Stichting van universitaire colleges.

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 1

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

9 november 1425, op die dag werd Leuven een universiteitsstad. Op die dag verleende paus Martinus V de stichtingsbul van de universiteit van Leuven. Volgens een stadslegende zou Brussel de stichting eerder zijn aangeboden maar haar bestuurders zouden geweigerd hebben uit bezorgdheid voor de eerbaarheid van hun maagden. Leuven kreeg de toestemming vier faculteiten op te richten: artes, burgerlijk  en kerkelijk recht en geneeskunde. De stad en de hertog moesten de jurisdictie over de leden van de universiteit overdragen aan de rector, zij moesten ook zorgen voor de nodige lokalen en zij moesten de salarissen van de professoren betalen.

Op 17 maart 1432 gaf paus Eugenius IV  de Leuvense universiteit de toelating een theologische faculteit op te riichten. Zo kreeg Leuven een “Studium Generale”: een volledige universiteit. Vanaf 1435 kreeg de theologische faculteit een ereplaats. Ook nu nog openen de professoren van de faculteit Theologie en Religiewetenschappen de stoet der academici bij officiële plechtigheden.

De universiteit was in eerste instantie een corporatie van personen met bepaalde voorrechten en onder gezag van een eigen overheid.

 In een verslag van de visitatie van de periode 1607-1617 krijgen we een opsomming van wie zich suppoost mocht noemen:

  • alle doctoren en licentiaten van de hogere faculteiten, zijnde geneeskunde, beide rechten (kerkelijk en burgerlijk recht) en theologie,
  • de baccalaurei van deze faculteiten,
  • de magisters van de kunsten die hun studie voortzetten, op voorwaarde dat ze geen handel dreven of geen openbaar ambt bekleedden,
  • alle studenten die waren ingeschreven en werkelijk college liepen,
  • de geïncorporeerde kloosters,
  • de weduwen van doctoren en licentiaten van een hogere faculteit, mits ze in de weduwstaat bleven en geen handel dreven,
  • de beëdigde boekverkopers en boekbinders die door de universiteit aanvaard werden,
  • de pedellen, notarissen en andere ambtenaren van de universiteit,
  • één bode per provincie en één receptor per college,
  • de dienstknechten en dienstmeisjes die bij suppoosten inwoonden.

In grote lijnen bleef deze lijst gelden tot kort voor de opheffing van de universiteit.

In de pauselijke bul werden twee privileges gedefinieerd waarvan de leden van de universiteit konden genieten: juridische immuniteit en algemene vrijdom van belastingen. De suppoosten van de universiteit waren onttrokken van iedere vreemde rechtsmacht, alleen de rector had de bevoegdheid suppoosten te oordelen en te straffen. De werkelijkheid was wel meer genuanceerd dan wat men uit officiële documenten zou kunnen afleiden.

Officieel werd de universiteit geleid door de rector. Deze werd aanvankelijk vier maal per jaar verkozen, vanaf 1445 twee maal per jaar. De rector genoot van eervolle voorrechten die vooral protocollair waren, zijn werkelijke macht lag vooral op het juridische vlak. Niemand kon een suppoost van de universiteit arresteren of bestraffen zonder zijn toestemming. Naast de rector had je een aantal andere functies: de kanselier, de conservatoren van de privileges, de gedelegeerden van de faculteiten, de receptor, de syndicus, de promotor, de secretaris, de pedellen en de boden.

De universiteit was enerzijds een corporatie van personen maar anderzijds ook het overkoepelend orgaan van de faculteiten. Faculteiten waren op zichzelf staande corporaties verbonden aan het studium. Hun belangrijkste opdracht was het organiseren van het onderwijs. Dat onderwijs werd op twee niveaus georganiseerd. Je had een vorm van voorbereidend onderwijs dat gegeven werd aan de Artesfaculteit, en je had de meer gespecialiseerde opleidingen in de hogere faculteiten.

Aanvankelijk werden alle lessen gegeven in de Vicus, de zetel van de faculteit in de Nieuwstraat (de huidige Vander Kelenstraat, museum M) maar in de loop van de vijftiende eeuw werden meer en meer lessen overgeheveld naar de pedagogieën. Dit waren in feite universitaire kostscholen waar de studenten woonden en lessen volgden. De belangrijkste beweegreden voor deze evolutie was waarschijnlijk een streven naar meer tucht en orde onder een groter wordende groep studenten. De artesopleiding duurde vier à vijf jaar en leidde tot het diploma van “licentiaat” of “magister”.

Normaal moest je als student eerst aan de artesfaculteit gestudeerd hebben vooraleer je een studie aan een hogere faculteit kon beginnen. De lessen van de hogere faculteiten werden gegeven in de universiteitshal. In de beginjaren van de universiteit was studeren een dure aangelegenheid. De lange studieduur en de hoge promotiekosten zorgden bij een grote groep studenten voor problemen. Deze problemen waren het meest uitgesproken in de theologische faculteit waar de studieduur ook het langst was: tot twaalf jaar. Het verlenen van een priesterloon, een prebende, was ruim onvoldoende om deze problemen volledig weg te werken.

De belangrijkste uitgaven voor een student in de vijftiende eeuw waren de onkosten voor het levensonderhoud. Daarnaast moest de student ook rekening houden voor het reizen, boeken, kleding, … Het schoolgeld maakte slechts een klein deel van de totale uitgave uit, nog geen vijf percent in het midden van de vijftiende eeuw. Daartegenover stonden wel de extreem hoge promotiekosten. In de theologische faculteit kostte een promotie ongeveer even veel als de kosten van één jaar levensonderhoud.

De universitaire overheid was ook bezorgd om de goede faam van haar leden. Ze wou vooral dat haar studenten zich goed gedroegen, regelmatig studeerden en zuinig leefden. De universiteit zocht tevergeefs naar een goede oplossing voor een complex tuchtprobleem. De geldverspilling kon ze min of meer opvangen door haar jonge studenten onder voogdij te plaatsen en aan de artesfaculteit konden de pedagogieën de tuchtproblemen vrij goed onder controle houden maar voor de rest slaagde de universiteit er niet in dit kwaad uit te bannen.

Op dit vlak kenden privéinitiatieven meer succes. In colleges kregen een aantal minderbegoede studenten kost en inwoon. Het initiatief ging uit van een privépersoon, meestal een professor of een alumnus van de universiteit, die zorgde voor een huis en de nodige financiële middelen voor het onderhoud van de gebouwen en voor de betaling van de beurzen. De leden van een college werden bursalen genoemd naar de beurs die zij wekelijks, maandelijks of halfjaarlijks ontvingen en waarmee ze hun bijdrage in de gemeenschappelijke kosten en hun persoonlijke studiekosten moesten betalen. In tegenstelling tot de pedagogieën werd er in colleges in principe niet lesgegeven. Colleges kunnen gezien worden als universitaire kosthuizen.

Colleges werden vooral gesticht door alumni en professoren van de universiteit die iets wilden verhelpen aan de problemen waarmee ze zelf geconfronteerd waren. Zin wensten oprecht een sociale nood lenigen maar tegelijkertijd wouden ze door aan liefdadigheid te doen hun zielenheil in het hiernamaals verzekeren.

Vaak wouden ze ook familieleden en/of streekgenoten bevoordeligen. Het ging dan meestal om inwoners van de stad of streek waar de schenker vandaan kwam of waar hij beneficies had. Vandaar dat een aantal colleges meerdere namen had: een van de stichter en een (of meerdere) van de stad of streek.

Een college was een gesloten gemeenschap onder leiding van een president. Aanvankelijk was dit een student, later, in de zestiende eeuw werden deze gerekruteerd uit het korps van professoren en doctoren. In feite kunnen we dan pas van een president spreken. Geleidelijk kreeg de preident meer bevoegdheden. Hij moest alleen verantwoording afleggen tegenover de visitatoren. Vooral de pastoor van de Sint-Pieterskerk, die ook professor aan de theologische faculteit was, trad vaak op als visitator. Het beheer van de beurzen was vaak in handen van een familielid van de stichter of van een lokale pastoor, kapittel of schepenbank. De universiteit had hierin meestal weinig of geen inspraak.

Colleges waren vaak autarkische gemeenschappen. Ze bakten zelf brood, hadden een eigen moestuin en soms zelfs een wijngaard.

Een document uit het archief van het Atrechtcollege geeft ons een inkijk in de keuken van een zestiende- of zeventiende-eeuws college.

  • ’s Morgens kregen de jongens soms “Bierenbroot” en soms “zoppe opt vleesch geweyckt,
  • ’s middags kregen ze ”pottagien” soms met warmoes of erwten en soms met een stuk gezouten vlees,
  • daarna hutsepot en kaas.

Ossenvlees was het meest gegeten vlees en bier was de belangrijkste drank. Een collegestudent dronk gemiddeld anderhalve liter (klein) bier per dag.

Hoeveel studenten in Leuvense colleges verbleven is moeilijk in te schatten. In 1526 telde Leuven elf colleges met in totaal een honderdtal beurzen. In 1578 waren er al vierhonderd bursalen voor drieëntwintig beurzen. Meer dan de helft van de beurzen ging naar artesstudenten, ongeveer een vierde naar theologiestudenten en een tiende naar rechtsstudenten. De rest ging naar studenten van verschillende faculteiten. Het Standonckcollege en het Pauscollege waren de grootste en hadden tegen het einde van de zestiende eeuw vijftig of meer studenten. Dat was net vòòr het verval. Tijdens de burgeroorlog kwamen veel colleges leeg te staan en deden sommige dienst als kazerne. In 1598 waren er maar dertien colleges bewoond en was het aantal beurzen gezakt tot een twintigtal.

In 1526 telde Leuven ongeveer tweehonderd collegestudenten of ongeveer twaalf percent van de studentenbevolking. Maar het belang van de colleges is groter dan wat uit deze cijfers zou blijken. Colleges waren trendsetters als het over verstrenging van de tucht gaat en ze speelden een belangrijke rol in de vorming van professoren.

In een volgende aflevering ga ik specifiek in op de situatie van het Heilige-Geestcollege.

Een gedachte over “Stichting van universitaire colleges.

  1. Pingback: Terugblik op 2015 | leuvense geschiedenissen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s