Maandelijks archief: november 2015

Het celestijnenklooster in Heverlee

In juni 1521 werd in Heverlee in de buurt van het kasteel van Croÿ een werf geopend. Vijf jaar later kon in het koor boven het hoofdaltaar het jaartal 1526 geschilderd worden. Op vijf jaar tijd was hier een laatgotische kerk verrezen met de grootte van een stadskerk. Het zou de grafkerk van de familie de Croÿ worden en de celestijnen van het aanliggende klooster zouden zorgen voor de bediening van de kerk en het opdragen van de missen. De kerk werd toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw-Boodschap zoals bij het moederhuis in Parijs.

Met de stichting van een grafkerk en bijhorend klooster plaatste de familie van Croÿ zich volledig in de traditie van hun Bourgondische landsheren. De Bourgondische hertogen hadden hun mausoleum nabij Dijon in de kartuis van Champmol die daarvoor door Filips de Stoute is opgericht.

MINOLTA DIGITAL CAMERA

eigen foto

Onze laatste Bourgondische prinses, Margaretha van Oostenrijk ligt begraven in de kloosterkerk van Brou, nabij Bourg-en-Bresse. Zij had dit klooster met grafkerk laten oprichten naar de wens van haar man, Filibert van Savoye en liet er verscheidene praalgraven voor vervaardigen, onder andere door haar hofbeeldhouwer Conrat Meit.

MINOLTA DIGITAL CAMERA

eigen foto

Willem van Croÿ had zelf de begraafplaats van Lodewijk van Orléans bezocht in het Celestijnenklooster in Parijs.

In september 1525 was de bouw van het convent zo ver gevorderd dat de kloosterlingen er hun intrek konden in nemen. De bouw van het klooster zou nog een tijd aanslepen. De pandgang kreeg een voorlopige houten zoldering en werd waarschijnlijk pas omstreeks 1540 overwelfd.

Rond 1600 trok Karel II van Croÿ zich het lot van de verwaarloosde priorij aan. Hij wordt daarom wel eens de tweede stichter van het convent genoemd.

Karel had grootse plannen. Je kan er nog een idee van krijgen op een vouwblad in het boek van Justus Lipsius, Lovanium, met een panorama van Heverlee. Je ziet er een genivelleerd landschap met kaarsrechte lijnen die loodrecht op elkaar staan in een orthogonaal raster.

Josse_van_der_Baren_-_Heverlea

(c) Wikipedia

De aanpassingen van het landschap heeft Karel voor een stuk kunnen realiseren. Om het terrein rond het kasteel te nivelleren liet hij de valleiwand van de Dijle afgraven. Zo kwam de Sint-Lambertuskerk (nu Sint-Lambertuskapel) op een geïsoleerde hoogte te liggen. Hij liet ook de dreef aanleggen (nu Kardinaal Mercierlaan, het voetbalstadion van OHL is ernaar genoemd) die het kasteel en de stad met elkaar verbinden, veertig voet breed (elf meter) en mille passus of duizend passen lang (één mijl of anderhalve kilometer.)

Sint-Lambertus

Waren enkele van de dromen van Karel en zijn omgeving uitgekomen, de toekomst van het klooster en de kerk zouden er gans anders uitgezien kunnen hebben. Zo droomde Karel van Croÿ van een college voor studenten, verbonden aan het klooster. Dit zou moeten komen hebben in een aanbouw aan de zuidkant met beneden een gehoorzaal en boven een bibliotheek. Het college is er nooit gekomen.

De toekomst van de kerk zou waarschijnlijk rooskleuriger geweest zijn, hadden de inwoners van Heverlee hun zin gekregen toen ze vroegen de Celestijnenkerk te mogen gebruiken als parochiekerk. In 1612 drongen ze hierop aan vanwege de bouwvallige situatie van de Sint-Lambertuskerk, “die welcke daegelijcx ruijneuse en caducq is wordende door het wegh bringhen van de omliggende berghen.” De kloosterkerk had alleen een toren moeten krijgen, met twee klokken en twee schellen. Karel was het plan niet ongenegen maar de verhuizing is nooit doorgegaan.

Aan het klooster werden herstellingswerken uitgevoerd: metselwerk, bepleistering van de binnenmuren en vernieuwing van het schrijnwerk buiten.

Voor de binneninrichting plande Karel ook een grondige vernieuwing. Van plint tot plafond moest er een volledig nieuwe verflaag komen, ontworpen volgens een vast schema: compartimenten in zwart en wit voor de zoldering, imitaties van diverse steensoorten voor de plinten en door zuilen van elkaar gescheiden medaillons op de wanden. De taferelen uit heiligenlevens en Bijbelverhalen zouden herhaald worden in de glasramen. De thematiek zou aangepast worden aan de functie van het vertrek. Het gastenverblijf had bij voorbeeld taferelen moeten krijgen uit de verhalen van Lazarus en van de Verloren Zoon. In de refter zou het leven van de Heilige Celestinus verbeeld worden.

Deze en andere plannen nam Karel van Croÿ mee in zijn graf. In 1612 stierf hij kinderloos. In zijn testament gaf hij de opdracht de Sint-Annakapel in de celestijnenkerk te versieren met de wapenschilden van alle heerlijkheden die in het bezit waren van de familie.

In zijn tombe was er al een plaats voorzien voor zijn jonge weduwe. Dorothea zou Karel met een halve eeuw overleven. Bovendien wou zij begraven worden op de plaats waar de priester de introïtus leest. Zij overleed in 1662 en reserveerde in haar testament een fatsoenlijk bedrag voor de stichting van een klooster voor vrouwelijke celestijnen in Nancy. In Heverlee liet ze naast geld voor missen en een grafplaat en naast giften voor de prior en enkele monniken een kleed na van rood fluweel doorregen met cantilledraad bezaaid met lovertjes voor een ornament en een ledikant met passement van gouddraad en een hemel als baldakijn, voor het Heilig Sacrament.

Het overlijden van Dorothea betekende ook het einde van het geslacht van Croÿ-Aarschot. Anna van Croÿ, zus van Karel en gehuwd met prins-graaf Karel van Arenberg, riep zichzelf uit tot hertogin van Aarschot.

Ook in de Celestijnenpriorij werd het geslacht de Croÿ afgelost door de Arenbergs maar dit veranderde weinig aan de situatie. Het bleef klachten regenen naar aanleiding van visitaties en de schadestaten en vertoogschriften bleven zich opstapelen in de archieven.

Prins-graaf Filips van Arenberg, die in 1644 tot hertog werd verheven, zou nog een barok epitaaf in de Celestijnenkerk krijgen maar de meeste Arenbergs zouden begraven worden in de crypte van het kapucijnenklooster in Edingen, dat in 1615 werd gesticht door Karel van Arenberg.

edingen_ferraris

(c) Wikipedia

De Arenbergs verkiezen de kapucijnen boven de celestijnen maar de Celestina bleef ook voor de Arenbergs haar functie van memoriaal behouden.

Celestijnen in Heverlee

Van kluizenaar tot paus

Stichter van de Celestijnen

Petrus Celestinus zou in 1215 geboren zijn in Sant’Angelo Limosano in de buurt van Isernia (Midden-Italië) als Pietro Angelerio. Hij verloor op jonge leeftijd zijn vader en trad op zeventienjarige in bij de benedictijnen in Faifoli in het Italiaanse bisdom Benevento. Pietro voelde zich niet echt thuis in het klooster. Hij voelde zich meer aangetrokken door het ascetisme en trok zich als kluizenaar terug in een grot in de bergstreek ten noorden van Napels. Johannes de Doper was zijn grote voorbeeld. Hij vastte alle dagen behalve de zondag, hij onderhield jaarlijks vier vastenperiodes waarvan hij er drie leefde op water en brood.

sulmona

(c) Wikipedia

In 1244 vestigde hij zich in een grot op de berg Monte Maiella in de Abruzzen. De eenzaamheid werd hem niet gegund; zijn grot werd een pleisterplaats voor gelijkgezinden die zijn levensstijl willen imiteren. In 1263 erkende paus Urbanus IV de orde en legt hen de regel van Benedictus op. Door hen in de benedictijnse traditie in te kapselen reageerde de paus op de toevloed van nieuwe ordes en vermeed hij dat de celestijnen een nieuwe bedelorde zouden stichten of aansluiting zouden zoeken bij de spiritualen, een radicale stroming binnen de franciscaanse beweging. In 1275 trok Petrus Celestinus te voet naar Lyon om er paus Gregorius te ontmoeten en de organisatie van de celestijnenorde definitief te regelen als een benedictijnse congregatie. De orde kende een explosieve groei, bestaande benedictijnse stichtingen sloten zich aan en nieuwe conventen werden opgericht. Rond 1280 waren er zesendertig huizen in elf bisdommen.

Paus Celestinus V

Na het overlijden van paus Nicolaas IV in april 1292 kwamen de kardinalen samen in Perugia om een opvolger te kiezen maar 15 maanden later waren ze er nog niet in geslaagd. Het conclaaf was verdeeld in twee blokken van zes kardinalen, de Orsini- en de Colonna-clan, die elkaar in evenwicht hielden en die beiden vasthielden aan hun kandidaat. Na een tussenkomst van Karel II van Anjou, koning van Napels verkozen de kardinalen unaniem de eenzame zonderling Petrus Celestinus als opvolger.

Celestinus_quintus

(c) Wikipedia

Drie eminente dignitarissen, vergezeld van een groot aantal monniken en lekenbroeders, klommen naar de berg waar de kluizenaar leefde om aan te kondigen dat hij door het Heilig College unaniem als paus verkozen was. Eerst dacht hij dat hij gek werd, sprong van achter de takken vandaan en vluchtte huilend het maquis in. Het werd een heus gevecht om hem te overmeesteren. Ze legden hem zeer voorzichtig uit welke diensten hij voor de kerk al bewezen had en spraken over een voorspelling die voor apocalyptische tijden een mysterieuze engelenpaus aankondigde. Heette hij niet Angelari? Overweldigd door deze argumenten liet Pietro zijn weerstand vallen en liet zich uit zijn arendsnest weghalen en naar de vallei voeren waar achter de angstige kardinalen en de ongeduldige koning van Napels duizenden nieuwsgierigen hem stonden op te wachten. De intocht van deze ruige kluizenaar was allesbehalve alledaags. Hij droeg een vieze monnikskap en zat schrijlings op een ezel die geleid werd door een koning en een jonge prins. Het vergde heel wat tijd om van de vuile grotbewoner een presentabele opvolger van Petrus te maken.

De totaal onervaren paus stond volledig onder controle van Karel van Anjou die hem allerlei hervormingen nuttig voor het koninkrijk van God maar vooral voor het koninkrijk van Napels, in het oor fluisterde. Twaalf nieuwe kardinalen werden benoemd, op een na Fransen en Napolitanen. Terwijl hij de zorg over het bestuur van de kerk afschoof op drie kardinalen trok Celestinus zich bij voorkeur terug in zijn cel, een natuurgetrouwe weergave van zijn grot in de bergen, in de kelder van het paleis van Karel II in Napels.

Celestinus V besefte snel dat hij ongeschikt was voor deze baan. De idee van abdicatie lijkt tegelijkertijd te zijn opgekomen bij de paus en de ongelukkige kardinalen. Over het einde van dit pausschap doet de volgende urban legend de ronde. Celestinus zou ’s nachts een goddelijke stem gehoord hebben die hem naar de bergen terugriep. Toen hij dat ging vertellen aan kardinaal Caetani, zou die zich net aan het afvragen geweest zijn of het gat in de zoldering wel groot genoeg was.

Op 13 december 1294 nam een paus voor de eerste maal in de geschiedenis vrijwillig afstand van zijn ambt. De tweede maal zit nog fris in ons geheugen. Op 28 februari 2013 volgde Joseph Ratzinger of paus Benedictus XVI het voorbeeld van Celestinus V.

Amper elf dagen later werd de naam van zijn opvolger bekendgemaakt: kardinaal Benedetto Gaetani werd paus Bonifatius VIII. Dit zou een krachtdadige maar ook een politiek gekleurd pontificaat worden.

Petrus Celestinus werd door zijn opvolger vastgehouden in het kasteel van Fumone. Bonifatius vreesde immers de manipulaties van Karel van Anjou. Petrus Celestinus slaagde er toch in te ontsnappen en naar zijn gemeenschap terug te keren. Bonifatius overtuigde de koning van Napels de ex-paus te arresteren. Celestinus had dit gevaar zien aankomen en was in de natuur gevlucht. Na een dooltocht van verscheidene weken bereikten hij en een metgezel de kust waar ze in een boot stapten die hen naar Dalmatië moest brengen. Maar de wind dreef hen terug naar het strand en Celestinus werd uitgeleverd aan Bonifatius, die hem opsloot in een kleine torenkamer. Daar stierf hij na negen maanden van vasten en bidden (19 mei 1296).

Celestinus V was de laatste paus met die naam. Dante plaatste hem in het voorportaal van de hel. De opvolger van Bonifatius VIII, Clemens V verklaarde Petrus Celestinus heilig (1313), op aandringen van Filips de Schone. Die had nog een eitje te pellen met Bonifatius VIII.

De Celestijnen

De orde der celestijnen, ook eremieten van Sint Damiaan of eremieten van Murrone genoemd, werd in 1254 gesticht door Pietro di Murrone, de latere paus Celestinus V. De celestijnen leefden volgens de regel van Benedictus met extra aandacht voor het stilzwijgen, de clausuur en het vasten.

Het centrum van de orde was de plaats waar ze ontstaan is, de abdij van de Heilige Geest in Murrono bij Sulmona in de Abruzzen. Voor de organisatie van de orde stond orde van Cluny model. Alle kloosters waren afhankelijk van de moederabdij. De verschillende stichtingen werden gegroepeerd in provinciën.

Celestijnen droegen een wit kleed met een zwart scapulier met kap. Het koorkleed bestond uit een zwarte pij met een zwarte kap. Lekenbroeders droegen een bruin habijt met op hun scapulier het symbool van de orde geborduurd. Dat symbool bestond uit een kruis met aan de voet een verstrengelde letter “S”.

habijt

(c) Wikipedia

In de bloeiperiode had de celestijnenorde honderdvijftig kloosters, vooral in Italië en Frankrijk. De priorij van Heverlee was de eerste en enige stichting van de orde in België. Na een periode van geleidelijk verval stierf de orde uit aan het begin van de negentiende eeuw.

Priorij van Heverlee

In 1522 komen de eerste celestijnen aan in Leuven, acht priesters en vier lekenbroeders afkomstig uit Metz in Lotharingen. De eerste jaren leefden ze in het kasteel van Croÿ in Heverlee. Maria van Hamal verbleef zo lang in het Hof van Chièvres, eigendom van de familie in de ’s Meiersstraat in Leuven. Dat lag naast het huis van paus Adrianus VI of Adriaan van Utrecht, tegenover de Pedagogie het Varken en het college van Standonck. In 1524 zou in het huis van Adriaan het Pauscollege geopend worden.

Op 27 september 1525 trokken twaalf religieuzen, tien priesters en twee oblaten, onder het zingen van litanieën naar het klooster en de kerk die zoals het moederhuis in Parijs toegewijd werden aan Onze-Lieve-Vrouw-Boodschap. Dezelfde dag werd het stoffelijk overschot van de stichter overgebracht en bijgezet in het koor van de kerk.

Heverlee bleef de enige stichting van de celestijnen in de Nederlanden. Het had zoals de andere huizen van de orde het statuut van een priorij. De prior werd aangesteld door het kapittel van de Franse provincie van de celestijnen voor de duur van drie jaar. De eerste prior was Denis Lefevre.

In 1555 werd de priorij zoals de meeste Leuvense mannenkloosters geïncorporeerd in de universiteit. Zo werden ze onttrokken aan de lokale burgerlijke rechtspraak en konden ze genieten van de privileges van de universiteit. Ze kwamen zo wel onder toezicht van de universitaire rector en die is enkele malen moeten tussenkomen. In 1601 verzocht Karel van Croÿ de rector tussen te komen wanneer bleek dat het klooster juwelen en kerkschatten verkocht zou hebben.

Van in het begin kwam de priorij regelmatig in opspraak. De tucht verslapte zienderogen. Afgaande op de klachten die regelmatig binnenkwamen, werd het klooster een duiventil waar van de “stabilitas loci” en de “clausura” nog weinig overbleef.

In 1547 kloeg Filips II van Croÿ bij de provinciaal in Parijs: “que nos religieulx de Hevre recoivent indistinctement a toute heure et sans propos tant pardevant que par derriere tous allants et  venant mesmes les femmes qui y ont faict puis naguerres grande insolence.”

In 1567 stortte broeder S. Scohier zijn hart uit bij Filips III van Croÿ. Onderwerp van de klachten waren de houding en het gedrag van zijn prior die de statuten en de orderegel niet zou naleven en de liturgische diensten zou verwaarlozen. Ondertussen ging hij wel uit en inviteerde gasten uit de stad voor het diner en het souper, zelfs op vastendagen. Er was ook sprake van “ébriétés et conversations en diverse tavernes de Louvain.”

In de tweede helft van de zestiende eeuw leed de priorij van Heverlee zwaar onder de Godsdienstoorlogen. In 1566 werden ze gealarmeerd door geruchten over plunderende geuzen en vluchten naar hun refugehuis in de buurt van de Sint-Kwintenskerk van Leuven. De beeldenstormers lieten Leuven links liggen waardoor de meeste kerken en kloosters gespaard bleven. In 1578 vluchtten ze opnieuw naar de stad waar ze deze keer getroffen werden door de grote pestepidemie. In 1583 werd de kostbare inboedel grotendeels gespaard door de beeldenstormers die uit Brussel kwamen afgezakt. Religieuzen verkochten wel zelf kunstschatten om de financiële noden te lenigen. Het herstel in de zeventiende eeuw verliep zeer moeizaam. Dat blijkt onder andere uit de rapporten die opgesteld werden naar aanleiding van visitaties.

In 1602 liet de pauselijke nuntius een visitatie uitvoeren. Volgens het verslag was er van de orde en de tucht in dit ooit strenge huis niets overgebleven. Er werden plannen gemaakt om de celestijnen te vervangen door Engelse benedictijnen die er een college zouden kunnen inrichten voor de vorming van missionarissen in het Anglicaanse Engeland.

Volgens het verslag van de visitatie in 1618 leidden tien monniken in afwezigheid van de prior een volstrekt ongeregeld leven. Deze prior, Jan Kerremans was ook goederenbeheerder van de benedictinessen van Groot-Bijgaarden. Daar werd hij genoemd in hardnekkige geruchten over ongepaste omgang met de zusters. Ondanks bescherming van hogerhand werd hij in 1622 afgezet en opgesloten maar hij wist te ontsnappen en vluchtte naar Engeland. Johannes Drusius, abt van de abdij van het Park, herstelde de tucht. De hervorming kon onder controle van Franse priors een halve eeuw voortgezet worden.

In de achttiende eeuw waren er nieuwe klachten over gang van zaken bij de celestijnen in Heverlee maar meer nog in de Franse priorijen. De Commission des Réguliers, ingesteld door Lodewijk XVI, oordeelde dat de celestijnenorde volledig decadent geworden was. Alle Franse priorijen werden met instemming van de paus opgeheven tussen 1774 en 1789. De priorij in Heverlee werd door de Oostenrijkse keizer Jozef II opgeheven in 1783. De Italiaanse priorijen hadden rond 1600 een hervorming voorgesteld door kardinaal Bellarmino aanvaard maar toch werden de priorijen in het koninkrijk Napels in 1807 gesloten en in 1810 in de rest van Italië. Dit betekende het definitieve einde van de celestijnenorde. Een poging tot herstel in Frankrijk in de tweede helft van de negentiende eeuw leverde niets op.

Het testament van Willem van Croÿ

In oktober 1520 verliet Willem van Croÿ zijn kasteel in Heverlee. Niemand kon toen vermoeden dat het zijn laatste reis zou worden ook al had hij op 7 oktober zijn testament gemaakt. Daarin had hij zijn neef Filips universeel erfgenaam gemaakt en zijn vrouw Maria van Hamal levenslang vruchtgebruik op de erfgoederen gegeven.

Op 22 oktober woonde hij in Aken de kroningsplechtigheid van Keizer Karel bij waarna hij naar Worms vertrok om er de Rijksdag bij te wonen. Hij kwam er aan op onnozelekinderendag (28 december). De Rijksdag begon op 21 januari.

edict van Worms

(c) Wikipedia

Dit zou de belangrijkste Rijksdag in de geschiedenis worden. De gevolgen van het edict van Worms zijn nog steeds duidelijk zichtbaar in het huidige Europa. Toen werd Europa verdeeld in een protestants noorden en een katholiek zuiden.

In 1517 maakte Maarten Luther zijn Vijfennegentig Stellingen bekend. Hij voegde ze bij een brief aan aartsbisschop Albrecht van Mainz. Deze stellingen waren bedoeld als inleiding voor een theologisch debat. De stellingen, origineel geschreven in het Latijn zouden zeer snel vertaald en verspreid worden. In 1519 werden de stellingen de eerste maal veroordeeld door de theologische faculteiten van de universiteiten van Keulen en Leuven. Paus Leo X liet de stellingen onderzoeken door commissies. In 1520 vaardigde paus Leo X de bul “Exsurge domine” uit waarin Luther bedreigd werd met excommunicatie wanneer hij zijn stellingen niet terugnam. Wanneer Luther de ban verbrandde, volgde de excommunicatie, officieel gedecreteerd in de bul “Decet Romanum Pontificum” uitgevaardigd op 3 januari 1521. In april 1521 weigerde Luther nogmaals zijn stellingen terug te nemen en werd hij in het edict van Worms in de rijksban gedaan. Luther werd vogelvrij verklaard en de verbranding van zijn geschriften werd geboden.

exsurge domine

De dag nadat Luther in de ban was gedaan besloot keizer Karel een coalitie aan te gaan met paus Leo X tegen Frans I, koning van Frankrijk. Daarmee was de rol van Willem van Croÿ als adviseur van de keizer uitgespeeld.

Ook op familiaal vlak kreeg Willem van Croÿ klappen. Op 6 januari 1621 overleed zijn neef  en naamgenoot, de kardinaal van Toledo op drieëntwintigjarige leeftijd. Hij maakte in Worms deel uit van het keizerlijke gevolg. Na een dienst vol pracht en praal werd de kardinaal naar Aarschot overgebracht.

In mei 1521 werd Willem van Croÿ zelf ziek. Door koortsen bevangen werd hij naar de bisschoppelijke residentie in Worms overgebracht. Op 24 mei werd hij door de doctors opgegeven en in de nacht van 27 op 28 mei 1521 overleed hij. De rouwdienst in Worms werd bijgewoond door het keizerlijke hof au grand complet, keizer Karel inbegrepen. De eigenlijke teraardebestelling volgde veertien dagen later in Aarschot. Willem van Croÿ werd voorlopig begraven in het koor van de Onze-Lievevrouwekerk van Aarschot. Ook deze uitvaartdienst werd bijgewoond door de keizer die de overledene uitzonderlijk eerde.

Het uitzonderlijk eerbewijs van keizer Karel bij de uitvaart van Willem van Croÿ had misschien ook te maken met de geheime schenking van vijfhonderdduizend dukaten die Willem de keizer naliet. Verder liet Willem van Croÿ tienduizend dukaten na te verdelen onder het huispersoneel en tienduizend pond van veertig Vlaamse Groten “pour marier povres filles ou les mettre en cloistre”. Om zijn zielenrust te verzekeren moesten er binnen het jaar tienduizend missen gelezen worden. De belangrijkste stichting in het testament was wel de grafkerk met bijhorend convent. Daarin wou hij na de voltooiing bijgezet worden in een “Sépulture honorable”

De laatste wilsbeschikking werd opgetekend in Worms op 21 mei 1521. De eerste secretaris van de keizer, Johannes Hannart, deed dienst als notaris. Het testament dat eerder in Heverlee was opgemaakt bleef geheel van kracht, een groot deel van de laatste versie was gewijd aan de stichting, de bouw en de financiering van het convent, een priorij voor vierentwintig religieuzen van de celestijnenorde. Het klooster moest plaats bieden aan twaalf priesters, zes lekenbroeders en zes leken. Deze laatsten moesten gekozen worden uit de bejaarde onderdanen van het huis van Aarschot. De priesters moesten instaan voor de bediening van de kerk met het praalgraf van de schenker.

De stichting werd in 1522 officieel goedgekeurd door de keizer en de paus. Keizer Karel gaf zijn goedkeuring als hertog van Brabant en ook de paus was een goede bekende want ondertussen was Adriaan van Utrecht paus Adrianus VI geworden.

De financiering zou gebeuren via een jaarrente van 1200 gouden schilden (écu’s) of 1440 gulden afkomstig uit aan te kopen gronden of erfrechten. Dit geldt mocht net zo min als andere verworven goed afkomstig zijn uit het markgraafschap Aarschot.

De uitvoering van het testament werd toevertrouwd aan de weduwe, Maria van Hamal. Die heeft zich kordaat en met grote stiptheid van haar opdracht gekweten. Zij verwierf de nodige fondsen door de aankoop van gronden in de heerlijkheid Beveren in het Graafschap Vlaanderen. Toen het Waasland in 1530 en 1532 geteisterd werd door zware overstromingen, was Hamal verplicht vijfhonderd gulden extra jaarrente te zoeken. Die haalde zij uit ommeland van Diest en Zichem. Er was ook een jaarrente voorzien van tweehonderd rijksgulden voor de armen van de Heerlijkheid Heverlee. De celestijnen moesten deze zes maal per jaar voedselhulp of aalmoezen verstrekken. Tien jaar later was de markgravin bereid acht extra kloosterlingen te bekostigen. Daarvoor voorzag ze een rente van zesduizend dukaten.

glasraam-koppel

Victoria ans Albert museum. London

Maria van Hamal was ook buiten deze testamentaire opdracht gul: in Leuven stichtte ze nog een klooster voor annunciaten en in het Groot Begijnhof een convent voor dertien arme begijnen, nu gekend als het Huis van Chièvres en bekostigde ze een cel in de Kartuis.

Huis_van_chievres

De werkzaamheden aan de kerk en het klooster startten in juni 1521 en in september 1526 was de kerk voltooid. Aan het klooster zou nog een tijd worden voortgewerkt.

Gemma Frisius

Vijfhonderd jaar geleden, tijdens de eerste helft van de zestiende eeuw, kende Leuven een bloeiperiode. De opkomst van nieuwe nijverheden zoals de linnenweverij, de tapijtweverij, de bont- en vederbewerking en de leerlooierij, compenseerde de verschrompelende lakenindustrie. Leuven kreeg een vernieuwd centrum met een nieuw stadhuis en een nieuwe Sint-Pieterskerk die het vernieuwde zelfvertrouwen van de stad moesten symboliseren. Op beide werven volgden de drie zelfde bouwmeesters elkaar op: Sulpicius van Vorst, Jan Keldermans en Matthijs de Layens. De kers op de taart, een complex met drie torens waarvan de hoogste 170 meter hoog zou worden,  is er nooit gekomen. In de Sint-Pieterskerk staat een stenen maquette die je een indruk geeft van de grootse plannen.

(c) Wikipedia

(c) Wikipedia

Vooral de nog jonge stichting van de universiteit stimuleerde de lokale economie en het verbruik. Her en der doken er in het stadscentrum universitaire gebouwen op. In 1480 telde Leuven acht universitaire gebouwen, in 1578 achttien en in 1631 zesendertig. De meeste waren colleges bedoeld voor de huisvesting van behoeftige studenten.

In de periode van 1528 tot 1569 werden 25498 studenten ingeschreven, gemiddeld 622 per jaar, met pieken boven de achthonderd per jaar. In 1568, een woelige periode, was het aantal inschrijvingen terug gezakt tot 408.

In 1526 kwamen ongeveer achttienhonderd studenten uit (het huidige) Nederland, waarvan 267 uit Friesland. 2157 studenten kwamen van buiten de Nederlanden: uit Duitsland (914), Engeland (305), Frankrijk (150), Spanje (136), Italië (74), Schotland (71), Portugal (44), Ierland (38), Denemarken (25), Polen, Noorwegen, het Balticum, Zweden, Joegoslavië en Hongarije.

Eén van de 267 Friesen was Jemme Reinierszoon, bij zijn inschrijving gelatiniseerd als Gemma Reyneri. Latere auteurs hebben abusievelijk Reinier beschouwd als Gemma’s voornaam. Hij betitelde zichzelf van bij zijn eerste publicaties als Gemma Phrysius, verwijzend naar zijn geboortestreek. Dit was tegelijk ook een knipoog naar het antieke Phrygië (Klein-Azië, Turkije).

Jemme werd in december 1508 in Dokkum geboren in een arm gezin. Hij verloor op zeer jonge leeftijd zijn beide ouders en werd opgevoed door een stiefmoeder. Hij was kreupel van bij de geboorte maar hij zou op zesjarige leeftijd – “miraculeus” – genezen. Hij zou zijn hele leven een zwakke gezondheid en een kleine gestalte behouden. Hij kreeg zijn eerste scholing aan de Latijnse school in Groningen waar hij opgevoed werd door de Broeders van het Gemene Leven.

In het najaar van 1525 wordt hij naar Leuven gestuurd waar hij zich liet inschrijven als Artesstudent in de Pedagogie de Lelie. Aangezien zijn stiefmoeder niet de nodige midddelen had om zijn studies te bekostigen, werd hij aanvaard als “arme student”.

“Logica” van Henricus J. Van Cantelbeke, 1669

De pedagogie “de Lelie” was aan de Leuvense universiteit de eerste plaats waar het humanisme voet aan de grond kreeg. Jan de Spouter (Despauterius) stelde er zijn Latijnse grammatica samen, die de volgende eeuwen een klassieker zou blijven. Erasmus had er tot in 1521 gewoond.

In de Lelie kreeg hij waarschijnlijk wiskunde van Johannes Driesdo, professor theologie die ook aan de Artesfaculteit gedoceerd had. Gemma Frisius volgde ook lessen aan het Collegium Trilingue: Latijn en Grieks, en misschien ook Hebreeuws.

Dit Drietalencollege werd door kanunnik Hieronymus Busleyden (circa 1470-1517) bij testament gesticht in 1517 op initiatief van zijn Desiderius Erasmus (1467-1536). Na de dood van Busleyden zou Erasmus de drijvende kracht achter de realisatie en organisatie van het college worden. Het opzet was de stichting van een humanistische school die zich zou toeleggen op de studie van de drie klassieke talen van de Bijbel: Latijn, Grieks en Hebreeuws. Het drietalencollege zou niet alleen belangrijk worden voor de studie van de oude talen, ook in andere domeinen van de wetenschap werden grote geleerden aan dit college gevormd: de schrijver van de eerste woordenboek Kilianus, de oriënalist Andreas Masius, rechtsgeleerden Gabriel Mudaeus en Viglius van Aytta, de arts en anatoom Andreas Vesalius, plantkundigen Rembert Dodoens en Carolus Clusius, Aardrijkskundigen Gemma Frisius en Gerard Mercator, …

uit: History of the foundation and the rise of the Collegium Trilingue Lovaniense 1517-1550; H. de Vocht, Pub.univ.de Louvain, 1951-55

uit: History of the foundation and the rise of the Collegium Trilingue Lovaniense 1517-1550; H. de Vocht, Pub.univ.de Louvain, 1951-55

Gemma Frisius promoveerde in 1528 tot Magister Artium. Waarschijnlijk heeft de regent van de pedagogie Jan Heems, hoogleraar geneeskunde, de studiekeuze van Gemma Frisius bepaald. In 1536 werd hij Licentiaat in de Geneeskunde en in 1542 Doctor in de Geneeskunde.

In 1534 trouwde Gemma Frisius met Barbara, buitenechtelijke dochter van een geestelijke. Wanneer op 2 augustus 1542 Leuven belegerd werd door het Gelderse leger, stonden Gemma Frisius en zijn grote vriend Jeremias Triverius samen met burgers studenten en andere collega’s gewapenderhand paraat om de aanval af te slaan. Gemma en Thriverius waren in Leuven gekend als “par impar”, het ongelijke paar: de grote struise Triverius naast de kleine tengere Gemma. Hij was ook goed bevriend met Andreas Vesalius die in zijn Fabrica vertelt hoe Gemma hem hielp om een skelet van de galg te halen.

Gemma Frisius sterft op 46-jarige leeftijd aan nierstenen. Hij kreeg een graf in de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Predikheren in Leuven.

In de vijftiende eeuw werd het wiskundeonderwijs aan de universiteit vooral aan de Artesfaculteit georganiseerd. In amper vier maanden werden de studenten ingeleid in aritmetica, geometrie, harmonieleer en astronomie. Studenten die meer wilden, konden terecht aan de medische faculteit waar enkele professoren ook uitgebreidere cursussen astronomie doceerden of men kon zijn wiskundekennis bijspijkeren door privélessen te volgen bij studenten die zo een centje konden bijverdienen. Ook Gemma Frisius gaf privélessen in wiskunde en sterrenkunde. Vooral studenten geneeskunde waren geïnteresseerd. Middeleeuwse artsen bestudeerden de stand van de belangrijkste hemellichamen om het meest geschikte tijdstip voor een aderlating of een andere zware medische ingreep te bepalen. Men was ervan overtuigd dat het samen voorkomen van belangrijke hemellichamen een positieve of een negatieve invloed op het lichaam had.

Flandrica.be

Flandrica.be

De eerste gekende activiteit van Gemma Frisius op het vlak van de wiskunde en de astronomie is de publicatie van een licht gewijzigde uitgave van de Cosmographia van de Beierse aardrijkskundige Petrus Apianus (1529). Vier jaar later was er een heruitgave dat aangevuld werd met een klein werkje met als titel “Libellus de locorum describendorum ratione”. Hierin legt Gemma Frisius de techniek van de driehoeksmeting uit. Deze methode is gebaseerd op de eigenschap van de driehoek dat haar vorm kan vastgesteld worden zonder dat alle kenmerken gekend zijn. Een driehoek heeft drie zijden en drie hoeken, dus zes kenmerken. Drie van de zes volstaan om de vorm volledig te bepalen.

(c) Wikipedia

(c) Wikipedia

In 1537 verschijnt een Nederlandse versie van dit werkje met als aanhef: “Een boecxken seer nut ende Profijtelijck allen Geographiens, leerende hoemen eenighe plaetsen beschrijven ende het verschil oft distantie des selver meten sal, welck te voren noyt ghesien en is gheweest, ghemaeckt by Gemmam Frisium Mathématicien ende Licentiaet inder Medecijnen.” Gemma Frisius heeft deze methode voor het eerst beschreven maar ze werd enkele jaren voordien al toegepast door de cartograaf Jacob van Deventer.

Het enige zuiver wiskundige werk van Gemma Frisius is zijn Arithmeticae Practicae methodus, in 1540 gedrukt in Antwerpen. Dit boek werd een internationaal succes. Er zijn meer dan zeventig uitgaven bekend en het werd vertaald in het Frans en in het Italiaans.

De meest gekende leerling van Gemma’s privélessen was waarschijnlijk Gerard Mercator. Deze schreef in een brief aan een Zwitserse correspondent dat hij weinig profijt haalde uit de lessen over de planeten omdat hij niets kende van de geometrie. Gemma Frisius raadde hem aan de hand van Elementale geometricum van Johannes Vögelin de belangrijkste stellingen uit de Elementen van Euclides te bestuderen. Wat hij niet verstond, liet hij uitleggen door Gemma Frisius.

(c) Wikipedia

(c) Wikipedia

Ook vanuit de humanistische kringen rond Erasmus en het Drietalencollege groeide de belangstelling voor de klassieke wiskunde. Aanvankelijk waren de humanisten vooral geïnteresseerd in de klassieke literatuur maar geleidelijk kregen ze ook aandacht voor andere wetenschappelijke domeinen zoals de wiskunde en de kosmografie. Euclides, Archimedes, Apollonius, Nicomachus, Ptolemaeus en Proclus waren de belangrijkste Griekse voorbeelden, Boethius, Vitelo en Jordanus Nemorarius de Romeinse.

Wanneer Gemma Frisius in 1558 stierf, was de belangstelling voor de wiskunde aan de Leuvense universiteit al terug aan het zakken. Het onderwijs in de pedagogieën was nog afgezwakt. In 1568 werd alleen in het Varken nog meetkunde gegeven. Tegen de zin van de universiteit en de Artesfaculteit in richtte de stadsmagistraat een publieke cursus mathematica in. Van 1565 tot 1569 werden de lessen gegeven door Johannes Stadius, in 1569 werd Petrus Beausard als eerste koninklijke professor in de wiskunde benoemd. Naar het einde van de zestiende eeuw waren de stad en de universiteit ten gevolge van pest en oorlog in een benarde toestand terechtgekomen. De universiteit kwam ongeveer tot stilstand en veel studenten en professoren zochten elders een veiligere werkplek.

De volledige titel van Gemma Frisius’ Libellus luidt “Libellus de locorum describendorum ratione, & de eorum distantijs inueniendis, nunquam ante hac visus” (Boekje over een manier om plaatsen te beschrijven en hun afstanden te bepalen die nog nooit eerder gezien is). Hij heeft de methode van de driehoeksmeting voor het eerst beschreven maar ze werd enkele jaren eerder al toegepast door Jacob van Deventer, geneesheer, aardrijkskundige, meetkundige en cartograaf, die op vraag van de Spaanse vorsten een aantal strategische plannen tekende van steden in de zuidelijke provincies van de Spaanse Nederlanden. Hij gebruikte hiervoor al de methode van de driehoeksmeting en het is mogelijk dat hij Gemma Frisius het gebruik ervan in de landmeting aangeleerd heeft.

Gemma Frisius speelde ook een belangrijke rol in de geschiedenis van de cartografie als leermeester van Gerard Mercator, de belangrijkste cartograaf sinds Ptolemaeus. Dankzij Gemma werkte Mercator mee aan de productie van een aantal wetenschappelijke instrumenten. In 1569 introduceerde Mercator een concept dat zijn naam vereeuwigd heeft in de wetenschapsgeschiedenis: de mercatorprojectie. Hij slaagde erin een betrouwbare methode te ontwikkelen waarmee zeelui de havens konden vinden zonder ingewikkelde berekeningen te moeten uitvoeren.

Op deze kaarten heeft de aarde de vorm van een ontrolde cilinder en zijn de lengte- en breedtelijnen loodrecht op elkaar staande rechten. Het resultaat is een wereldkaart waarbij de poolgebieden overdreven breed worden voorgesteld. Terwijl architecten en landmeters afstandsgetrouwe kaarten – afstanden op de kaart zijn altijd evenredig met de werkelijke afstand – verkiezen, verkiezen zeevaarders de kaart met de mercatorprojectie omdat op deze kaarten een rechte koers ook als een rechte lijn wordt voorgesteld. Gemma Frisius maakt duidelijk dat geen enkele projectie op een plat vlak alle eigenschappen van een bol kan bewaren:

Ik wil enkel maar hierop wijzen: alles wat we hier hebben gezegd over de beschrijving op een vlakke kaart zal onvolmaakt zijn indien men het in detail zou onderzoeken. Nooit zal men op een plat vlak de beschrijving van een regio kunnen weergeven die alle karakteristieken behoud (hoeken, afstanden, oppervlakte…), zelfs niet wanneer Ptolemaeus in persoon zou terugkeren… Er bestaat immers geen enkele overeenkomst tussen een bol en een plat vlak, net zoals er geen bestaat tussen het volmaakte en het onvolmaakte, of tussen het eindige en het oneindige.” (nawoord bij Libellus, 1540).

In 1543 verscheen “De Revolutionibus Orbis Coelestium libri sex”, het werk dat de naam van Copernicus zou vereeuwigen. Voordien, mogelijks in de jaren 1511-1513, had Copernicus een eerste versie van zijn heliocentrisch systeem voorgesteld in een zesbladig handschrift, de “commentariolus”, dat bestemd was voor een kleine groep specialisten.

http://digital.lib.lehigh.edu/

Gemma Frisius kwam in contact met het werk van Copernicus via zijn vriendschap met Johannes  Dantiscus, ambassadeur van de Poolse koning aan het hof van Karel V vooraleer hij bisschop werd. Eén bron, een biografie van Karel V maakt melding van een contact van Copernicus, Apianus, Scala, Cardanus en Gemma Frisius tijdens een debat over een komeet in 1533. Gemma Frisius kende de theorieën van Copernicus al in de jaren 1530, getuige een brief aan Dantiscus in 1541: “…lang geleden heb je in mijn aanwezigheid van deze beroemde auteur gewag  gemaakt toen we de bewegingen van de aarde en de hemel met elkaar bespraken.” Ook al heeft Gemma Frisius bewondering voor het werk van Copernicus, probeert hij trouw te blijven aan het standpunt dat de Leuvense universiteit tegenover het heliocentrisme ging aannemen. In een lofrede op Copernicus schrijft Gemma Frisius:

En thans praat ik niet over de aard van de hypothesen waarvan deze auteur in zijn bewijsvoering gebruikmaakt, noch over hun waarachtigheid. Het kan me namelijk maar weinig schelen of hij nu zegt dat de aarde beweegt of stilstaat, zolang de bewegingen van de sterren en de tijdsintervallen voor ons nauwkeurig bepaald en tot de meest exacte berekeningen teruggebracht zijn.”

In 1570 schrijft de Spaanse theoloog  Benito Arras:

“…een van de plaatsen waar men zich ten tijde van de Keizer, vader van onze Katholieke Koning, met wiskunde bezighield, was Leuven. Hij plaatste er twee belangrijke personen: de een was “Gemma Phrigio”, door hem [Karel V] gevormd, zeer wel onderricht in de theorie van deze discipline, en de ander “Gerardo Mercator”, zeer bekwaam in het maken van instrumenten. Hij [Karel V] had veel respect voor Gemma en onderhield zich op vriendelijke toon met hem. Gemma, wiens zoon nu ook actief is op deze universiteit, schreef veel en zeer goed voor deze faculteit. De zoon is zeker niet minder onderricht dan zijn vader, wat blijkt uit zijn werken, zijn autoriteit en faam, hij heeft ook zaken van zijn vader uitgegeven. Daar leeft ook een neef van diezelfde Gemma, wiens naam “Gualtero Arsenio” is, en hij maakt de meest nauwkeurige instrumenten voor de astrologie. Het zijn de meest verfijnde instrumenten die ik ooit zag, ik denk niet dat iemand in Europa betere maakt…”

Gemma Frisius was toen al vijftien jaar overleden en Gerard Mercator verbleef al bijna twintig jaar in Duisburg. Walter Arsenius stond toen op het hoogtepunt van zijn carrière als instrumentenmaker. Maar de fundamenten van dit succes werden gelegd door Gemma Frisius, Gerard Mercator en de instrumentenmaker Gaspar van der Heyden.

Het oudste bekende instrument uit deze omgeving is een wereldglobe gemaakt door Gaspar van der Heyden in 1527, één jaar na zijn promotie tot doctor in de theologie. Hij vervaardigde minstens vier globes tussen 1527 en 1537, in samenwerking met de Mechelse geograaf Franciscus Monachus en Gerard Mercator. In 1903 werd een globe gevonden met in de cartouche het opschrift: “Gemma Frisius, arts en wiskundige, beschreef [dit werk] uit verschillende geografische waarnemingen en gaf het deze vorm; Gerard Mercator uit Rupelmonde heeft het gegraveerd met Gaspar van der Heyden…” In 1537 maakten ze de bijhorende hemelglobe met als opschrift: “Faciebant Gemma Frisius medicus ac mathematicus, Gaspar a Myrica et Gerardus Mercator Rupelmundanus anno a partu virg 1537” (Gemma Frisius, Gaspar van der Heyden en Gerard Mercator uit Rupelmonde maakten [deze] in het jaar 1537 na de maagdelijke geboorte.) Dit is het laatste instrument waarop de drie namen samen voorkomen. In 1536 krijgen Gemma Frisius en Gaspar van der Heyden een keizerlijk privilege voor vier jaar op de productie van dergelijke globes.

Imago Mundi, 9(1952)

Imago Mundi, 9(1952)

Nadien ging Mercator zelfstandig instrumenten bouwen. Als partner van Gemma Frisius werd hij vervangen door Walter Arsenius. Zijn oudste gekende instrument is een astrolabium met opschrift: “Authore Gem[m]a Friſio et exaratu a Gualtero Arſenio Louanij 1554”.

(c) dbnl

(c) dbnl

De achterzijde van dit astrolabium is gegraveerd met de universele stereografische projectie. Deze projectie was in de elfde eeuw in Toledo uitgevonden door Ibn-az-Zarqellu en werd door Gemma Frisius terug opgenomen en beschreven in “De Astrolabo Catholico liber”, postuum uitgegeven door zijn zoon Cornelius Gemma.

(c) KU Leuven

(c) KU Leuven

Gemma Frisius schreef nog twee andere traktaten over de bouw en het gebruik van astronomische instrumenten: in 1534 over de astronomische ring: “Usus annuli astronomici”,

(c) KU Leuven

(c) KU Leuven

en in 1545 over de astronomische meetstok, ook jacobsstaf genoemd: “de radio astronomico et geometrico liber”.

(c) KU Leuven

(c) KU Leuven

Na het overlijden van Gemma Frisius ging Walter Arsenius door met de productie van instrumenten en noemde zichzelf “nepos Gemmae Frisii”. Het verwantschap tussen beiden is nog niet duidelijk. Waarschijnlijk had Walter Arsenius vooral commerciële redenen om de naam van Gemma Frisius te blijven gebruiken. Ook de idee een kompas aan het astrolabium toe te voegen zodat het ook horizontaal kon gebruikt worden, nam Arsenius van Gemma Frisius over.

Toen Gemma Frisius in 1555 overleed, werd zijn werk in verschillende domeinen door vrienden en leerlingen verdergezet. Zijn naam als instrumentenmaker werd verder gebruikt door zijn “neef” Walter Arsenius. Als professor in de wiskunde werd hij opgevolgd door zijn leerling Johannes Stadius, als cartograaf werd hij overklast door een andere leerling Gerard Mercator en als arts en astroloog werden zijn ideeën verder ontwikkeld door zijn leerlingen Rembert Dodoens, die wij beter kennen als plantkundige, door zijn zoon en leerling Cornelius Gemma. Het is typerend dat deze laatste een beeld gekregen heeft in het stadhuis en zijn vader die ongetwijfeld een grotere wetenschappelijke verdienste had, niet.

Literatuur

  • Vereycken Karel. Van kosmograaf tot kosmonaut. Gerard Mercator en Gemma Frisius. http://www.agora-erasmus.be/nl/Van-kosmograaf-tot-kosmonaut-Gerard-Mercator-en-Gemma-Frisius_08561 [geraadpleegd: 5 november 2015]
  • Vanpaemel Geert. Meten en weten: Gemma Frisius: 1508-2008. http://bib.kuleuven.be/apps/ub/expo/
  • Halleux Robert, Opsomer Carmélia, Vandersmissen Jan. Geschiedenis van de wetenschappen in België van de Oudheid tot 1815 (1998). http://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=hall014gesc01
  • Wikipedia, de vrije encyclopedie. https://nl.wikipedia.org/
  • O’Connor J J, Robertson E F. Regnier Gemma Frisius. 1508-1555. http://www-gap.dcs.st-and.ac.uk/~history/Mathematicians/Gemma_Frisius.html
  • Van Paemel Geert, Padmos Tineke. Wereldwijs. Wetenschappers rond Keizer Karel. Leuven: Davidsfonds, 2000
  • Torfs J A. Geschiedenis van Leuven van den vroegsten tijd tot op heden. Leuven: drukkerij Emiel Charpentier, 1899
  • Nelissen Marc. De stichtingsbul van de Leuvense universiteit. 1425-1914. Leuven: Universitaire Pers, 2000
  • Vanpaemel Geert e.a. Ex cathedra. Leuvense collegedictaten van de 16de tot de 18de Leuven: Universitaire Pers, 2012
  • Lamberts Emiel, Roegiers Jan. De universiteit te Leuven: 1425-1985. Leuven: Universitaire Pers, 1986
  • Van Ermen Eduard. Van Petermannen en Koeienschieters: kroniek van Leuven. Leuven: P, 1997
  • Haardt Robert. The globe of Gemma Frisius. Imago Mundi, vol. 9 (1952) p. 109-110
  • Pouls H C. De driehoeksmeting of triangulatie. Caert-Thresoor, vol.8 (1989) 3, p. 61-71