Maandelijks archief: juli 2017

Middeleeuwse Royalty

Klein Leuvens Geschiedenisje

In de Sint-Kwintenskerk bevindt zich een grafsteen met een verhaal dat thuishoort in de roddelrubriek van de middeleeuwse geschiedenis.

In het schip van de kerk bevindt zich de grafsteen van Catharina van Dycke. Haar vader was Johan van den Dijcke, heer van Santvliet en Berendrecht, ridder van Jerusalem, raadsheer en rekenmeester van de rekenkamer van Brabant.

Haar moeder was de dochter van een tapijtverkoper. Toen zij vijf jaar oud was overleden beide ouders aan de pest. De werkgever van de vader ontfermde zich over de dochter en ze werd zijn dienstmeisje.

Tijdens feesten in het huis van haar beschermheer trok zij, omwille van haar schoonheid, de aandacht van een zeer belangrijke edelman die daar aanwezig was. Ze werd door een hoveling ontvoerd en onder dwang bij de edelman gebracht. Zijn aandacht was zo sterk dat die niet zonder gevolgen bleef en ze zwanger werd.

De zorg over haar dochtertje werd eerst toevertrouwd aan het gezin van Andries van Douvrin, heer van Drogenbos en Sint-Martens-Bodegem. Later verbleef ze in het kasteel van Hoogstraten waar ze door de jongere broer van de hoger vermelde beschermheer, en zijn echtgenote Elisabeth van Culemborg werd opgevoed als een eigen kind. Ze verhuisde nog eens, op aandringen van haar natuurlijke vader, die haar bij akte als zijn wettige dochter erkend had, naar Mechelen aan het Hof van twee belangrijke edelvrouwen.

Op tienjarige leeftijd verhuisde ze in 1533 naar Italië, waar zij opgroeide onder de hoede van vooral Madame de Lannoy, weduwe van de voormalige onderkoning van Napels, Charles de Lannoy. Deze Italiaanse opvoeding verklaart ook waarom ze vooral bekend werd onder haar (Italiaanse) titel Madama.

De moeder trouwde met de vader en kreeg negen kinderen waaronder Catharina.

Laten we nu de andere namen onthullen: de beschermheer was Karel van Lalaing, gouverneur van Oudenaarde, de edelvrouwen in Mechelen waren Margaretha van Oostenrijk en Maria van Hongarije, haar moeder was Johanna van der Gheynst, de edelman was niemand minder dan Keizer Karel, en haar halfzus was Margaretha van Parma.

Conclusie: in de Leuvense Sint-Kwintenskerk bevindt zich de grafsteen van een halfzus van Margaretha van Parma, landvoogdes van de Nederlanden.

De zalige Margaretha van Leuven

ook gekend als Fiere Margriet

Een klein Leuvens geschiedenisje

Van het verhaal van Fiere Margriet bestaan twee versies, de ene wat smeuïger dan de andere. De oudste versie werd in de dertiende eeuw opgetekend door een Duitse monnik, Caesarius van Heisterbach. In dit verhaal is Margriet de dochter van arme ouders. Ze werkte in de herberg van haar oom Amandus. Deze was van plan zijn bezittingen te verkopen en samen met zijn vrouw in te treden in een klooster. De herberg bevond zich in de Muntstraat. Ook Margriet had beslist dat zij zou intreden in de cisterciënzenabdij van Villers.

Op de vooravond van hun vertrek kwam een gezelschap naar de herberg. Vermits zij geen klanten meer verwachtten had Amandus geen drank meer en vroeg hij Margriet om een kruik wijn te gaan halen in de stad. Na haar vertrek vermoordden de reizigers, die overvallers bleken te zijn, Amandus en zijn vrouw. Toen Margriet terugkeerde en de overvallers en de lijken aantrof werd ook zij overmeesterd. Aangezien zij de enige levende getuige was van de roofmoord namen de overvallers haar mee buiten de stad. Nabij Wilsele werd gepoogd haar te verkrachten, maar ze bood hevige weerstand. Hierdoor kreeg ze de bijnaam de Fiere omdat haar eer als maagd haar dierbaarder was dan haar leven. Ze werd uiteindelijk toch vermoord en in de Dijle gegooid. Enkele dagen later werd ze door vissers teruggevonden. Ze begroeven haar ter plekke. Ze durfden geen melding te maken van de moord uit angst dat zij beschuldigd zouden kunnen worden.

Er werd verteld dat men rond het graf een licht kon zien en dat er bij het graf van Margriet mirakels gebeurden. Ze werd ontgraven en in een houten kapel op de begraafplaats van de Sint-Pieterkerk te Leuven te ruste gelegd.

In de vijftiende eeuw werd de dertiende-eeuwse versie aangedikt door de Brusselse augustijnermonnik Johannes Gielemans. Deze voegde aan het bestaande verhaal toe dat haar lichaam op de Dijle bleef drijven en door vissen stroomopwaarts werd gedragen terwijl ze werd omgeven door een hemels licht en begeleid door de gezangen van engelen. De hertog van Brabant, Hendrik I van Brabant, en zijn vrouw ,zouden haar volgens deze legende gevonden hebben.

Na haar dood werd drie keer geprobeerd haar te laten zalig verklaren, een eerste stap richting heiligverklaring. De hoge kosten van de procedure vormden een struikelblok. Uiteindelijk werd Margaretha van Leuven in 1902 door paus Leo XIII zalig verklaard. Als naamdag werd 2 september genomen, de vermoedelijke dag waarop ze vermoord werd.

In Leuven heeft ze het statuut van een volksheilige maar in feite is ze een zalige. Een zalige verschilt van een heilige in het principe dat een zalige vereerd mag worden in een bisdom of congregatie en een heilige vereerd mag worden door de gehele Kerk.

Leuvense wevers

Klein Leuvens Geschiedenisje

Vrij vertaald uit “Louvain dans le passé et le présent” van Eduard Van Even

“Leuven werd een grote, dichtbevolkte  en machtige stad, een van de nijverste steden van de Nederlanden. Haar bevolking groeide tot vijfenveertigduizend zielen, een aanzienlijk cijfer in vergelijking met andere steden van die tijd. Men telde er tweeduizendvijfhonderd ateliers (*) voor het vervaardigen  van lakens, wol en tapijten. Een verhaal opgeschreven door Justus Lipsius, vertelt dat de stad in die periode zoveel wevers telde dat, wanneer ze hun ateliers verlieten, men de grote klok luidde om de moeders te verwittigen dat ze hun kinderen moesten binnenhouden uit vrees dat ze vertrappeld zouden worden door de meute. De wevers van onze stad voerden hun producten uit naar alle markten in Europa. Zij hadden eigen hallen in Parijs, Londen en Keulen. Laken uit Leuven had in het buitenland een goede reputatie.

In 1317 begon men met de bouw van de lakenhal, die er nog staat: het levend bewijs van de welvarendheid van onze industrie in de eerste helft van de veertiende eeuw.”

(*) Men werkte in het algemeen onder tenten van “dril”, een soort linnen.

Waar komt de straatnaam Krakenstraat vandaan?

Klein Leuvens Geschiedenisje

Over de straatnaam Krakenstraat bestaat nogal verwarring.

De Inventaris Onroerend Erfgoed (inventaris.onroerenderfgoed.be) verwijst naar een bron uit 1301 en legt het verband met een Leuvense familie “van Craeckhoven”, die in een akte uit 1262 ook “de Cracou” (Krakau) genoemd wordt. De link met de Poolse stad Krakau wordt hier dus gelegd via een familienaam.

De Leuvense archivaris en geschiedkundige Eduard Van Even zoekt in zijn “Louvain dans le passé et le présent” de oorsprong van de naam bij een huis waar in de tuin kiezels zouden gelegen hebben die zorgen voor een krakend geluid bij het stappen. Hij vertaalt de naam in het Frans in “Rue des Jardins aux Craquements”, een mooi voorbeeld van volksetymologie.