” te vereeuwigen in een standbeeld. In 2000, het jaar dat ze zelf Benjamin werden, schonken ze het beeld aan de stad.

De Mannen van het Jaar is een typische Leuvense traditie. Elk jaar ontstaat een nieuwe vriendenkring van mannen die het volgende jaar veertig worden, “met uitsluiting van om het even welk beletsel van sociale, politieke, godsdienstige of filosofische aard.” Het oorspronkelijke doel was het voorbereiden van een waardige viering van de vijftigste verjaardag. Gedurende 10 jaar organiseren ze activiteiten. Op hun veertigste worden ze Benjamins en op vijftig Abrahams. Dan zou men wijs geworden zijn en het rustiger aan doen.

Rond “Kamerood sesteg” ontstond een nieuwe traditie in het jaartallenleven. Elk jaar wordt het nieuwe jaartal, de veertigjarigen, gehuldigd als “kamerood sesteg”. Zo worden ze symbolisch opgenomen in de kring van de Jaartallen. Dit gebeurt op dezelfde dag dat de vijftigjarigen als Abraham gevierd worden.

Het werd een dynamisch beeld vol symboliek. Het stelt een eeuwig jonge man vol levenslust voor. De wereldbol die aan zijn voeten ligt, staat symbool voor illusie, de baby voor nieuw leven, de slak voor de trage vordering naar het oud worden, en de rijpere man met een ruiker bloemen voor “iemand die graag de bloemetjes buiten zet.”

De man met de vinger op de neus is een wijsneus. De raket verwijst naar het embleem van de mannen van 60. Ze staat ook symbool voor de wereld zonder grenzen en de verovering van de kosmos.

Verder zijn er ook enkele verwijzingen naar Leuven aanwezig: Fiere Margriet en een stoomlocomotief die verwijst naar het – voormalige – spoorwegmuseum.

Het beeld is ondertussen al enkele malen het slachtoffer van vandalisme. Het beeld was zelfs een tijd verdwenen maar is gelukkig teruggevonden. In de hals zijn nog sporen van mishandeling zichtbaar. Bij het begin van de verbouwing van het museum M verhuisde Kamerood Sesteg van de Vanderkelenstraat naar het stadspark.

Bronnen:

Sapientiae Immarcessibilis

Het avontuur van de stichtingsbul van de Universiteit

Het belangrijkste erfgoedverlies van de “Brand van Leuven” was geen monumentaal gebouw maar een stuk perkament met een grootte van ongeveer een A3-blad: het origineel exemplaar van “Sapientiae Immarcessibilis”, de bul waarmee Paus Martinus V de formele toelating geeft in Leuven een universiteit te stichten. Dit document was gedateerd op 9 december 1425. Dit is dus de officiële stichtingsdatum van de Leuvense Universiteit. Dit historisch document ging volledig in rook op wanneer Duitse soldaten in 1914 de Hallen in brand steken. Gelukkig werd er vijf jaar eerder een facsimile van de originele bul gemaakt.

Hertog Jan IV van Brabant wordt in de kunst en in de geschiedenis wel eens voorgesteld als de stichter van de universiteit maar dat is historisch niet juist. Het initiatief ging uit van het kerkelijk en het wereldlijk gezag van de stad: het kapittel dat verantwoordelijk was voor de eredienst in de Sint-Pieterskerk en het stadsbestuur dat nog steeds met zijn Brusselse tegenhanger aan het strijden was voor de positie van “Beste stad van Brabant”. Willem Neve, scholaster van het kapittel verantwoordelijk voor het onderwijs, werd door het stadsbestuur naar Rome gestuurd met een verzoekschrift en een aanbeveling van de hertog.

Via de pauselijke administratie werden er verschillende vragen aan de paus gesteld. De belangrijkste was natuurlijk de formele toelating een universiteit te stichten. Deze toelating werd neergeschreven in de bul “Sapientiae Immarcessibilis” (van de onverwelkbare wijsheid). Op dezelfde dag werden nog drie andere bullen getekend waarin een aantal juridische aspecten van de oprichting geregeld werden. De oprichting werd feitelijk voltooid in 1432 wanneer paus Eugenius IV, de opvolger van Martinus V, de oprichting van een faculteit theologie toeliet. Daarmee werd de Leuvense universiteit een volwaardig “Studium Generale” met de vijf klassieke faculteiten: artes (filosofie en natuurwetenschappen), theologie, geneeskunde, kerkelijk recht en burgerlijk recht.

In 1794 beginnen de bullen aan hun zwerftocht. Het bestuur van de universiteit had weinig vertrouwen in het revolutionaire bewind en besliste haar archieven in veiligheid te brengen. Het centrale archief werd samen met enkele andere archieven overgebracht naar Rotterdam. Jan-Frans Van de Velde, president van het Heilige-Geestcollege, bibliothecaris en archivaris van de universiteit, en notoir ultramontaan en antirevolutionair, is “zijn” archief achterna gereisd. Toen gevreesd werd dat de Fransen ook Nederland onder de voet zou lopen, liet Van de Velde de archieven overbrengen naar de toenmalig Deense stad Altona.

Jan-Frans Van de Velde wist zelf de deportatie naar Cayenne (Frans-Guyana, Zuid-Amerika) te ontlopen door te vluchten naar Duitsland. Toen hij in 1802 naar zijn geboorteland wou terugkeren, had hij de “ontvoerde” archieven moeten teruggeven maar hij slaagde erin deze restitutie te beperken. Wat hij wist achter te houden, werd overgebracht naar zijn geboorteplaats Beveren-Waas of werd in bewaring gegeven in het seminarie van ’s Hertogenbosch. Zo kwam de volledige verzameling met charters van de Oude Universiteit terecht in het Bossche seminarie dat eerst in Sint-Michiels Gestel en later in Haaren gevestigd was. Dit werd zo zorgvuldig geheim gehouden dat op het einde van de negentiende eeuw iedereen in Leuven ervan overtuigd was dat deze schatten voor goed verloren waren. Groot was dan ook de verrassing wanneer de bisschop van ’s Hertogenbosch in 1909 de stichtingsbul cadeau deed aan de Katholieke universiteit van Leuven.

De geschiedenis kan hard zijn: vijf jaar later zorgden Duitse soldaten voor de definitieve vernietiging van dit historisch document. Gelukkig had men bij de teruggave een facsimile van de originele bul gemaakt. In 1971 kwamen de andere charters als onderdeel van een ruil terecht in het aartsbisschoppelijk archief in Mechelen. Wanneer het universiteitsarchief in 1983 geruild wordt voor kloosterarchieven, zijn de originele archieven waaronder de drie bullen die op de zelfde dag als de stichtingsbul werden uitgevaardigd, eindelijk weer thuis. Een van de drie, de bul “Qui creditum sibi” is ondertussen gedigitaliseerd en kan je nu in detail bekijken op de fantastische website van de Vlaamse Erfgoedbibliotheken, Flandrica.be.

Bronnen

  • Bul met privilege van Paus Martinus V voor de Leuvense universiteit, 9 december 1425. http://www.flandrica.be/items/show/457/
  • Marc Nelissen. Fundatio: de Stichting van de Oude Universiteit. In: Leuven / Louvain-la-Neuve: kennismaken. Onder redactie van Jan Roegiers en Ignace Vandevivere. p. 9-17. Leuven, Universitaire pers: 2001.
  • Marc Nelissen, m.m.v. Jan Roegiers en Erik Van Mingroot. De stichtingsbul van de Leuvense universiteit 1425-1914. Leuven, Universitaire pers: 2000
  • Jan Roegiers: Bullen. Ex officina. 2000, 13(3) p. 7-8

Van boekbinder tot uitgever

Louis Helschevier werd in Leuven geboren als zoon van een drukker die Hans de Louvain werd genoemd. In Leuven leerde hij het vak van boekbinder. Vandaar reisde hij naar Antwerpen om te gaan werken bij Christoffel Plantijn. Daar was Louis de Louvain zijn roepnaam maar hij heette Louis Elzevier.

In 1563 trouwde hij met Maijke de Verdeijen Verbois. Zijn twee oudste zonen zijn in Antwerpen geboren. Het echtpaar zou zeven zonen en twee dochters krijgen.

Louis werd protestant en vluchtte naar Luik (1567), naar Wesel (vóór 1570)en naar Dowaai (vóór 1575). In 1581 vestigde het gezin zich in Leiden aan het Rapenburg en begon er zijn eigen boekhandel. In 1583 gaf hij zijn eerste boek uit. Louis werd Lodewijk. Samen met zijn vrouw leidde hij zijn zeven zonen op in het boekenvak. Zo legde hij de basis van een succesvolle uitgeversdynastie.

In 1616, het jaar voor zijn dood, is het bedrijf uitgegroeid tot de grootste boekhandel annex drukkerij van Leiden. Vijf zonen waren nog in leven en alle vijf zaten in het boekenvak. Twee zonen bleven in Leiden, twee begonnen samen een winkel in Den Haag en één startte in Utrecht. De kroon op het werk van vader Lodewijk was de benoeming van zijn kleinzoon tot officieel universiteitsdrukker.

Tot 1712 hebben Elzeviers boeken gemaakt en verkocht. Na Louis van Leuven hebben veertien zonen, kleinzonen en achterkleinzonen zijn werk voortgezet. In totaal gaf het huis Elsevier meer dan 2000 boeken uit, waarvan een aantal alleen in Nederland kon verschijnen wegens censuur elders: bij voorbeeld “Discorsi e dimostrazioni matematiche intorno a due nuove scienze attinenti alla meccanica e ai moti locali”, het laatste en wellicht meest invloedrijke boek van Galileo Galilei.

galileo

De familie is zo beroemd dat in Encyclopedia Britannica een lemma aan hen wordt gewijd.

De huidige uitgever van wetenschappelijke literatuur Elsevier werd in 1880 opgericht als Elsevier’s Uitgeversmaatschappij in 1880 en werd genoemd naar het uitgeversgeslacht Elzevier. Elsevier begon in Rotterdam maar verhuisde in 1887 naar Amsterdam.

Referenties: