Maandelijks archief: januari 2016

Het dagelijkse leven in het Heilige-Geestcollege.

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 3

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

Voor zover ze niet gebonden was aan bepalingen opgelegd door de stichters selecteerde de theologische faculteit de bursalen. Vaak kregen familieleden van stichters, stads- of streekgenoten, en/of afgestudeerden van een bepaalde pedagogie de voorrang. Wanneer er geen kandidaten waren die voldeden aan de vereisten gesteld door de stichters, kon de faculteit nog zelf beslissen.

Volgens de statuten kwamen alleen niet-religieuzen in aanmerking. De kandidaat moest gepromoveerd zijn in de artes. hij moest een goede naam hebben, geneigd zijn tot het priesterschap en geschikt zijn voor de theologische studies “zodat er een goede hoop bestond dat hij door woord en voorbeeld in het kader van de Kerk vrucht zou afwerpen.”

Het college had een dubbele boekhouding: een voor de stichtingen en een voor de huishouding. De boekhouding voor de stichtingen werd bijgehouden door de rentmeester die onder controle stond van de faculteit. Hij was verantwoordelijk voor het beheer van de erfrenten, hij beheerde ook de gemeenschappelijke inkomsten en betaalde de onderhoudskosten van het gebouw.

De interne boekhouding, waaronder vooral onkosten voor levensonderhoud, verwarming en verlichting, en voor het personeel vielen, werd bijgehouden door studenten die regelmatig afrekenden met de president. Elke week werd een prepositus of weekverantwoordelijke aangesteld. Hij stond in voor de inkoop van voedsel en kleine benodigdheden en hij was verantwoordelijk voor de inning van de boetes. ’s Zaterdags bracht hij verslag uit bij de president, rekende af en werd vervangen door een nieuwe prepositus. De “vinator” was verantwoordelijk voor de aankoop van wijn, hij werd voor een langere tijd aangesteld. De procurator was verantwoordelijk voor de aankoop van grote voedselvoorraden en brandhout. Het aanstellen en betalen van het personeel was de verantwoordelijkheid van de president.

In de beginjaren van het college, in de vijftiende eeuw, was het mandaat van de president nog niet duidelijk uitgewerkt. Blijkbaar was een baccalaureaat in de theologie de minimumvereiste. In de zestiende eeuw werd de functie van de president duidelijk uitgewerkt in de statuten. Hij werd aangesteld door de theologische faculteit.

Iedereen in het college was gehoorzaamheid aan de president verschuldigd. Hij moest erop toezien dat de statuten onderhouden werden en dat de studenten eendrachtig bleven, ijverig de theologie studeerden en ook op religieus vlak vooruitgang maakten. Andere “minder nuttige” en “eigenaardige” wetenschappen waren uitgesloten.

De president kon naar eigen goeddunken straffen uitdelen maar gebruikte meestal geldboetes om ongeoorloofd gedrag te beteugelen. Een aantal boetes was ingeschreven in de statuten. Voor zware overtredingen zoals het te laat komen of wegblijven van disputen konden de boetes oplopen tot twee à drie stuivers. Dit kwam overeen met enkele malen het bedrag van een beurs voorzien voor één dag. Wie na het sluitingsuur het college binnendrong of wie zonder toelating buiten het college overnachtte, kon een zwaardere straf krijgen: opschorting van de beurs voor een bepaalde tijd. De zwaarste straf, de uitsluiting uit het college, kon alleen door de theologische faculteit uitgesproken worden, in principe op voordracht van de president.

Enkel met de toelating van de president mochten studenten de stad verlaten, afwezig zijn bij maaltijden, uitgaan na het avondmaal, herbergen bezoeken, wijn of bier laten halen, gasten ontvangen, in andermans kamer overnachten en boeken of voorwerpen aan het college ontlenen. De president was ook verantwoordelijk voor het afsluiten van de poort ’s avonds en het bewaren van de sleutel. Om negen uur werd de poort gesloten en heerste er stilte tot de volgende morgen.

De president was verantwoordelijk voor de toekenning van de kamers, de verdeling van de missen en de aanstelling van de koster, bibliothecaris en de verantwoordelijke voor het afwezigheidsregister. De president stond in voor het onderhoud van de inboedel en hij moest de inventaris regelmatig aanvullen.  Vanaf 1513 was hij ook verantwoordelijk voor de disputen.

Een gewone dag in het Heilige-Geestcollege begon om halfvijf ’s morgens. Voor halfzes moesten de studenten zich aanmelden, daarna gingen ze naar de mis. Vóór het ontbijt omstreeks negen hadden de studenten al een eerste les in de halle meegemaakt. Daarna volgde een periode van gedempte stilte tot omstreeks elf uur. Wat er in de namiddag gebeurde is niet bekend en ook over het tijdstip van het avondeten zijn geen gegevens beschikbaar. Wie ’s avonds naar buiten mocht, moest om negen uur terug zijn. Dan ging de deur op slot en heerste er stilte tot de volgende morgen.

Het leven in het Heilige-Geestcollege draaide uitsluitend rond theologie. De studenten moesten bij alle lessen, oefeningen en disputen in de theologie aanwezig zijn. Vooral de zaterdagdisputen mochten niet gespijbeld worden.  Deze vonden sinds het einde van de vijftiende eeuw plaats op zaterdagnamiddag.  Op die disputen oefenden studenten zich in theologische discussies door een stelling te verdedigen of aan te vallen. Deze disputen werden vaak voorgezeten door een gezaghebbende professor van de theologische faculteit, zoals bijvoorbeeld Adrianus van Utrecht (de latere paus Adrianus VI) of Ruardus Tapper.  Vanaf het midden van de vijftiende eeuw warren deze disputen een essentieel onderdeel van de theologische opleiding.

Van de bursalen werd verwacht dat ze regelmatig promoveerden. Wie dit niet deed, riskeerde een sanctie en kon zelfs zijn beurs verliezen. Om dit risico te verkleinen controleerde de theologische faculteit regelmatig de studieresultaten. Traditioneel gebeurde deze controle bij de jaarlijkse visitatie. Soms probeerde de faculteit misbruiken te vermijden door de betaling van de beurs ook uit te stellen. De bursaal kreeg dan het eerste half jaar geen geld en werd in twee stappen uitbetaald bij het beëindjgen van de twee eerste delen van de baccalaureaatscyclus.

Het Heilige-Geestcollege beschikte over een eigen bibliotheek. Deze bezat vooral boeken die verschillende schenkers overmaakten aan het college. Naast de voor de hand liggende theologische werken waren ook een aantal kerkjuridische traktaten en enkele werken van klassieke auteurs, waaronder Sallustius en Flavius Josephus, aanwezig. Een van de bursalen werd door de president aangesteld als bibliothecaris. Hij stond in voor het verzorgen van de boeken, het onderhouden van de catalogus en voor de controle op de uitleningen.

Deze en andere jobs, zoals bijvoorbeeld koster, gaven bursalen de kansen om geld bij te verdienen. Aangezien de waarde van de beurzen de evolutie van de levensduurte niet volgde, verslechterde de materiële toestand van de studenten met de jaren. De theologische faculteit ving dit gedeeltelijk op door beurzen te nivelleren en te cumuleren. In de praktijk moesten alle bursalen over een eigen inkomen beschikken om financieel te kunnen overleven.

Dagelijks werd er driemaal gegeten. ’s Morgens werd er in de keuken ontbeten. Dit ontbijt was niet verplicht, toch werd er zo veel mogelijk samen ontbeten. De andere twee maaltijden waren wel verplicht. Ze werden voorgezeten door de president en alleen hij kon studenten van aanwezigheid vrijstellen.  Hij was ook verantwoordelijk voor de bereiding van de maaltijden die “middelmatig” moesten zijn “zoals het bursalen paste.” Hijzelf mocht iets beter eten “zonder de bursalen financiële schade te berokkenen.”

Elke hoofdmaaltijd werd vergezeld van de nodige gebeden en van het lezen van telkens twee hoofdstukken uit de Bijbel.

Buiten de vastgestelde uren mocht niemand eten of drinken binnen het college zonder de toestemming van de president.

Over de samenstelling van de maaltijden in het Heilige-Geestcollege heb ik geen gedetailleerde informatie gevonden. Er was zeker ook vlees aanwezig want enkele stichtingen voorzagen in de aankoop van varkens. Waarschijnlijk werd bij de maaltijden (klein) bier gedronken. Wijn was voorbehouden voor speciale aangelegenheden.

Ontspanning werd waarschijnlijk vooral ’s avonds na de laatste maaltijd genomen. Tot negen uur, uitzonderlijk tot tien uur, mocht er gepraat worden. Waarschijnlijk werd er ook gezongen.

In de zomermaanden konden studenten de studenten aan de president de toestemming vragen het college te verlaten. Voor het bezoeken van een herberg en om gasten uit te nodigen voor een maaltijd of een overnachting in het college, moest de expliciete toestemming van de president gevraagd worden. Vrouwen mochten slechts bij hoge uitzondering aanzitten bij een maaltijd, van logeren in het college was voor meisjes helemaal geen sprake.

Wie de stad wou verlaten moest daarvoor een gegronde reden hebben. Ellke student mocht maximum één maand per jaar of zes weken verspreid over het jaar afwezig zijn. Wie te lang wegbleef, riskeerde een deel van zijn beurs kwijt te zijn.

Van bij de stichting werden in het college missen gecelebreerd. Deze werden voorgegaan door bursalen die hiermee een centje konden bijverdienen. Vanaf 1448 is er sprake van een eigen kapel en werd er dagelijks minimaal één mis opgedragen.  De missen werden opgedragen tussen zes en zeven uur in de zomer en tussen zeven en acht in de winter. Alle missen vielen buiten de uren die voorzien waren voor lessen of disputen. Eén bursaal werd aangesteld als koster. Deze verdiende een centje bij door te kapel en de gewijde vaten te verzorgen en door tijdens de missen dienst te doen als misdienaar.

Zoals andere theologiecolleges was het Heilige-Geestcollege georganiseerd als een regulier kapittel van studenten onder leiding van een president. In de statuten werd de nadruk gelegd op geregeld studeren en promoveren, een matig en geregeld leven en op de verplichte aanwezigheid van alle collegeactiviteiten.

2016: het jaar van …

Een voorsmaakje.

het boek Utopia

In 1516 drukt Dirk Martens de eerste editie van Thomas Morus’ Utopia.

In Utopia (“De Optimo Reipublicae Statu deque Nova Insula Utopia) beschrijft Thomas Morus een ideale staat. Het Utopia bestaat uit twee boeken. Het is geschreven in dialoogvorm tussen de auteur en Raphaël Hythlodaeus, een denkbeeldige reiziger die veel vreemde landen heeft bezocht. Het eerste boek is een kritiek op de Engelse samenleving aan het begin van de zestiende eeuw. In het tweede deel wordt een ideaal, denkbeeldig eiland voorgesteld zonder overheersing en luxe en zonder privébezit van land.

Thomas More (Thomas Morus 1478 – 1535) gebruikte dit boek om zich af te zetten tegen het economische en politieke beleid van Engeland. Hij schreef Utopia terwijl hij op bezoek was bij zijn vriend Pieter Gillis, stadssecretaris van Antwerpen. Pieter Gillis was toen ook corrector bij Dirk Martens en met de hulp van Desiderius Erasmus en Gerardus Noviomagus (Geldenauer) brengt hij Thomas Morus in contact met  Dirk Martens die de eerste druk van dit boek zal verzorgen.

Dirk Martens (1446 of 1447 – 1534) werd in Aalst geboren in een poorterfamilie. In 1473 startte hij in Aalst, samen met Johan van Westfalen, een drukkersatelier. In 1486 opende hij een tweede atelier in Aalst. Van 1493 tot 1512 (onderbroken door een eerste verblijf in Leuven van 1497 tot 1501) had hij een atelier in Antwerpen. In 1497 liet hij zich inschrijven aan de universiteit, maar hij bleef in Antwerpen drukken. In 1512 verliet hij voorgoed zijn Antwerps atelier en vestigde zich definitief in Leuven.

In 1473 drukte Dirk Martens het eerste boek in de Zuidelijke Nederlanden. Kort daarna drukte hij als eerste in de Nederlanden Griekse karakters. In 1518 drukte hij weer als eerste in de Nederlanden een Hebreeuwse tekst. Later volgden een Hebreeuws woordenboek en een Hebreeuwse grammatica.

In Antwerpen en vooral in Leuven kwam Dirk Martens in contact met het humanisme. Zijn atelier was een ontmoetingsplaats voor humanisten die hun teksten bij hem laten drukken. Hij gaf werken uit van de jonge Erasmus en Thomas More. Zij werden vrienden voor het leven en noemden hem “onze Dirk”.

de Leuvense Rijksuniversiteit

MTC

KU Leuven

Op 25 september 1816 vaardigt koning Willem I een organiek reglement uit waarin tot de oprichting van drie universiteiten in de zuidelijke Nederlanden wordt besloten: in Gent, Leuven en Luik. Bij de Franse Aanhechting in 1794-95 werden de bestaande universiteiten afgeschaft en waren er een tiental jaren geen universiteiten in onze streken.

De Rijksuniversiteit bleef bestaan tot in 1836. In februari 1834 kondigen de Belgische bisschoppen de oprichting van een nieuwe Katholieke Universiteit af. Op 4 november werd te Mechelen de bisschoppelijke Universiteit geopend. De Brusselse Loge ijverde voor een vrijzinnige universiteit die ook startte op 4 november: de Vrije Universiteit Brussel. Einde 1835 had België dus vijf universiteiten: drie Rijksuniversiteiten (Gent, Luik en Leuven) en twee vrije (Brussel en Mechelen).

witte vrouwen

Ook in 1816 kreeg de Protestantse gemeente in Leuven van het stadsbestuur de voormalig huiskapel van de Witte Vrouwen in bruikleen nadat deze eerst nog tijdens de Franse revolutie als kledingopslagplaats en militair hospitaal had gediend.

Isala Van Diest

Isala Van Diest

Wikipedia

Op 6 februari 1916 sterft Isala Van Diest in Knokke.

Isala Van Diest was de dochter van een Leuvense arts-verloskundige. Isala, haar broer en haar vijf zussen werden vrij en ruimdenkend opgevoed. Moeder Elisabeth Génie had nauwe contacten in de Britse progressieve kringen en nam haar kinderen vaak mee op reis naar Engeland.

Toen haar broer stierf en haar vader geen opvolger meer had, besliste Isala dat zij geneeskunde zou gaan studeren. Na in het Zwitserse Bern het hoger secundair onderwijs gevolgd te hebben keerde ze naar België terug om zich in de Leuvense universiteit in te schrijven aan de faculteit geneeskunde.

Zoals verwacht weigerde de universiteit Isala Van Diest in te schrijven. Rector Namèche stelt haar voor de studies fysiologie en verloskunde te volgen zodat ze vroedvrouw zou kunnen worden. Daarvoor had ze geen universitair diploma nodig en dat werd gezien als een passend beroep voor vrouwen. Isala weigerde.

In 1874 vertrok Isala Van Diest terug naar Bern om er opleiding in de natuurwetenschappen te volgen. In 1876 doctoreerde ze in de natuurwetenschappen en in 1879 behaalde ze het doktersdiploma met een proefschrift over de hygiënische toestand van gevangenissen.

Fuglister_reclame_1916-Mobile

Stadsarchief

Ook in 1916 publiceerde Albert Füglister zijn boek “Louvain. Ville Martyre”.

 

Meer over deze Leuvense geschiedenissen in latere afleveringen dit jaar.