Categorie archief: Feuilleton

Van Place Impériale tot Hogeschoolplein

Van het “Verken” tot het Hogeschoolplein. Deel 5

Het Hogeschoolplein, in de Franse Periode “place Impériale” en “place des Invalides” genoemd, ontstond tussen 1807 en 1812 in het midden van de toenmalige ‘s-Meiersstraat, op de plaats van de voormalige pedagogie “Het Varken” (Muntstraat 20-22, Standonckstraat 4) en het Standonckcollege (Hogeschoolplein 6, Standockstraat 4).

erfgoedcel3

Stadsarchitect C.-F. de Rare werd belast met het ontwerp van een nieuw plein dat de monumentale gevel van het Pauscollege meer tot zijn recht moest doen komen. Het werd een stemmig rechthoekig plein met een typisch 19de-eeuwse aanleg: gekasseid en in 1812 beplant met lindebomen op rij in een grasveld. In de volgende jaren zou het plein bijna volledig omzoomd worden met classicistisch burgerhuizen met uniforme, oorspronkelijk wit bepleisterde lijstgevels van drie bouwlagen.

hotel-europe

Het plein is een tijd gebruikt als handelsplaats, namelijk “pottekensmarkt” en “kiekenmarkt”.

Naar aanleiding van de inhuldiging van het standbeeld voor André Dumont in 1922, werd het plein volledig heraangelegd als plantsoen.

erfgoedcel2

Het standbeeld van André Dumont werd in opdracht van de door hem gestichte Vereniging voor Mijnbouwingenieurs (K.U.Leuven) door P. Van de Kerckhove vervaardigd in brons. Drie zijden van de sokkel dragen een opschrift: “ANDRÉ DUMONT / 1874-1920 / …IL DÉCOUVRIT LE BASSIN BROUILLER / DU NORD DE LA BELGIQUE”, “ASCH, 2 VIII, 1901” en “ANDRÉ DUMONT / 1874-1920 / … HIJ ONTDEKTE DE STEENKOOL IN DE DIEPTE VAN DE KEMPENGROND”.

Toen in 1775 een van de vleugels van het Pauscollege instortte, besloot president Lambert Ghenne de in verval geraakte gebouwen te vervangen, met behoud van de nog bruikbare delen. Zijn broer, landmeter M. Ghenne, werd belast met het ontwerp van het nieuwe complex, dat opgevat werd als een classicistisch herenhuis “entre cour et jardin”, gevormd door een monumentale straatvleugel en twee haaks daarop ingeplante hogere vleugels rond een binnenkoer, die in 1785 in opdracht van Jozef II afgesloten werd door een vierde vleugel in sober classicistische stijl naar ontwerp van L. Montoyer. In de daarop volgende jaren onderging het Pauscollege een hele reeks bestemmingswijzigingen: Seminarie-Generaal (1786), hoofdkwartier van de Republikeinse Partij (1792), hospitaal (1797), kazerne (1811), Filosofisch College (1825) en sinds 1835 pedagogie van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte.

pauscollege-met-binnentuin

De Werf

werf

Al in 1814 bevond zich daar “Hôtel et Café de l’Europe”. en als dusdanig vrijwel onmiddellijk na de aanleg van het Hogeschoolplein gebouwd min of meer in de huidige vorm.

hogeschoolplein8-9

Huizen nr 8 en 9 werden vlak na de aanleg van het Hogeschoolplein in 1812, als één geheel gebouwd.

hogeschoolplein10-14

Huizen nr 10-13 werden in 1866 als één geheel opgetrokken.

Salons Georges

salons-georges

In zijn huidige voorkomen, grootschalig ensemble van drie aan het Hogeschoolplein gelegen breedhuizen die, sinds hun bestemming als horecazaak met feestzalen, tussen 1958 en 1973 geüniformeerd. Hoewel de geschiedenis van het oorspronkelijke restaurant “Georges” teruggaat tot in 1958 waren het de huidige uitbaters die, einde 1995, het complex in zijn huidige vorm overnamen.

hogeschoolplein1

De hoekwoning in modernistische stijl werd in 1938 naar een ontwerp van architect L. Dierickx opgetrokken met een parement van gele baksteen. De horizontale geleding wordt geaccentueerd door de metalen relingen en diefijzers, en de wit geschilderde, als doorlopende platte band uitgewerkte betonnen onderdorpels en lateien. De in de kroonlijst doorlopende erker heeft een metalen reling en een vlaggenstok. De hoeksituatie wordt beklemtoond door over de hoek doorlopende vensters en balkon.Van Place Impériale tot Hogeschoolplein.

zwembad

Het Stedelijk Zwembad werd hier gebouwd in 1958 op de plek waar ooit het De Bay College en later de De Bay kazerne gevestigd was.

baius

De architect, Maxime Brunfaut (Schaarbeek, 23 mei 1909 – Brussel, 22 september 2003), was een belangrijk Belgisch architect en stedenbouwkundige. Qua stijl rekent men zijn oeuvre tot het Nieuwe Bouwen. Zijn vader, Fernand Brunfaut, en zijn oom, Gaston Brunfaut, waren ook architect. Van 1925 tot 1929 studeerde Maxime architectuur aan de Academie voor Schone Kunsten in Brussel. Victor Horta was daar één van zijn leermeesters. Brunfaut was als architect een utopist die tot aan zijn dood idealistisch gestemd was. Net als Renaat Braem stelde hij de artistieke avant-garde ten dienste van een rechtvaardige en klasseloze maatschappij.

cobbaert

Toen het zwembad werd afgebroken, ging ook een fresco van Jan Cobbaert verloren.

Het wooncomplex Zwembadsite te Leuven bevindt zich op de plek waar vroeger het stedelijk zwembad gelegen was. Wat overbleef na de afbraak hiervan was een open ruimte.

zwembadsite

Het grafische patroon van de gevelpanelen en de borstwering van de terrassen is gebaseerd op een gecraqueleerd fragment van een schilderij, ‘Het laatste avondmaal’ van Dieric Bouts.

Een Leuvense paus en zijn college

Van het “Verken” tot het Hogeschoolplein. Deel 4

Adriaan van Utrecht

Op 2 maart 1459 werd in een huis op de hoek van de Brandsteeg en de Oudegracht in Utrecht een zoon geboren die de naam Adriaan kreeg. Zijn vader, Florens was schrijnwerker of scheepsbouwer. Adriaan verloor zijn vader op jonge leeftijd. Hij zou de naam van zijn vader wel behouden als patroniem en zou steeds ondertekenen als Adrianus Florentii, Adriaan Floriszoon of als Adrianus de Traiecto, Adriaan van Utrecht. De naam Boeijens, zoon van Boudewijn, heeft hij nooit gebruikt. Het feit dat hij de kans kreeg verder te studeren wijst op een zekere welstand in de familie.

In Utrecht kreeg Adriaan ook zijn eerste vorming. Utrecht had op dat ogenblik iet echt een topschool. De Hieronymusschool, onderhouden door de Broeders van het Gemene Leven, kwam er pas in 1474, wat voor Adriaan te laat was.

Het intellectueel centrum van het Noorden lag in die tijd meer naar het oosten, in de Ijsselsteden Zwolle en Deventer.  Daar was aan het einde van de veertiende eeuw onder de bezieling van Geert Grote een beweging ontstaan die een zeer grote invloed krijgen op het spiritueel leven in de Nederlanden. Deze beweging, de Moderne Devotie, streefde naar versobering en innerlijke vroomheid en bekritiseerde samenwonende priesters en persoonlijke bezittingen van kloosterlingen. Het dagelijks gewetenonderzoek nam een centrale plaats in het leven van Geert Grotes volgelingen.

Uit de beweging van de Moderne Devotie zijn ook enkele kloostercongregaties ontstaan: de broeders en zusters van het Gemene Leven en de congregatie van Windesheim. De meest gekende naam uit deze beweging is Thomas a Kempis, auteur van Imitatio Christi, een boek dat lange tijd het meest gelezen boek na de Bijbel was.

imitatio

Het boek speelde een centrale rol in het leven van de kloostergemeenschappen. De verkoop van boeken was een belangrijke bron van inkomsten. Daarnaast waren ze ook actief in het onderwijs. In een aantal steden leidden ze de Latijnse school, in andere hadden ze een kosthuis waarin zowel studenten leefden die zelf hun schoolgeld konden betalen als echt behoeftige studenten.

Adrianus die waarschijnlijk in Zwolle de Latijnse school volgde, is zeer sterk door de broeders van het Gemene Leven en de Moderne Devotie beïnvloed. Voor een invloed van het humanisme was Adrianus een tiental jaren te vroeg geboren. Deze beweging, die in essentie een taalkundige en literaire beweging was, Ze beoogde een terugkeer naar het klassieke Latijn van de antieke auteurs. Cicero werd als het grote voorbeeld gezien. In onze contreien was Desiderius Erasmus de belangrijkste exponent van dit humanisme. Die was goed tien jaar jonger dan Adrianus.

Adriaan in Leuven

Op 1 juni 1476 schreef Adrianus Florentii de Traiecto Inferiori, Adriaan Floriszoon van Utrecht, zich in aan de Leuvense faculteit en zoals alle beginnende studenten begon hij zijn academische loopbaan aan de faculteit van de artes. Hij werd ingeschreven in de pedagogie “het Varken”. Adriaan werd ingeschreven als gewoon student en niet als pauper of arme student. Dat betekent dat hij niet onbemiddeld was. Het is niet duidelijk of zijn vader voldoende geld had achtergelaten of dat hij financiële steun kreeg.

In 1478 promoveerde Adriaan als primus tot magister artium. De meeste studenten namen genoegen met de titel van magister, slechts een minderheid ging verder aan een hogere faculteit. Een van hen was Adrianus die zich inschreef aan de faculteit met het zwaarste programma, theologie. Die opleiding duurde nog eens elf à twaalf jaar en hield nog verschillende examens in. In 1483 of 1484 werd Adrianus baccalaureus, in 1490 licentiatus en in 1491 doctor. Die laatste stap was vooral een financiële aangelegenheid waarbij Adrianus kon rekenen op de steun van Margaretha van York, weduwe van Karel de Stoute.

Tijdens zijn studiejaren aan de theologische faculteit verbleef Adrianus aan het Grote Heilige-Geestcollege, het oudste college van de universiteit. Hij kreeg die jaren ook financiële steun van de Antwerpse familie De Marselaer.

In deze periode werd Adrianus priester gewijd. Hij gaf in die tijd ook les in een pedagogie. Dat was gebruikelijk aan de Oude Universiteit. De meeste docenten waren student aan een hogere faculteit. Dat lesgeven was vaak een saaie bedoening waarbij de docent ex cathedra aantekeningen voorlas en dicteerde. Aan de artesfaculteit stond Aristoteles centraal in het onderwijs, in het theologie-onderwijs stonden de vier boeken van de Sententiae van Petrus Lombardus centraal. De onderwijstechniek was die van de scholastiek. Daarbij werden uitspraken uit de Bijbel, de kerkvaders en andere gezaghebbende bronnen tegen elkaar geplaatst en werd geprobeerd schijnbare tegenstrijdigheden met elkaar te verzoenen door logisch te redeneren.

De Moderne Devotie en de scholastiek zijn twee kernideeën die nodig zijn om de theologie van Adrianus te begrijpen.

Adrianus’ eigenlijke professorenloopbaan start in 1490 wanneer hij benoemd werd als hoogleraar theologie en als kanunnik van het kapittel van de Sint-Pieterskerk. Hij ontpopt zich als de intellectuele leider van de Leuvense theologen en als de leermeester van een aantal belangrijke personen: Johannes Driedo en Jacobus Latomus die belangrijke rol zouden spelen in de strijd tegen Luther, Ruard Tapper die de leider zou worden van de Leuvense delegatie op het Concilie van Trente, Godschalk Rosemondt, …

De belangrijkste inkomsten voor professoren aan de Oude universiteit waren de prebenden. In se was een prebende een plaats voor een kanunnik in een kapittel met de eraan verbonden inkomsten. Al snel ging het alleen om de inkomsten en werd de taak kanunnik overgelaten aan een vervanger en werd het systeem misbruikt om winsten na te jagen, iets waartegen Adrianus zich altijd verzet heeft.

pastorie

Naast kanunnik van de Sint-Pieterskerk was Adrianus kapelaan van het Groot Begijnhof van Leuven, pastoor van Goedereede, een stadje op het eiland Goeree-Overflakkee, deken ban het kapittel van de Onze-Lievevrouwekerk van Antwerpen en kanunnik in de Sint-Guidokerk in Anderlecht. In zijn geboortestad was hij kanunnik van de Sint-Pieterskerk en van het domkapittel, schatbewaarder van de Sint-Mariekerk en proost van de Sint-Salvatorkerk. Adrianus zou echter regelmatig tijdelijk afstand doen van deze beneficiën zodat hij er niet meer dan vier in zijn bezit had.

Adrianus was tweemaal rector van de universiteit, een titel met vooral juridische bevoegdheden. Als deken van de Sint-Pieterskerk was hij ook automatisch vicekanselier van de universiteit. Aangezien de kanselier niet in Leuven woonde, kreeg de vicekanselier de taak van de kanselier. In die hoedanigheid zou hij aan het stadsbestuur voorstellen Desiderius Erasmus een leerstoel aan de universiteit aan te bieden. Erasmus weigerde.

In 1502 kocht Adrianus een groot huis in de toenmalige ’s Meiersstraat tegenover de pedagogie het Varken en het Standonckcollege. Het huis behoorde eerder toe aan de patriciër Nicolaus de Kersmaker. Bij diens dood kwam in de handen van Walter Van den Tymple. De zoon van deze, ook Walter genaamd, verkocht het aan Adrianus van Utrecht. Daarnaast bezat Adrianus ook enkele panden en gronden in de toenmalige Cattestraat, de huidige de Charles de Bériotstraat.

Toen Margaretha van Oostenrijk Adrianus benoemt tot leermeester van de jonge Karel V, stopte in feite de universitaire loopbaan van Adrianus. Zijn werkterrein verplaatste zich naar Margaretha’s hofstad Mechelen. Hij deelde het leermeesterschap met een andere bekende – en vooral beruchte – figuur van de Leuvense high society, Willem van Croÿ, hertog van Chièvres. Adrianus zorgde voor de intellectuele en godsdienstige vorming, Chièvres voor de politieke en militaire opleiding.

Adrianus in Spanje

In 1512 wordt Adrianus raadsheer van Karel. In 1515 wordt hij belast met een delicate diplomatieke opdracht en vertrekt naar Spanje. Hij kan toen nog niet voorzien dat hij niet meer naar de Nederlanden zou terugkeren. In de eerste plaats moest hij koning Ferdinand overtuigen Karel aan te duiden als troonopvolger en niet diens jongere broer Ferdinand. Toen dat gelukt was moest hij de koning vertegenwoordigen in Spanje tot deze daar zelf zou arriveren.

Dat is het begin van een rivaliteit tussen Adriaan en een ander kerkelijk zwaargewicht, Francisco Jimenez de Cisneros. Deze was door Ferdinand aangeduid als regent. Hij was biechtvader van koningin Isabella, aartsbisschop van Toledo en primaat van Spanje. Op latere leeftijd wordt hij kardinaal en grootinquisiteur van Castilië en Leon. In 1499 stichtte Jimenez de Cisneros de universiteit van Alcala de Henares, de eerste universiteit met een college voor de studie van de drie Heilige talen, Grieks, Latijn en Hebreeuws.

Adrianus zou zich in korte tijd op gelijke hoogte met zijn rivaal op de kerkelijk-hiërarchische ladder hijsen. Hij werd achtereenvolgens benoemd tot bisschop van Tortosa, grootinquisiteur van Aragon, Valencia en Navarra, en kardinaal.

Adrianus was al in Spanje wanneer Luther zijn stellingen openbaar maakt. Omdat de Leuvense theologen niet zeker zijn, vragen ze advies aan hun voormalige voorman. Die veroordeelt de stellingen in duidelijke woorden. Hij doet dat in een brief die de Leuvense theologen mee zouden laten afdrukken wanneer ze hun veroordeling publiceren. Dirk Martens was de drukker van dienst.

veroordeling

Paus Adrianus VI

Op 1 december 1521 stierf paus Leo X. Toen de kardinalen bijeenkwamen, bleek het conclaaf verdeeld in twee even sterke partijen: de Spaans- of keizergezinde kardinalen enerzijds en de Fransgezinde anderzijds. De leider van de eerste, Giulio de’Medici, werd telkens weer afgeblokt door de tegenpartij. Ten einde raad stelde Giulio de’Medici voor een niet-aanwezige kardinaal te kiezen die de reputatie had een vroom en geleerd man te zijn: Adriaan van Utrecht. Toen ging alles plots heel snel. Adrianus werd in één stemronde verkozen. Pas nadien beseften ze de mogelijke problemen: Adrianus was niet in Rome en veel leden van de Curie vreesden voor hun baan wanneer de Nederlander zij eigen hofhouding zou meebrengen.

bary

De reacties op de verkiezing waren uiteenlopend. In de Lage Landen was men laaiend enthousiast. De humanisten hoopten dat Adrianus de gecorrumpeerde kerk zou hervormen. Juan Luis Vives heeft één duidelijke boodschap: “Twee dingen worden van u gevraagd en verwacht: wapenrust tussen de vorsten, rust van woelingen onder de gewone burgers. In Rome zelf wachtte men met een bang hart op de nieuwe paus en hun geduld zou lang op de proef gesteld worden.

Adriaan zelf werd op 25 januari 1522 officieel op de hoogte gebracht van zijn uitverkiezing. Het echte officiële bericht van de kardinalen kwam aan op 9 februari. Adrianus legde het regentschap neer en op 8 maart nam hij het pausschap formeel aan. Hij behield zijn naam en werd Adrianus VI. Maar de Romeinen zouden nog tot 28 augustus moeten wachten tot de nieuwe paus in de Heilige Stad zou aankomen.

Het eerste probleem dat de nieuwe paus moest aanpakken was de lege schatkist die zijn voorganger had achtergelaten. Dat was voor Adrianus ook de aanleiding om schoon schip te maken met de renaissancekunstenaars die in Rome waren binnengehaald. Adrianus liep niet hoog op me deze “heidense” kunstenaars. Hij benoemde de Nederlandse schilder Jan van Scorel als de opvolger van Rafael tot conservator van de Vaticaanse oudheden.

Ondertussen was de Europese politiek zo gepolariseerd dat er één grote tegenstelling ontstond tussen Frankrijk enerzijds en Habsburg, Engeland en Spanje anderzijds, een situatie die alleen aanleiding gaf tot constante oorlog. De paus zou in navolging van de humanisten Erasmus en Vives oproepen tot eenheid onder de Europese vorsten en een kruistocht tegen de Ottomanen. Alle pogingen om de vorsten te verenigen zouden mislukken en uiteindelijk zou Adrianus partij kiezen en toetreden tot de Liga van Karel V, Hendrik VIII, Polen, Hongarije, Portugal, Milaan, Firenze, Genua, Lucca, Siena en Venetië.

De andere grote bedreiging voor de Kerk kwam van binnenuit: de Lutherse kwestie. Op de rijksdag van Worms werd de bul van paus Leo X bekrachtigd. Adrianus was toen nog druk bezig de opstand van de Spaanse Comuneros te bestrijden.  Het edict van Worms moest echter uitgevoerd worden. Dat was een van de doelstellingen van de rijksdag van Nuernberg op 17 november 1522. De nieuwe paus zou zijn legaat Francesco Chieregati met twee boodschappen sturen. De tweede zou geschiedenis maken.

De eerste boodschap was een oproep om de Hongaren te steunen in hun strijd tegen de Ottomaanse expansie. In de tweede boodschap veroordeelt hij onomwonden de stellingen van Luther maar gaat hij ook dieper in op de toestand in het Duitse Rijk. Wat deze Instructio historisch maakt, is het feit dat Adrianus in duidelijke woorden misstanden in de Kerk erkent. Dit is de eerste maal in de kerkgeschiedenis dat de Kerk in hoofde van de paus toegeeft dat ze in de fout gegaan is en het zal nog eens bijna vijf eeuwen duren vooraleer ze dat nog eens durft te doen. In 2000 zal paus Johannes-Paulus II een gelijkaardig gebaar stellen in de kwestie Galilei en over de houding van de Kerk tegenover de Joden. Tien jaar later zou Benedictus XVI excuses aanbieden voor het seksueel misbruik van priesters.

instructio

Dat het Adrianus menens was, mag blijken uit de volgende citaten:

“Zeg eveneens dat wij oprecht toegeven dat God toestaat dat deze vervolging Zijn Kerk treft vanwege de zonden der mensen, vooral van de priesters en de hogere geestelijkheid.”

“Wij weten dat in deze Heilige Stoel al gedurende enkele jaren veel verwerpelijk is geweest, misbruik in geestelijke zaken, overdaad in benoemingen, kortom alles in het tegendeel verkeerd.”

“Wij allen, dat wil zeggen: kerkvorsten en geestelijken zijn afgeweken, ieder op zijn weg, en al lang was er niemand die iets goed deed, absoluut niemand.”

“Hierin moet u, voorzover het onszelf betreft, beloven dat wij alle moeite zullen doen om eerst deze Curie, vanwaar misschien heel dit kwaad voortkomt, te hervormen.”

Adrianus’ boodschap werd niet begrepen. Verdedigers van de Kerk voelden zich in hun eer aangetast. Luther en zijn volgelingen zagen er een bevestiging van (een deel van) hun kritiek in. Het echte antwoord van de kerk kwam er enkele tientallen jaren later met het Concilie van Trente.

Om de kerk te verdedigen bracht de paus een aantal leidende katholieke intellectuelen samen in Rome. Tot die geleerden behoorden onder andere Albertus Pighius en Johannes Eckius. Adrianus had ook graag Desiderius Erasmus in Rome gehad maar deze kwam niet. Erasmus zat in een delicate positie. Hij en andere humanisten hadden op drie vlakken fundamentele kritiek op de kerk: ten eerste op de verwereldlijking van de geestelijkheid, ten tweede op uitwassen in de volksdevotie, onder andere in de heiligenverering, en ten derde op de wetenschappelijke methode van de theologen. Erasmus waardeerde Adrianus maar vreesde dat die in Rome te veel onder de invloed zou staan van zijn Leuvense collega’s.

Deze vrees is zeer begrijpelijk als je kijkt naar Adrianus’ directe omgeving. Toen hij uit Spanje naar Rome kwam, had hij noch zijn directe medewerkers ervaring met de Romeinse Curie. Alle gewesten van de Nederlanden waren vertegenwoordigd in Adrianus’ entourage maar zijn meest naaste medewerkers waren Brabanders, onder andere de Leuvenaar Petrus van der Male en de Eindhovenaar Nicolaas van der Poorten.

De enige uit de omgeving van Adrianus die het Romeinse kluwen kende, was Willem van Enckenvoirt. Adrianus gebruikte hem als inlichtingenbron voordat hij in Rome aankwam. Adrianus benoemde hem tot dataris, een van de weinige topfuncties die niet door een kardinaal werd ingenomen. In die functie was hij onder andere verantwoordelijk voor de toekenning van de prebenden. In feite was hij een schoolvoorbeeld van een prelaat die Adrianus wou hervormen maar Adrianus kon niets aanvangen zonder hem. Op zijn sterfbed benoemde Adrianus Van Enckenvoirt tot kardinaal, hij kreeg dezelfde titelkerk toegewezen: de SS. Giovanni e Paolo op de Celio. Hij is de enige kardinaal die door Adrianus VI benoemd werd.

Een geheel andere figuur was Adrianus’ secretaris Dirk van Heeze of Theodoricus Hezius. Deze is geboren in Heeze, een dorpje ten zuidoosten van Eindhoven. In 1517 volgt Hezius Adrianus naar Spanje, in 1522 naar Rome. Als “huissecretaris” was hij verantwoordelijk voor een aanzienlijk deel van Adrianus’ correspondentie, onder andere met Erasmus. De katholieke orthodoxie was voor Hezius heilig. Dat blijkt uit een brief die hij persoonlijk naar Erasmus stuurt en waarin hij Erasmus ertoe aanzet tegen Luther te schrijven.

14 september 1523

Op 5 augustus 1523 werd Adrianus overvallen door een koortsaanval. Bij de koortsaanval voegde zich een abces in de keel en een nieraandoening. Op 5 september deed hij zijn laatste publieke optreden, vanaf die dag moest hij het bed houden. Op 8 september hield hij een consistorie en benoemde Willem Van Enckenvoirt tot kardinaal. Diezelfde dag stelde hij een tweede testament op. Willem Van Enckenvoirt werd testamentair uitvoerder, Petrus van der Male en Nicolaas van der Poorten waren getuigen en Dirk van Heeze schreef de tekst. Ondanks de afnemende krachten bleef Adrianus voortwerken. Hij overleed op 14 september 1523. Ook al zijn de geruchten over een vergiftiging nooit echt uit de lucht geweest, zeggen alle biografen dat hij een natuurlijke dood gestorven is.

Aanvankelijk kreeg hij een graf in de Sint-Andreaskapel van de Sint-Pietersbasiliek. Aangezien de oude Sint-Pietersbasiliek kort daarna vervangen werd door een nieuwe, moest er gezocht worden naar een andere laatste rustplaats voor Adrianus. Daarvoor zorgde Adrianus’ enige kardinaal Willem Van Enckenvoirt. Deze liet een groots grafmonument oprichten in de kerk waar hij zelf nauw mee verbonden was, de S. Maria dell’Anima. Hij gaf de opdracht aan de Siënnese architect Baldassare Peruzzi.

graf

Op het conclaaf na de dood van Adrianus werd Giulio de’Medici, de neef van Leo X, gekozen tot nieuwe paus. Hij zal de geschiedenis ingaan als paus Clemens VII.

Het pauscollege

In zijn tweede testament van 1523 bevestigde Adrianus het voornemen in zijn eerste testament van 1512 dat uit zijn nalatenschap in zijn huis aan de ’s Meiersstraat een college voor behoeftige studenten moest gesticht worden. De uitvoerder van het testament, Willem Van Enckenvoirt, maakte daar onmiddellijk werk van. Op 19 mei 1524 verkrijgt hij van paus Clemens VII een bul waarin drie sub-executeurs worden aangewezen. Ze beslisten het huis in de ’s Meiersstraat te behouden en de eigendommen in de Cattestraat te verkopen. Op 2 november 1524 werd het college officieel in gebruik genomen. De volgende jaren werd het uitgebreid met een pand voor het personeel en eventuele gasten, een kapel en een bibliotheek. Uit dezelfde periode dateren ook de eerste statuten.

Het was het grootste en het meest prestigieuze college van de oude universiteit. In 1783 verbleven er 112 studenten. In 1775 stortte een deel van het gebouw in waarbij een dodelijk slachtoffer viel. Toen werd beslist tot een grootschalige vernieuwbouw. De plannen werden getekend door de Franse architect Louis Montoyer. Het werd een gebouw met vier aaneensluitende gevels die een grote binnenkoer omsluiten.

college

In 1786 richtte keizer Jozef II van Oostenrijk in het Pauscollege het Algemeen Seminarie op. Deze poging om de priesteropleiding te hervormen mislukte en het Seminarie verdween. Tijdens de Franse periode deed het Pauscollege een tijd dienst als succursale van het Parijse Hotel des Invalides. In 1825 richtte in het Pauscollege het Collegium Philosophicum in. Dit filosofisch college was een doorn in het oog van de katholieken in het zuiden en was zo mee aanleiding tot de Belgische revolutie. Toen in 1835 de Katholieke Universiteit naar Leuven terugkeert, zal terug aansluiting gezocht worden met de oude collegetraditie. Het college doet nog steeds dienst als – niet-gesubsidieerde – studentenresidentie met 180 studentenkamers en 10 tweepersoonsstudio’s.

schild

In en om het college verwijzen nog enkele elementen naar Adrianus. Boven de inkompoort prijkt het wapenschild van de paus. De leeuwen verwijzen naar zijn Nederlandse afkomst, de haken naar het beroep van zijn vader. Onder de poort zie je een portret in bas-reliëf en de twee moderne leeuwenbeelden op de binnenkoer, werken van de Belgische kunstenaar Olivier Strebelle, zijn een knipoog naar het wapenschild. Verder bezit het college een vroeg-zeventiende-eeuwse kopie van het schilderij van Jan van Scorel en een gipsen kopie van een deel van het grafmonument in de S. Maria dell’Anima.

leeuwen

Het Standonckcollege

Van het “Verken” tot het Hogeschoolplein. Deel 3

Het Standonckcollege werd in 1490 gesticht door Johannes Standonck bedoeld voor arme studenten. De president werd Pater of Vader genoemd en de studenten leefden volgens zeer strenge regels, zoals die van een strenge kloosterorde. Ze moesten allemaal, zonder uitzondering, het habijt van Sint Franciscus van Paola, voor wie de stichter een speciale religieuze bewondering had, dragen. Omwille van de kap aan dit habijt werden ze in Leuven de Kappekens genoemd.

franciscus

Het Standonckcollege is een tijd geassocieerd geweest met de pedagogie het Varken. Standonck had zo’n faam dat het Varken de Standonckpedagogie genoemd werd. Er was toen dus sprake van een Standonckcollege en een Standonckpedagogie. In 1615 werden de twee instellingen van elkaar gescheiden.

In 1807 werd het college verkocht aan een Brusselse opkoper, François-Joseph Lemonnier, en aan een Leuvenaar, Jean-Joseph van Mechelen. Het grootste deel werd samen met het Varken afgebroken. Het nog bestaande gedeelte, dat dateert van 1763, is verwerkt in particuliere huizen.

standonckkik

Johannes Standonck werd geboren in Mechelen in 1443 als zoon van een bescheiden schoenmaker. Hij krijgt een beurs van de Broeders van het Gemene Leven en gaat studeren in hun school in Gouda.

gouda

Kaart van Gouda, bij nr.25 het Collatiehuis

In 1459 schrijft hij zich in aan de universiteit van Leuven waar hij “magister artium” wordt. Daarna vertrekt hij naar Parijs waar hij met succes theologie studeert. In 1480 wordt hij benoemd aan de faculteit van Sorbonne, in 1483 promoveert hij als doctor in de theologie en in 1486 wordt hij rector van de Parijse universiteit. Hij was tegelijkertijd ook prefect van het college van Montaigu. Hij sterft op 17 april 1504. Voordien had hij colleges en scholen opgericht in Parijs, Leuven, Mechelen, Cambrai en Valenciennes. Hij nam daarbij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat alleen studenten werden toegelaten die zelf hun studies niet konden betalen.

Het college van Montaigu werd in 1314 gesticht door Gilles Aycellin, aartsbisschop van Rouen. Het veranderde van naam na de restauratie in 1388 door Pierre Aycellin de Montaigut, kardinaal van Laon. Toen Standonck in het college aaankwam, was het in verval. Naar verluidt kwamen sommige muren naar beneden. Standonck en zijn leerling Noël Béda zouden het terug groot maken.

montaigu

Standonck legde zijn studenten een zeer streng regime op: zij mochten het college alleen verlaten met zijn toestemming en moesten terug zijn voor het invallen van de avond. Hij hield zelf de sleutel van de portier bij. Zij droegen slechts één kledingstuk een kregen elke dag één stuk brood. Elke morgen om elf uur moesten ze naar een nabijgelegen klooster om een handvol eten te ontvangen. Voor de minste fout werden ze gestraft en ze werden aangemoedigd elke fout van een andere te melden.

Het college van Montaigu kende enkele beroemde alumni: Erasmus, Johan Calvijn, Ignatius van Loyola, John Knox, … Erasmus zou later zeggen dat hij niet kon indenken dat iemand zijn verblijf aan het college kon vergeten of het zelfs ongeschonden kon overleven. Hij zou zich zijn leven lang het vasten en de rotte eieren herinneren.

 

Kardinaal Willem van Croÿ

De broer van Filips II van Croÿ kon zich, met de steun van zijn nonkel Willem (Chièvres), in enkele jaren opwerken in de kerkelijke hiërarchie.

In 1512 werd de deken van de Sint-Pieterskerk, Adriaan van Utrecht, door paus Julius II belast met de opdracht Willem van Croÿ aan te stellen als coadjutor van de abt van Affligem. In hetzelfde jaar werd Willem door Adriaan bekleed met het habijt van de heilige Benedictus en aangesteld als coadjutor met recht van opvolging. Willem werd naar Leuven gestuurd om er zich verder te ontwikkelen onder de hoede van de Spaanse humanist Juan Luis Vives.

In 1515 werd Willem benoemd tot bisschop van Kamerijk. Tegelijk droeg hij ook de titel van prins van het keizerrijk en graaf van Cambrésis.

In 1517 benoemde paus Leo X Willem in een geheim consistorie tot kardinaal-diaken en maakte hem kardinaal van Santa Maria in Aquiro. Twee maanden later werd hij aangesteld tot abt van de Sint-Pietersabdij in Gent. Enkele maanden later overleed de grote Spaanse staatsman kardinaal-aartsbisschop van Toledo, Ximenès, primaat van Spanje en grootkanselier van Castilië. Paus Leo X kende deze titels ook toe aan Willem van Croÿ. Zo kreeg deze niet alleen een van de belangrijke kerkelijke ambten maar ook het rijkste.

Cisneros3

(c)  Wikipedia

In 1518 overleed de abt van Affligem, Walter Michiels en werd de kardinaal ook abt van deze belangrijke Brabantse abdij.

Abdij_Affligem_-_1659.jpg

(c) Wikipedia

In 1519 deed Willem afstand van zijn bisschopszetel van Kamerijk ten voordele van zijn broer Robrecht.

In 1518 zorgde Willem ervoor dat in de abdij van Affligem de Benedictijnenhervorming van Bursfeld werd doorgevoerd. Daardoor verloor de lokale gemeenschap het recht zelf een abt te kiezen en moest ze toestaan dat een proost hen zou leiden. De eerste proost, Wilhelmus van Ghoer, kwam uit Egmond in Noord-Holland. Eén van de belangrijkste richtlijnen was een diepgaande theologische studie als wapen tegen de opkomende ketterij. Verschillende monniken werden naar hun studiehuis in Leuven gestuurd (Sint-Annacollege in de Naamsestraat).

De monniken bleven ook boeken met de hand overschrijven, ook al was de boekdrukkunst al uitgevonden. Vooral boeken die bij de eredienst gebruikt werden, bleven ze overschrijven.

In 1520 werd Willem aangesteld als abt van de Benedictijnenabdij van Hautmont in Frans-Vlaanderen.

Toen Karel V in 1520 tot Rooms keizer werd gekroond was kardinaal Willem van Croÿ daar ook aanwezig. Hij zou de keizer ook volgen naar de Rijksdag te Worms. Daar overleed hij ten gevolge van een val van zijn paard.

Bouwgeschiedenis van het Heilige-Geestcollege

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 5

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

Wie op zoek is naar materiële sporen van de vroegste periode van het Heilige-Geestcollege, zal van een kale reis thuiskomen. Van de oudste gebouwen is er niets zichtbaars overgebleven. Ik kan alleen  aanduiden waar de gebouwen zich bevonden. De ligging in de stad en de situering ten opzichte van andere gebouwen zoals de hal, de pedagogieën en andere colleges, is ook belangrijk.

De oude brouwerskamer “Hollant” aan de hoek van de Hevelstraat en de Prooststraat was in het begin van de vijftiende eeuw eigendom van Everardus Verenbruden. In 1409 werd ze gekocht door de brouwer Henricus Coninc die de brouwerij uitbreidde met een huis en een hof in de Hevelstraat en met een aanpalend terrein in de Prooststraat. Dit geheel kwam in 1425 in handen van Lodewijk de Ryke. In 1445 gaf deze het terrein zijn nieuwe bestemming en stichtte hij het Heilige-Geestcollege. Het oorspronkelijke huis zou pas een eeuw later verdwijnen.

eigendommen

Rond 1462 werd het college uitgebreid met de overige bezittingen van Lodewijk de Ryke. Het belangrijkste deel kocht hij in 1412 van Jacobus Verenbruden. Dat bestond uit een stenen huis, een schuur, een boomgaard, een waterput, een open plaats naast de brouwerskamer, terreinen in de Hevelstraat en een doorgang naar de Boogaardstraat (nu Sint-Antoniusberg, ook Capellenberg genoemd). Eerder had Lodewijk de Ryke nog eigendommen in de Hevelstraat aangekocht: in 1418 een klein huis met een tuin, in de periode van 1421 tot 1425 een huis met een tuin en een wijngaard, en in 1446 nog een huis met tuin en wijngaard en het huis “Opde Treppekens” gelegen tussen de eerder gekochte eigendommen. Zo verkreeg Lodewijk de Ryke een domein dat zich in de Hevelstraat uitstrekte van het huis Meynaert aan de hoek van de Grote Markt (nu Oude Markt) en Crabbendyck, een straatje dat aan de hoek van de Hevelstraat en de Grote Markt begon en in de Capellenberg (Boogaardstraat) uitmondde. Dit straatje verdween bij de bouw van het Drievuldigheidscollege.

Het stenen huis van de Ryke in de Prooststraat werd vanaf 1462 het hoofdgebouw van het Heilige-Geestcollege. De pedel van de theologische faculteit woonde in een van de huizen in de Hevelstraat. De brouwerij bleef tot in de zestiende eeuw in functie.

Aan de hoek van de Boogaardstraat en de Prooststraat lag het huis Meldert. Aan het begin van de vijftiende eeuw was dit nog eigendom van Egidius de Ryke, vermoedelijk een oom van Lodewijk. In 1450 was het in het bezit van Egidius’ zoon Johannes, kanunnik in Luik, die het omwille van geldproblemen moest verkopen aan Libert, Heer van Meldert. Het huis paalde zijdelings aan de schuur van Lodewijk de Ryke. In 1513 liet de Catharina Pynnock, weduwe van Libert van Meldert, het huis over aan het college om er de ambtswoning van de president in te vestigen.

plattegrond2

Aan de Prooststraat lagen tussen de eigendommen van de Ryke en het huis Meldert nog twee huizen: “den Uyl” en “’t Blauwe Schaep”. Deze huizen werden in de zestiende eeuw door het college opgekocht. In 1513 installeerde Lucas Walteri zich als president in het huis Meldert. Na zijn dood werd het grondig hersteld.

In 1523 werd de brouwerskamer Hollant met het huis van de Ryke verbonden door een grote middenvleugel met traptoren. Hierdoor werd de binnenplaats gescheiden van de tuin. In dit deel werden de disputen georganiseerd. In 1532 werden er glasramen in geplaatst. Deze verbouwingen werden betaald met gelden verkregen door de stichting van de Antwerpse koopman Cornelius Braen. In 1614 werd het huis van de Ryke vervangen door een nieuw reftergebouw.

Het Heilige-Geestcollege dat begonnen was met een hoekhuis was in honderd jaar tijd uitgegroeid tot een aaneensluitend gebouwencomplex, gelegen op wandelafstand van de universiteitshal. In de volgende jaren zouden zich nog enkele belangrijke colleges, onder andere het Pauscollege en het Atrechtcollege, en een van de vier pedagogieën, het Varken, in deze buurt vestigen.

Wat we nu waarnemen is grotendeels tot stand gekomen in de achttiende eeuw.  Door opeenvolgende verbouwingen drukten verschillende presidenten hun stempel op de geschiedenis van hun college.

Niet alleen het Heilige-Geestcollege, maar de gehele universiteit kende een gedaanteverwisseling in de achttiende eeuw. Leuven en haar hogeschool werden toen gekenmerkt door een opvallende bouwwoede. Na enkele eeuwen van oorlogvoering kwam de samenleving tot rust en kenden onze streken een periode van economische heropbloei. De bouwnijverheid werd nog eens extra gestimuleerd door het invoeren van de amortisatiedecreten waarmee de overheid een halt wou toeroepen aan de uitbreiding van de gronden in handen van de dodehandsinstellingen zoals de universiteit en de kloosters. Aangezien de universiteit niet meer kon investeren in gronden, stak ze haar geld in verbouwingen en verfraaiingen van haar oude gebouwen.

foto_voor_bombardement

Tot 1944 had het Heilige Geestcollege een grote witte voorgevel, zoals nog te zien is op oude foto’s. Helaas is dit imposante front verloren gegaan tijdens de bombardementen in mei 1944. Bij de wederopbouw moest men rekening houden met een veranderde rooilijn en werd het poortgedeelte naar achter geschoven en is de binnenkoer kleiner geworden. Ook de twee arcadengalerijen in de Naamsestraat zijn een gevolg van deze aanpassing.

 

galerij Heilige Geestcollege

foto: Koen Demarsin

De eerste grote verbouwing gebeurde al in de zestiende eeuw toen de nieuwe middenvleugel met traptoren werd gebouwd tussen het woonhuis van Lodewijk de Ryke en de brouwerskamer Hollant. In deze vleugel vonden de zaterdagdisputen plaats. In 1614 werd op de plaats van het woonhuis een nieuwe refter gebouwd. Willem De Smet (Guilielmus Fabricius) was toen president.

Tussen 1721 en 1731 werd de rechtervleugel gebouwd. De werken begonnen in opdracht van president Parmentier en werden voltooid onder het presidentschap van zijn opvolger Stoupy. In deze vleugel werden de kapel en slaapplaatsen ondergebracht. Typerend voor deze vleugel is de zuilenpartij met Palladio-motief.

palladiomotief

Foto: Tijl Vereenooghe

De poortvleugel werd gebouwd in 1727. Dit wordt  bevestigd door het (nu verdwenen) chronogram aan de binnenzijde van de poort “praesIDIo spIrItI canCtI ConsUrreXIMUs”.

Aan de straatkant werd de poort bekroond met een bovenstuk waarop twee engelenfiguren met de vinger wijzen naar het inmiddels verdwenen opschrift: “COLLEGIUM THEOLOGORUM SUB TUTELA SPIRITUS SANCTI FUNDATUM ANNO MCCCCXLII”. Het centrale topstuk in de vorm een duif verdween tijdens de Franse Revolutie. De poort werd bij de heropbouw gerecupereerd.

poort_postkaart

De rechtervleugel en de poortvleugel werden ontworpen door Jean-André Anneessens (1687-1754) die als hofarchitect werkzaam was op de Hofberg in Brussel en in de hertogelijke residentie van Tervuren. Hij ontwierp ook de voorgevel van het Luikse prinsbisschoppelijke paleis (1737) en werkte mee aan de verbouwingen van de abdij van Grimbergen (1710-1715).

In 1769 liet president Van der Auwera een vleugel bijbouwen aan de Collegeberg. Dit gedeelte heeft nog dienst gedaan als woning van de rector. In dezelfde periode werd de linkervleugel doorgetrokken tot aan de straat.

De laatste grote bouwwerken gebeurden onder het mandaat van de laatste president van het oude Heilige-Geestcollege, Jan-Frans Van De Velde. Hij liet de zestiende-eeuwse vleugel met traptoren afbreken en vervangen door een nieuwe middenvleugel in Lodewijk-XVI-stijl. Ook de inrichting van de gebouwen werd nog verdergezet. Zo kreeg de kapel nog een nieuw orgel.

Ondanks de verschillende bouwperiodes geven de gebouwen rond de binnenkoer toch een gevoel van eenheid. We moeten daarbij wel in het achterhoofd houden dat we hier kijken naar een reconstructie.

poort_nu

Het Heilige-Geestcollege in de geschiedenis.

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 4

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

Als belangrijk college van een belangrijke faculteit speelde het Heilige-Geestcollege een belangrijke rol in de discussies binnen de kerk vanaf zijn stichting tot de opheffing van de universiteit aan het einde van de achttiende eeuw.

In de eerste plaats had je de disputen. Deze oefeningen in theologisch discussiëren waren openbare debatten die druk werden bijgewoond en waar de theologische faculteit haar studenten gebruikte om de standpunten van de faculteit te verwoorden en te bediscussiëren. Deze disputen stonden onder leiding van de president. Het was dan ook hij die bepaalde wat aan bod kon komen en wat niet. Je kan gerust stellen dat de president van het Heilige-Geestcollege een belangrijk opiniemaker was en een gezagsvolle stem in het theologisch debat, dat tijdens het Ancien Régime ook het alledaagse leven beïnvloedde.

In de zestiende eeuw speelden enkele van de eerste presidenten een belangrijke rol in de discussies rond het humanisme en het opkomend protestantisme. Zo was Maarten van Dorp aanvankelijk een overtuigd humanist maar veranderde hij volledig van mening als hij president werd van het Heilige-Geestcollege. Hij distantieerde zich uitdrukkelijk van zijn vriend Erasmus en zal met deze heftig discussiëren via brieven. Een belangrijk thema is de wenselijkheid van een nieuwe Bijbelvertaling. Dorpius verdedigde vurig de officiële Vulgaatvertaling en beriep zich hiervoor op het gezag van de concilies. Naar het einde van zijn loopbaan toe, wanneer hij geen president meer was van het Heilige-Geestcollege, veranderde Dorpius nog eens van standpunt en werd hij opnieuw een overtuigd Erasmiaan.

Martinus_Dorpius_(1485-1525)

Zijn opvolger als president van het Heilige-Geestcollege, Ruardus Tapper was een van de meest gezaghebbende theologen die het officiële standpunt van de paus en de katholieke kerk verwoordden en beschermden. In zijn belangrijkste werk, de Explicationes Articulorum, weerlegde hij in 59 – later teruggebracht tot 39 – geloofsartikelen de stellingen van Luther.  In het dagelijkse leven zou hij als inquisiteur-generaal van de Nederlanden een actieve rol spelen in de bestrijding van het protestantisme. Ruardus Tapper was hiermee de koploper in een lange reeks van presidenten van het Heilige-Geestcollege die zich zouden opwerpen als verdedigers van het hoogste kerkelijke gezag.

tapper

Naar het einde van de zestiende eeuw raakte de theologische faculteit in een conflict verwikkeld met de Jezuïeten. In feite ging dit conflict eerder om de verdediging van de eigen privileges dan om fundamentele geloofspunten. De Leuvense theologen wouden absoluut verhinderen dat de nieuwkomers zelf colleges zouden oprichten en daar filosofie en theologie zouden onderwijzen. Mede met de steun van de paus kon de universiteit de concurrentie buitenhouden.

In de zeventiende eeuw werd de theologische faculteit het strijdtoneel van een heftige woordenstrijd tussen twee stromingen binnen het theologische denken: het strenge Augustinianisme tegenover het meer gematigde pragmatische humanisme van onder andere de Jezuïeten. Aangezien binnen de theologische faculteit een sterke augustiniaanse stroming actief was, eerst rond de figuur van Michel de Bay en zijn Baianisme en later rond Cornelius Jansenius wiens ideeën na zijn dood zouden uitgewerkt worden door de Jansenisten, kwamen ook in deze conflicten de theologische faculteit en de jezuïeten tegenover elkaar te staan.

Naar het einde van het Ancien Régime werd de theologische faculteit nog een keer verdeeld door een theologische-politieke tegenstelling. Toen stonden de jozefisten tegenover de ultramontanen. Deze laatsten verdedigden zeer heftig het gezag van de paus en verzetten zich met hand en tand tegen elke inmenging van de wereldse overheid, verpersoonlijkt door de keizer-koster Jozef II. Het belangrijkste strijdpunt van de ultramontanen was de oprichting van het Seminarie-Generaal waarmee de keizer de kerk wou moderniseren door de priesteropleiding aan te pakken. Dit verzet van de kerk zou uitmonden in de Brabantse omwenteling, de opstand in de Zuidelijke Nederlanden tegen de Oostenrijkse keizer die geleid heeft tot het kortstondige bestaan van de Verenigde Nederlandse Staten.

Blijkbaar was het Ancien Régime echt oud geworden en was de strijd om het behoud van de middeleeuwse privileges een verloren strijd. Dat moest ook de laatste president van het Heilige-Geestcollege aan de Oude Universiteit, Jan-Frans Van de Velde, ondervinden: de Franse Revolutie maakten zijn strijd om de rechten van de Oude Universiteit te verdedigen, nutteloos.

De splitsing van het Heilige-Geestcollege

Door het aanzien dat het Heilige-Geestcollege kende, kon het genieten van steeds meer schenkingen en beursstichtingen. Daardoor werd het mogelijk de instelling te splitsen in een Klein en een Groot Heilige Geestcollege. Het kleine Heilige-Geestcollege werd gehuisvest in het Huis Meldert, het huis dat Catharina Pynnock, weduwe van Libert, Heer van Meldert, aan de theologische faculteit had gelegateerd om er de woning van de President van het Heilige-Geestcollege van te maken. Bij de splitsing werd ook het Huis Lombaerts aan het klein college toegewezen. Dit lag op de Booghaerstraete (de huidige Sint-Antoniusberg) achter het domein van Meldert. De huizen “den Uyl” en “het Blauwe Schaap”, gelegen tussen het huis Hollant, oorspronkelijk eigendom van Lodewijk de Ryke, en het huis Meldert werden ook over de twee colleges verdeeld worden.

eigendommen

Elk college kreeg een president en een eigen beheer hoewel het toezicht in handen bleef van de theologische faculteit. De splitsing werd volledig in 1790 wanneer ook de beurzen en de stichtingen verdeeld werden: het groot college kreeg twee derden, het klein college één derde. Het klein college werd in de loop van de achttiende eeuw volledig herbouwd.

plattegrond2

Voor het klein college betekende de Franse overheersing het definitieve einde. Bij de opheffing van de universiteit kwam het klein college in handen van de Fransen en deed het enkele jaren dienst als herberg. In 1805 (of 1807) kwam het in handen van een houthandelaar, Guillaume Goyens en in 1810 werd het gedeeltelijk afgebroken en omgevormd tot woningen. In de achttiende eeuw kwam het in handen van Willem Roberti, notaris. Eén van zijn nazaten is nog altijd als notaris actief. Het huidige gebouw werd na de verwoesting tijdens de Tweede Weredloorlog in 1950 gebouwd. Het geheel bestond uit een notariaat, een notarishuis en twee appartementen. In het notarishuis is nu het Ereconsulaat van Italië gevestigd.

Het dagelijkse leven in het Heilige-Geestcollege.

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 3

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

Voor zover ze niet gebonden was aan bepalingen opgelegd door de stichters selecteerde de theologische faculteit de bursalen. Vaak kregen familieleden van stichters, stads- of streekgenoten, en/of afgestudeerden van een bepaalde pedagogie de voorrang. Wanneer er geen kandidaten waren die voldeden aan de vereisten gesteld door de stichters, kon de faculteit nog zelf beslissen.

Volgens de statuten kwamen alleen niet-religieuzen in aanmerking. De kandidaat moest gepromoveerd zijn in de artes. hij moest een goede naam hebben, geneigd zijn tot het priesterschap en geschikt zijn voor de theologische studies “zodat er een goede hoop bestond dat hij door woord en voorbeeld in het kader van de Kerk vrucht zou afwerpen.”

Het college had een dubbele boekhouding: een voor de stichtingen en een voor de huishouding. De boekhouding voor de stichtingen werd bijgehouden door de rentmeester die onder controle stond van de faculteit. Hij was verantwoordelijk voor het beheer van de erfrenten, hij beheerde ook de gemeenschappelijke inkomsten en betaalde de onderhoudskosten van het gebouw.

De interne boekhouding, waaronder vooral onkosten voor levensonderhoud, verwarming en verlichting, en voor het personeel vielen, werd bijgehouden door studenten die regelmatig afrekenden met de president. Elke week werd een prepositus of weekverantwoordelijke aangesteld. Hij stond in voor de inkoop van voedsel en kleine benodigdheden en hij was verantwoordelijk voor de inning van de boetes. ’s Zaterdags bracht hij verslag uit bij de president, rekende af en werd vervangen door een nieuwe prepositus. De “vinator” was verantwoordelijk voor de aankoop van wijn, hij werd voor een langere tijd aangesteld. De procurator was verantwoordelijk voor de aankoop van grote voedselvoorraden en brandhout. Het aanstellen en betalen van het personeel was de verantwoordelijkheid van de president.

In de beginjaren van het college, in de vijftiende eeuw, was het mandaat van de president nog niet duidelijk uitgewerkt. Blijkbaar was een baccalaureaat in de theologie de minimumvereiste. In de zestiende eeuw werd de functie van de president duidelijk uitgewerkt in de statuten. Hij werd aangesteld door de theologische faculteit.

Iedereen in het college was gehoorzaamheid aan de president verschuldigd. Hij moest erop toezien dat de statuten onderhouden werden en dat de studenten eendrachtig bleven, ijverig de theologie studeerden en ook op religieus vlak vooruitgang maakten. Andere “minder nuttige” en “eigenaardige” wetenschappen waren uitgesloten.

De president kon naar eigen goeddunken straffen uitdelen maar gebruikte meestal geldboetes om ongeoorloofd gedrag te beteugelen. Een aantal boetes was ingeschreven in de statuten. Voor zware overtredingen zoals het te laat komen of wegblijven van disputen konden de boetes oplopen tot twee à drie stuivers. Dit kwam overeen met enkele malen het bedrag van een beurs voorzien voor één dag. Wie na het sluitingsuur het college binnendrong of wie zonder toelating buiten het college overnachtte, kon een zwaardere straf krijgen: opschorting van de beurs voor een bepaalde tijd. De zwaarste straf, de uitsluiting uit het college, kon alleen door de theologische faculteit uitgesproken worden, in principe op voordracht van de president.

Enkel met de toelating van de president mochten studenten de stad verlaten, afwezig zijn bij maaltijden, uitgaan na het avondmaal, herbergen bezoeken, wijn of bier laten halen, gasten ontvangen, in andermans kamer overnachten en boeken of voorwerpen aan het college ontlenen. De president was ook verantwoordelijk voor het afsluiten van de poort ’s avonds en het bewaren van de sleutel. Om negen uur werd de poort gesloten en heerste er stilte tot de volgende morgen.

De president was verantwoordelijk voor de toekenning van de kamers, de verdeling van de missen en de aanstelling van de koster, bibliothecaris en de verantwoordelijke voor het afwezigheidsregister. De president stond in voor het onderhoud van de inboedel en hij moest de inventaris regelmatig aanvullen.  Vanaf 1513 was hij ook verantwoordelijk voor de disputen.

Een gewone dag in het Heilige-Geestcollege begon om halfvijf ’s morgens. Voor halfzes moesten de studenten zich aanmelden, daarna gingen ze naar de mis. Vóór het ontbijt omstreeks negen hadden de studenten al een eerste les in de halle meegemaakt. Daarna volgde een periode van gedempte stilte tot omstreeks elf uur. Wat er in de namiddag gebeurde is niet bekend en ook over het tijdstip van het avondeten zijn geen gegevens beschikbaar. Wie ’s avonds naar buiten mocht, moest om negen uur terug zijn. Dan ging de deur op slot en heerste er stilte tot de volgende morgen.

Het leven in het Heilige-Geestcollege draaide uitsluitend rond theologie. De studenten moesten bij alle lessen, oefeningen en disputen in de theologie aanwezig zijn. Vooral de zaterdagdisputen mochten niet gespijbeld worden.  Deze vonden sinds het einde van de vijftiende eeuw plaats op zaterdagnamiddag.  Op die disputen oefenden studenten zich in theologische discussies door een stelling te verdedigen of aan te vallen. Deze disputen werden vaak voorgezeten door een gezaghebbende professor van de theologische faculteit, zoals bijvoorbeeld Adrianus van Utrecht (de latere paus Adrianus VI) of Ruardus Tapper.  Vanaf het midden van de vijftiende eeuw warren deze disputen een essentieel onderdeel van de theologische opleiding.

Van de bursalen werd verwacht dat ze regelmatig promoveerden. Wie dit niet deed, riskeerde een sanctie en kon zelfs zijn beurs verliezen. Om dit risico te verkleinen controleerde de theologische faculteit regelmatig de studieresultaten. Traditioneel gebeurde deze controle bij de jaarlijkse visitatie. Soms probeerde de faculteit misbruiken te vermijden door de betaling van de beurs ook uit te stellen. De bursaal kreeg dan het eerste half jaar geen geld en werd in twee stappen uitbetaald bij het beëindjgen van de twee eerste delen van de baccalaureaatscyclus.

Het Heilige-Geestcollege beschikte over een eigen bibliotheek. Deze bezat vooral boeken die verschillende schenkers overmaakten aan het college. Naast de voor de hand liggende theologische werken waren ook een aantal kerkjuridische traktaten en enkele werken van klassieke auteurs, waaronder Sallustius en Flavius Josephus, aanwezig. Een van de bursalen werd door de president aangesteld als bibliothecaris. Hij stond in voor het verzorgen van de boeken, het onderhouden van de catalogus en voor de controle op de uitleningen.

Deze en andere jobs, zoals bijvoorbeeld koster, gaven bursalen de kansen om geld bij te verdienen. Aangezien de waarde van de beurzen de evolutie van de levensduurte niet volgde, verslechterde de materiële toestand van de studenten met de jaren. De theologische faculteit ving dit gedeeltelijk op door beurzen te nivelleren en te cumuleren. In de praktijk moesten alle bursalen over een eigen inkomen beschikken om financieel te kunnen overleven.

Dagelijks werd er driemaal gegeten. ’s Morgens werd er in de keuken ontbeten. Dit ontbijt was niet verplicht, toch werd er zo veel mogelijk samen ontbeten. De andere twee maaltijden waren wel verplicht. Ze werden voorgezeten door de president en alleen hij kon studenten van aanwezigheid vrijstellen.  Hij was ook verantwoordelijk voor de bereiding van de maaltijden die “middelmatig” moesten zijn “zoals het bursalen paste.” Hijzelf mocht iets beter eten “zonder de bursalen financiële schade te berokkenen.”

Elke hoofdmaaltijd werd vergezeld van de nodige gebeden en van het lezen van telkens twee hoofdstukken uit de Bijbel.

Buiten de vastgestelde uren mocht niemand eten of drinken binnen het college zonder de toestemming van de president.

Over de samenstelling van de maaltijden in het Heilige-Geestcollege heb ik geen gedetailleerde informatie gevonden. Er was zeker ook vlees aanwezig want enkele stichtingen voorzagen in de aankoop van varkens. Waarschijnlijk werd bij de maaltijden (klein) bier gedronken. Wijn was voorbehouden voor speciale aangelegenheden.

Ontspanning werd waarschijnlijk vooral ’s avonds na de laatste maaltijd genomen. Tot negen uur, uitzonderlijk tot tien uur, mocht er gepraat worden. Waarschijnlijk werd er ook gezongen.

In de zomermaanden konden studenten de studenten aan de president de toestemming vragen het college te verlaten. Voor het bezoeken van een herberg en om gasten uit te nodigen voor een maaltijd of een overnachting in het college, moest de expliciete toestemming van de president gevraagd worden. Vrouwen mochten slechts bij hoge uitzondering aanzitten bij een maaltijd, van logeren in het college was voor meisjes helemaal geen sprake.

Wie de stad wou verlaten moest daarvoor een gegronde reden hebben. Ellke student mocht maximum één maand per jaar of zes weken verspreid over het jaar afwezig zijn. Wie te lang wegbleef, riskeerde een deel van zijn beurs kwijt te zijn.

Van bij de stichting werden in het college missen gecelebreerd. Deze werden voorgegaan door bursalen die hiermee een centje konden bijverdienen. Vanaf 1448 is er sprake van een eigen kapel en werd er dagelijks minimaal één mis opgedragen.  De missen werden opgedragen tussen zes en zeven uur in de zomer en tussen zeven en acht in de winter. Alle missen vielen buiten de uren die voorzien waren voor lessen of disputen. Eén bursaal werd aangesteld als koster. Deze verdiende een centje bij door te kapel en de gewijde vaten te verzorgen en door tijdens de missen dienst te doen als misdienaar.

Zoals andere theologiecolleges was het Heilige-Geestcollege georganiseerd als een regulier kapittel van studenten onder leiding van een president. In de statuten werd de nadruk gelegd op geregeld studeren en promoveren, een matig en geregeld leven en op de verplichte aanwezigheid van alle collegeactiviteiten.

Stichting van het Heilige-Geestcollege

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 2

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

Lodewijk De Ryke was nauw betrokken bij de stichting van de universiteit. Van 1411 tot 1422 en van 1429 tot 1450 maakt hij deel uit van het stadsbestuur. Van 1422 tot 1439 was hij rentmeester van de hertog in het Leuvense kwartier. Zijn huwelijk met Judoca Vanden Putte bleek kinderloos. Een aantal familieleden studeerde aan de universiteit en hij was goed bevriend met Johannes Varenacker, pastoor van Sint-Pieter en professor van de theologiefaculteit. Hij had dus zeer goede contacten met de universiteit en met de theologiefaculteit in het bijzonder. Dit verklaart misschien zijn vrijgevigheid en zijn keuze voor een college verbonden aan de theologische faculteit.

Lodewijk de Ryke woonde sedert 1412 in de Prooststraat (de huidige Naamsestraat) in de buurt van de halle. In 1424 verwerft hij de brouwerij Hollant op de hoek van de Prooststraat en de Hevelstraat (de huidige Collegeberg en in 1445 geeft hij het huis aan de theologieprofessoren Hemericus de Campo en Johannes Varenacker met de bedoeling er een college in te stichten. De voowaarden waren kort voordien vastgelegd en goedgekeurd door bisschop Johannes van Heemsberg. De stichting was bedoeld voor zeven arme theologiestudenten waaronder twee priesters. Die priesters moesten missen lezen en kregen daarvoor een dubbele prebende. In 1448 was er al een kapel waarin weldoeners missen konden stichten.

Het college werd toegewijd aan de “Zeven Gaven van de Heilige Geest” en naast de naam “Heilige-Geestcollege” werd er ook gesproken over het “College van de Theologanten” of het “College van de Theologische Faculteit”.

In 1447 schonk het echtpaar de Ryke-Vanden Putte hun eigen woning en enkele huizen in de Hevelstraat aan de theologische faculteit. Zij behielden wel het vruchtgebruik zodat de gebouwen pas na de dood van Judoca Vanden Putte in 1462 gebruikt konden worden. De theologische faculteit gebruikte ze voor haar eigen activiteiten zoals promotieplechtigheden en disputen. Een van de huizen werd de woning van de pedel van de faculteit.

De naam “pedel” wordt in verschillende contexten gebruikt. Oorspronkelijk werden er twee pedellen toegevoegd aan de rector. Zij moesten hem steeds vergezellen op straat en zorgden voor de bekendmaking van de officiële mededelingen.  Na 1440 bezat elke faculteit een pedel. Deze was vooral met administratieve taken belast. In Vlaanderen wordt de naam “pedel” nu toegekend aan de facultaire verantwoordelijken voor de studentenadministraties en worden de “officiële” pedellen die bij feestelijkheden de rector vergezellen uit deze groep gekozen. Nederlandse universiteiten hebben door de band één of twee pedellen. Officieel moeten zij zich bezighouden met alle academische  zittingen. In Nederland is dit vooral een ceremoniële functie geworden.

De oudste bekende statuten bleven bewaard in een document van 1573 maar dateren voor het grootste deel van vóór 1525 toen het pas opgerichte Pauscollege bepalingen eruit zou overnemen. Deze statuten kwamen aanvankelijk pragmatisch en geleidelijk tot stand. Bepalingen werden toegevoegd naargelang bepaalde problemen zich stelden. De statuten kregen in het eerste kwart van de zestiende eeuw hun definitieve vorm. Ze bevatten bepalingen over de volgende aangelegenheden: leiding en materieel beheer, voorwaarde voor opname en verplichtingen van de bursalen, het dagelijkse leven en de duur van de beurs, de visitatie, de kapel en de bibliotheek, en het onderhoud van de statuten. De statuten werden vier maal per jaar voorgelezen waarvan één maal bij de visitatie door de theologische faculteit.

Tussen 1471 en 1530 werden eenenveertig beurzen onder beheer van de theologische faculteit en haar college geplaatst. Van die eenenveertig waren er achtentwintig bestemd voor bursalen in het Heilige-Geestcollege. De dertien anderen waren bestemd voor bursalen buiten het college. Die waren vooral bestemd voor studenten die in een van de vier pedagogieën verbleven. Alle bursalen in het college zelf waren theologiestudenten. De bursalen buiten het college waren vooral artes- en theologiestudenten. De artesstudenten zaten vooral in de pedagogie de Burcht die een bijzondere band had met de theologische faculteit en haar college.

Behalve beurzen werden in het college ook missen gesticht. Dan ging het geld van de stichting naar de bezoldiging van de studenten die de mis celebreerden. Deze missen waren voor de gekozen celebranten een welkome aanvulling op hun beurs. Vanaf 1448 had het college een eigen kapel en tegen het einde van de vijftiende eeuw werd er elke dag minstens één mis opgedragen. Een aantal weldoeners van het Heilige-Geestcollege deed ook schenkingen voor gemeenschappelijke goederen zoals hout en vlees.

De motivatie van de schenkers was meestal vrij duidelijk: zij wouden hun zielenheil bewerken en sociale noden lenigen. Meestal bevoordeligden ze eigen familie of streek. Een groot aantal kwam uit kringen in de buurt van de theologische faculteit: vijf schenkers waren theologieprofessor en drie baccalaurei formati in de theologie. Drie beurzen kwamen er op initiatief van theologieprofessoren en twee stichtingen door verwanten van theologieprofessoren. De andere weldoeners waren vaak geestelijken of alumni die aan het hof resideerden en die de universiteit, en dan in het bijzonder de theologische faculteit, goed gezind waren.

Typisch voor het Heilige-Geestcollege waren de Leuvense burgers onder haar weldoeners. Zij volgden het inspirerend voorbeeld van de stichter van het college, Lodewijk de Ryke. Zo liet Elisabeth Lambrechts, echtgenote van een Leuvens burger een legaat voor de bibliotheek na en Catharina Pynnock, zuster van de gekende meier Lodewijk Pynnock en gehuwd met Libertus van Meldert, liet bij testament hun huis na aan het college. Dat huis lag naast het college en moest de ambtswoning van de president worden.

Het externe beheer van het Heilige-Geestcollege was van bij de stichting in handen van de theologische faculteit. Zij was naar de wil van de stichters eigenaar van de gebouwen en verantwoordelijk voor de betaling van de lasten en het onderhoud. Voor concrete aangelegenheden werd een wisselend aantal afgevaardigden gedelegeeerd. Gedurende de eerste jaren van de zestiende eeuw kwamen dezelfde drie namen in verschillende delegaties voor: Adrianus Florentius (Adriaan Floriszoon), Johannes Moederloos en Nicolaus Hellens. De pastoor van de Sint-Pieterskerk was er bijna altijd bij.

Het financiële beheer was in de eerste jaren in handen van de pedel van de theologische faculteit. Nadien had het college zijn eigen rentmeester die onder controle stond van de faculteit. Hij was verantwoordelijk voor het beheer van de stichtingen en stond in voor de jaarlijkse boekhoudkundige controle.

Het Heilige-Geestcollege was van bij de stichting nauw verbonden aan de theologische faculteit. In feite was het van in de beginne een faculteitsinstelling. Dit verklaart in grote mate het hoge aantal weldoeners die het college verschillende eeuwen zou begunstigen. Dankzij hun onbaatzuchtige schenkingen zou het Heilige-Geestcollege zonder veel schade de nog komende economische crisissen doorkomen.

Stichting van universitaire colleges.

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 1

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

9 november 1425, op die dag werd Leuven een universiteitsstad. Op die dag verleende paus Martinus V de stichtingsbul van de universiteit van Leuven. Volgens een stadslegende zou Brussel de stichting eerder zijn aangeboden maar haar bestuurders zouden geweigerd hebben uit bezorgdheid voor de eerbaarheid van hun maagden. Leuven kreeg de toestemming vier faculteiten op te richten: artes, burgerlijk  en kerkelijk recht en geneeskunde. De stad en de hertog moesten de jurisdictie over de leden van de universiteit overdragen aan de rector, zij moesten ook zorgen voor de nodige lokalen en zij moesten de salarissen van de professoren betalen.

Op 17 maart 1432 gaf paus Eugenius IV  de Leuvense universiteit de toelating een theologische faculteit op te riichten. Zo kreeg Leuven een “Studium Generale”: een volledige universiteit. Vanaf 1435 kreeg de theologische faculteit een ereplaats. Ook nu nog openen de professoren van de faculteit Theologie en Religiewetenschappen de stoet der academici bij officiële plechtigheden.

De universiteit was in eerste instantie een corporatie van personen met bepaalde voorrechten en onder gezag van een eigen overheid.

 In een verslag van de visitatie van de periode 1607-1617 krijgen we een opsomming van wie zich suppoost mocht noemen:

  • alle doctoren en licentiaten van de hogere faculteiten, zijnde geneeskunde, beide rechten (kerkelijk en burgerlijk recht) en theologie,
  • de baccalaurei van deze faculteiten,
  • de magisters van de kunsten die hun studie voortzetten, op voorwaarde dat ze geen handel dreven of geen openbaar ambt bekleedden,
  • alle studenten die waren ingeschreven en werkelijk college liepen,
  • de geïncorporeerde kloosters,
  • de weduwen van doctoren en licentiaten van een hogere faculteit, mits ze in de weduwstaat bleven en geen handel dreven,
  • de beëdigde boekverkopers en boekbinders die door de universiteit aanvaard werden,
  • de pedellen, notarissen en andere ambtenaren van de universiteit,
  • één bode per provincie en één receptor per college,
  • de dienstknechten en dienstmeisjes die bij suppoosten inwoonden.

In grote lijnen bleef deze lijst gelden tot kort voor de opheffing van de universiteit.

In de pauselijke bul werden twee privileges gedefinieerd waarvan de leden van de universiteit konden genieten: juridische immuniteit en algemene vrijdom van belastingen. De suppoosten van de universiteit waren onttrokken van iedere vreemde rechtsmacht, alleen de rector had de bevoegdheid suppoosten te oordelen en te straffen. De werkelijkheid was wel meer genuanceerd dan wat men uit officiële documenten zou kunnen afleiden.

Officieel werd de universiteit geleid door de rector. Deze werd aanvankelijk vier maal per jaar verkozen, vanaf 1445 twee maal per jaar. De rector genoot van eervolle voorrechten die vooral protocollair waren, zijn werkelijke macht lag vooral op het juridische vlak. Niemand kon een suppoost van de universiteit arresteren of bestraffen zonder zijn toestemming. Naast de rector had je een aantal andere functies: de kanselier, de conservatoren van de privileges, de gedelegeerden van de faculteiten, de receptor, de syndicus, de promotor, de secretaris, de pedellen en de boden.

De universiteit was enerzijds een corporatie van personen maar anderzijds ook het overkoepelend orgaan van de faculteiten. Faculteiten waren op zichzelf staande corporaties verbonden aan het studium. Hun belangrijkste opdracht was het organiseren van het onderwijs. Dat onderwijs werd op twee niveaus georganiseerd. Je had een vorm van voorbereidend onderwijs dat gegeven werd aan de Artesfaculteit, en je had de meer gespecialiseerde opleidingen in de hogere faculteiten.

Aanvankelijk werden alle lessen gegeven in de Vicus, de zetel van de faculteit in de Nieuwstraat (de huidige Vander Kelenstraat, museum M) maar in de loop van de vijftiende eeuw werden meer en meer lessen overgeheveld naar de pedagogieën. Dit waren in feite universitaire kostscholen waar de studenten woonden en lessen volgden. De belangrijkste beweegreden voor deze evolutie was waarschijnlijk een streven naar meer tucht en orde onder een groter wordende groep studenten. De artesopleiding duurde vier à vijf jaar en leidde tot het diploma van “licentiaat” of “magister”.

Normaal moest je als student eerst aan de artesfaculteit gestudeerd hebben vooraleer je een studie aan een hogere faculteit kon beginnen. De lessen van de hogere faculteiten werden gegeven in de universiteitshal. In de beginjaren van de universiteit was studeren een dure aangelegenheid. De lange studieduur en de hoge promotiekosten zorgden bij een grote groep studenten voor problemen. Deze problemen waren het meest uitgesproken in de theologische faculteit waar de studieduur ook het langst was: tot twaalf jaar. Het verlenen van een priesterloon, een prebende, was ruim onvoldoende om deze problemen volledig weg te werken.

De belangrijkste uitgaven voor een student in de vijftiende eeuw waren de onkosten voor het levensonderhoud. Daarnaast moest de student ook rekening houden voor het reizen, boeken, kleding, … Het schoolgeld maakte slechts een klein deel van de totale uitgave uit, nog geen vijf percent in het midden van de vijftiende eeuw. Daartegenover stonden wel de extreem hoge promotiekosten. In de theologische faculteit kostte een promotie ongeveer even veel als de kosten van één jaar levensonderhoud.

De universitaire overheid was ook bezorgd om de goede faam van haar leden. Ze wou vooral dat haar studenten zich goed gedroegen, regelmatig studeerden en zuinig leefden. De universiteit zocht tevergeefs naar een goede oplossing voor een complex tuchtprobleem. De geldverspilling kon ze min of meer opvangen door haar jonge studenten onder voogdij te plaatsen en aan de artesfaculteit konden de pedagogieën de tuchtproblemen vrij goed onder controle houden maar voor de rest slaagde de universiteit er niet in dit kwaad uit te bannen.

Op dit vlak kenden privéinitiatieven meer succes. In colleges kregen een aantal minderbegoede studenten kost en inwoon. Het initiatief ging uit van een privépersoon, meestal een professor of een alumnus van de universiteit, die zorgde voor een huis en de nodige financiële middelen voor het onderhoud van de gebouwen en voor de betaling van de beurzen. De leden van een college werden bursalen genoemd naar de beurs die zij wekelijks, maandelijks of halfjaarlijks ontvingen en waarmee ze hun bijdrage in de gemeenschappelijke kosten en hun persoonlijke studiekosten moesten betalen. In tegenstelling tot de pedagogieën werd er in colleges in principe niet lesgegeven. Colleges kunnen gezien worden als universitaire kosthuizen.

Colleges werden vooral gesticht door alumni en professoren van de universiteit die iets wilden verhelpen aan de problemen waarmee ze zelf geconfronteerd waren. Zin wensten oprecht een sociale nood lenigen maar tegelijkertijd wouden ze door aan liefdadigheid te doen hun zielenheil in het hiernamaals verzekeren.

Vaak wouden ze ook familieleden en/of streekgenoten bevoordeligen. Het ging dan meestal om inwoners van de stad of streek waar de schenker vandaan kwam of waar hij beneficies had. Vandaar dat een aantal colleges meerdere namen had: een van de stichter en een (of meerdere) van de stad of streek.

Een college was een gesloten gemeenschap onder leiding van een president. Aanvankelijk was dit een student, later, in de zestiende eeuw werden deze gerekruteerd uit het korps van professoren en doctoren. In feite kunnen we dan pas van een president spreken. Geleidelijk kreeg de preident meer bevoegdheden. Hij moest alleen verantwoording afleggen tegenover de visitatoren. Vooral de pastoor van de Sint-Pieterskerk, die ook professor aan de theologische faculteit was, trad vaak op als visitator. Het beheer van de beurzen was vaak in handen van een familielid van de stichter of van een lokale pastoor, kapittel of schepenbank. De universiteit had hierin meestal weinig of geen inspraak.

Colleges waren vaak autarkische gemeenschappen. Ze bakten zelf brood, hadden een eigen moestuin en soms zelfs een wijngaard.

Een document uit het archief van het Atrechtcollege geeft ons een inkijk in de keuken van een zestiende- of zeventiende-eeuws college.

  • ’s Morgens kregen de jongens soms “Bierenbroot” en soms “zoppe opt vleesch geweyckt,
  • ’s middags kregen ze ”pottagien” soms met warmoes of erwten en soms met een stuk gezouten vlees,
  • daarna hutsepot en kaas.

Ossenvlees was het meest gegeten vlees en bier was de belangrijkste drank. Een collegestudent dronk gemiddeld anderhalve liter (klein) bier per dag.

Hoeveel studenten in Leuvense colleges verbleven is moeilijk in te schatten. In 1526 telde Leuven elf colleges met in totaal een honderdtal beurzen. In 1578 waren er al vierhonderd bursalen voor drieëntwintig beurzen. Meer dan de helft van de beurzen ging naar artesstudenten, ongeveer een vierde naar theologiestudenten en een tiende naar rechtsstudenten. De rest ging naar studenten van verschillende faculteiten. Het Standonckcollege en het Pauscollege waren de grootste en hadden tegen het einde van de zestiende eeuw vijftig of meer studenten. Dat was net vòòr het verval. Tijdens de burgeroorlog kwamen veel colleges leeg te staan en deden sommige dienst als kazerne. In 1598 waren er maar dertien colleges bewoond en was het aantal beurzen gezakt tot een twintigtal.

In 1526 telde Leuven ongeveer tweehonderd collegestudenten of ongeveer twaalf percent van de studentenbevolking. Maar het belang van de colleges is groter dan wat uit deze cijfers zou blijken. Colleges waren trendsetters als het over verstrenging van de tucht gaat en ze speelden een belangrijke rol in de vorming van professoren.

In een volgende aflevering ga ik specifiek in op de situatie van het Heilige-Geestcollege.

Het celestijnenklooster in Heverlee

In juni 1521 werd in Heverlee in de buurt van het kasteel van Croÿ een werf geopend. Vijf jaar later kon in het koor boven het hoofdaltaar het jaartal 1526 geschilderd worden. Op vijf jaar tijd was hier een laatgotische kerk verrezen met de grootte van een stadskerk. Het zou de grafkerk van de familie de Croÿ worden en de celestijnen van het aanliggende klooster zouden zorgen voor de bediening van de kerk en het opdragen van de missen. De kerk werd toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw-Boodschap zoals bij het moederhuis in Parijs.

Met de stichting van een grafkerk en bijhorend klooster plaatste de familie van Croÿ zich volledig in de traditie van hun Bourgondische landsheren. De Bourgondische hertogen hadden hun mausoleum nabij Dijon in de kartuis van Champmol die daarvoor door Filips de Stoute is opgericht.

MINOLTA DIGITAL CAMERA

eigen foto

Onze laatste Bourgondische prinses, Margaretha van Oostenrijk ligt begraven in de kloosterkerk van Brou, nabij Bourg-en-Bresse. Zij had dit klooster met grafkerk laten oprichten naar de wens van haar man, Filibert van Savoye en liet er verscheidene praalgraven voor vervaardigen, onder andere door haar hofbeeldhouwer Conrat Meit.

MINOLTA DIGITAL CAMERA

eigen foto

Willem van Croÿ had zelf de begraafplaats van Lodewijk van Orléans bezocht in het Celestijnenklooster in Parijs.

In september 1525 was de bouw van het convent zo ver gevorderd dat de kloosterlingen er hun intrek konden in nemen. De bouw van het klooster zou nog een tijd aanslepen. De pandgang kreeg een voorlopige houten zoldering en werd waarschijnlijk pas omstreeks 1540 overwelfd.

Rond 1600 trok Karel II van Croÿ zich het lot van de verwaarloosde priorij aan. Hij wordt daarom wel eens de tweede stichter van het convent genoemd.

Karel had grootse plannen. Je kan er nog een idee van krijgen op een vouwblad in het boek van Justus Lipsius, Lovanium, met een panorama van Heverlee. Je ziet er een genivelleerd landschap met kaarsrechte lijnen die loodrecht op elkaar staan in een orthogonaal raster.

Josse_van_der_Baren_-_Heverlea

(c) Wikipedia

De aanpassingen van het landschap heeft Karel voor een stuk kunnen realiseren. Om het terrein rond het kasteel te nivelleren liet hij de valleiwand van de Dijle afgraven. Zo kwam de Sint-Lambertuskerk (nu Sint-Lambertuskapel) op een geïsoleerde hoogte te liggen. Hij liet ook de dreef aanleggen (nu Kardinaal Mercierlaan, het voetbalstadion van OHL is ernaar genoemd) die het kasteel en de stad met elkaar verbinden, veertig voet breed (elf meter) en mille passus of duizend passen lang (één mijl of anderhalve kilometer.)

Sint-Lambertus

Waren enkele van de dromen van Karel en zijn omgeving uitgekomen, de toekomst van het klooster en de kerk zouden er gans anders uitgezien kunnen hebben. Zo droomde Karel van Croÿ van een college voor studenten, verbonden aan het klooster. Dit zou moeten komen hebben in een aanbouw aan de zuidkant met beneden een gehoorzaal en boven een bibliotheek. Het college is er nooit gekomen.

De toekomst van de kerk zou waarschijnlijk rooskleuriger geweest zijn, hadden de inwoners van Heverlee hun zin gekregen toen ze vroegen de Celestijnenkerk te mogen gebruiken als parochiekerk. In 1612 drongen ze hierop aan vanwege de bouwvallige situatie van de Sint-Lambertuskerk, “die welcke daegelijcx ruijneuse en caducq is wordende door het wegh bringhen van de omliggende berghen.” De kloosterkerk had alleen een toren moeten krijgen, met twee klokken en twee schellen. Karel was het plan niet ongenegen maar de verhuizing is nooit doorgegaan.

Aan het klooster werden herstellingswerken uitgevoerd: metselwerk, bepleistering van de binnenmuren en vernieuwing van het schrijnwerk buiten.

Voor de binneninrichting plande Karel ook een grondige vernieuwing. Van plint tot plafond moest er een volledig nieuwe verflaag komen, ontworpen volgens een vast schema: compartimenten in zwart en wit voor de zoldering, imitaties van diverse steensoorten voor de plinten en door zuilen van elkaar gescheiden medaillons op de wanden. De taferelen uit heiligenlevens en Bijbelverhalen zouden herhaald worden in de glasramen. De thematiek zou aangepast worden aan de functie van het vertrek. Het gastenverblijf had bij voorbeeld taferelen moeten krijgen uit de verhalen van Lazarus en van de Verloren Zoon. In de refter zou het leven van de Heilige Celestinus verbeeld worden.

Deze en andere plannen nam Karel van Croÿ mee in zijn graf. In 1612 stierf hij kinderloos. In zijn testament gaf hij de opdracht de Sint-Annakapel in de celestijnenkerk te versieren met de wapenschilden van alle heerlijkheden die in het bezit waren van de familie.

In zijn tombe was er al een plaats voorzien voor zijn jonge weduwe. Dorothea zou Karel met een halve eeuw overleven. Bovendien wou zij begraven worden op de plaats waar de priester de introïtus leest. Zij overleed in 1662 en reserveerde in haar testament een fatsoenlijk bedrag voor de stichting van een klooster voor vrouwelijke celestijnen in Nancy. In Heverlee liet ze naast geld voor missen en een grafplaat en naast giften voor de prior en enkele monniken een kleed na van rood fluweel doorregen met cantilledraad bezaaid met lovertjes voor een ornament en een ledikant met passement van gouddraad en een hemel als baldakijn, voor het Heilig Sacrament.

Het overlijden van Dorothea betekende ook het einde van het geslacht van Croÿ-Aarschot. Anna van Croÿ, zus van Karel en gehuwd met prins-graaf Karel van Arenberg, riep zichzelf uit tot hertogin van Aarschot.

Ook in de Celestijnenpriorij werd het geslacht de Croÿ afgelost door de Arenbergs maar dit veranderde weinig aan de situatie. Het bleef klachten regenen naar aanleiding van visitaties en de schadestaten en vertoogschriften bleven zich opstapelen in de archieven.

Prins-graaf Filips van Arenberg, die in 1644 tot hertog werd verheven, zou nog een barok epitaaf in de Celestijnenkerk krijgen maar de meeste Arenbergs zouden begraven worden in de crypte van het kapucijnenklooster in Edingen, dat in 1615 werd gesticht door Karel van Arenberg.

edingen_ferraris

(c) Wikipedia

De Arenbergs verkiezen de kapucijnen boven de celestijnen maar de Celestina bleef ook voor de Arenbergs haar functie van memoriaal behouden.