Categorie archief: Feuilleton

Stichting van het Heilige-Geestcollege

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 2

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

Lodewijk De Ryke was nauw betrokken bij de stichting van de universiteit. Van 1411 tot 1422 en van 1429 tot 1450 maakt hij deel uit van het stadsbestuur. Van 1422 tot 1439 was hij rentmeester van de hertog in het Leuvense kwartier. Zijn huwelijk met Judoca Vanden Putte bleek kinderloos. Een aantal familieleden studeerde aan de universiteit en hij was goed bevriend met Johannes Varenacker, pastoor van Sint-Pieter en professor van de theologiefaculteit. Hij had dus zeer goede contacten met de universiteit en met de theologiefaculteit in het bijzonder. Dit verklaart misschien zijn vrijgevigheid en zijn keuze voor een college verbonden aan de theologische faculteit.

Lodewijk de Ryke woonde sedert 1412 in de Prooststraat (de huidige Naamsestraat) in de buurt van de halle. In 1424 verwerft hij de brouwerij Hollant op de hoek van de Prooststraat en de Hevelstraat (de huidige Collegeberg en in 1445 geeft hij het huis aan de theologieprofessoren Hemericus de Campo en Johannes Varenacker met de bedoeling er een college in te stichten. De voowaarden waren kort voordien vastgelegd en goedgekeurd door bisschop Johannes van Heemsberg. De stichting was bedoeld voor zeven arme theologiestudenten waaronder twee priesters. Die priesters moesten missen lezen en kregen daarvoor een dubbele prebende. In 1448 was er al een kapel waarin weldoeners missen konden stichten.

Het college werd toegewijd aan de “Zeven Gaven van de Heilige Geest” en naast de naam “Heilige-Geestcollege” werd er ook gesproken over het “College van de Theologanten” of het “College van de Theologische Faculteit”.

In 1447 schonk het echtpaar de Ryke-Vanden Putte hun eigen woning en enkele huizen in de Hevelstraat aan de theologische faculteit. Zij behielden wel het vruchtgebruik zodat de gebouwen pas na de dood van Judoca Vanden Putte in 1462 gebruikt konden worden. De theologische faculteit gebruikte ze voor haar eigen activiteiten zoals promotieplechtigheden en disputen. Een van de huizen werd de woning van de pedel van de faculteit.

De naam “pedel” wordt in verschillende contexten gebruikt. Oorspronkelijk werden er twee pedellen toegevoegd aan de rector. Zij moesten hem steeds vergezellen op straat en zorgden voor de bekendmaking van de officiële mededelingen.  Na 1440 bezat elke faculteit een pedel. Deze was vooral met administratieve taken belast. In Vlaanderen wordt de naam “pedel” nu toegekend aan de facultaire verantwoordelijken voor de studentenadministraties en worden de “officiële” pedellen die bij feestelijkheden de rector vergezellen uit deze groep gekozen. Nederlandse universiteiten hebben door de band één of twee pedellen. Officieel moeten zij zich bezighouden met alle academische  zittingen. In Nederland is dit vooral een ceremoniële functie geworden.

De oudste bekende statuten bleven bewaard in een document van 1573 maar dateren voor het grootste deel van vóór 1525 toen het pas opgerichte Pauscollege bepalingen eruit zou overnemen. Deze statuten kwamen aanvankelijk pragmatisch en geleidelijk tot stand. Bepalingen werden toegevoegd naargelang bepaalde problemen zich stelden. De statuten kregen in het eerste kwart van de zestiende eeuw hun definitieve vorm. Ze bevatten bepalingen over de volgende aangelegenheden: leiding en materieel beheer, voorwaarde voor opname en verplichtingen van de bursalen, het dagelijkse leven en de duur van de beurs, de visitatie, de kapel en de bibliotheek, en het onderhoud van de statuten. De statuten werden vier maal per jaar voorgelezen waarvan één maal bij de visitatie door de theologische faculteit.

Tussen 1471 en 1530 werden eenenveertig beurzen onder beheer van de theologische faculteit en haar college geplaatst. Van die eenenveertig waren er achtentwintig bestemd voor bursalen in het Heilige-Geestcollege. De dertien anderen waren bestemd voor bursalen buiten het college. Die waren vooral bestemd voor studenten die in een van de vier pedagogieën verbleven. Alle bursalen in het college zelf waren theologiestudenten. De bursalen buiten het college waren vooral artes- en theologiestudenten. De artesstudenten zaten vooral in de pedagogie de Burcht die een bijzondere band had met de theologische faculteit en haar college.

Behalve beurzen werden in het college ook missen gesticht. Dan ging het geld van de stichting naar de bezoldiging van de studenten die de mis celebreerden. Deze missen waren voor de gekozen celebranten een welkome aanvulling op hun beurs. Vanaf 1448 had het college een eigen kapel en tegen het einde van de vijftiende eeuw werd er elke dag minstens één mis opgedragen. Een aantal weldoeners van het Heilige-Geestcollege deed ook schenkingen voor gemeenschappelijke goederen zoals hout en vlees.

De motivatie van de schenkers was meestal vrij duidelijk: zij wouden hun zielenheil bewerken en sociale noden lenigen. Meestal bevoordeligden ze eigen familie of streek. Een groot aantal kwam uit kringen in de buurt van de theologische faculteit: vijf schenkers waren theologieprofessor en drie baccalaurei formati in de theologie. Drie beurzen kwamen er op initiatief van theologieprofessoren en twee stichtingen door verwanten van theologieprofessoren. De andere weldoeners waren vaak geestelijken of alumni die aan het hof resideerden en die de universiteit, en dan in het bijzonder de theologische faculteit, goed gezind waren.

Typisch voor het Heilige-Geestcollege waren de Leuvense burgers onder haar weldoeners. Zij volgden het inspirerend voorbeeld van de stichter van het college, Lodewijk de Ryke. Zo liet Elisabeth Lambrechts, echtgenote van een Leuvens burger een legaat voor de bibliotheek na en Catharina Pynnock, zuster van de gekende meier Lodewijk Pynnock en gehuwd met Libertus van Meldert, liet bij testament hun huis na aan het college. Dat huis lag naast het college en moest de ambtswoning van de president worden.

Het externe beheer van het Heilige-Geestcollege was van bij de stichting in handen van de theologische faculteit. Zij was naar de wil van de stichters eigenaar van de gebouwen en verantwoordelijk voor de betaling van de lasten en het onderhoud. Voor concrete aangelegenheden werd een wisselend aantal afgevaardigden gedelegeeerd. Gedurende de eerste jaren van de zestiende eeuw kwamen dezelfde drie namen in verschillende delegaties voor: Adrianus Florentius (Adriaan Floriszoon), Johannes Moederloos en Nicolaus Hellens. De pastoor van de Sint-Pieterskerk was er bijna altijd bij.

Het financiële beheer was in de eerste jaren in handen van de pedel van de theologische faculteit. Nadien had het college zijn eigen rentmeester die onder controle stond van de faculteit. Hij was verantwoordelijk voor het beheer van de stichtingen en stond in voor de jaarlijkse boekhoudkundige controle.

Het Heilige-Geestcollege was van bij de stichting nauw verbonden aan de theologische faculteit. In feite was het van in de beginne een faculteitsinstelling. Dit verklaart in grote mate het hoge aantal weldoeners die het college verschillende eeuwen zou begunstigen. Dankzij hun onbaatzuchtige schenkingen zou het Heilige-Geestcollege zonder veel schade de nog komende economische crisissen doorkomen.

Stichting van universitaire colleges.

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 1

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

9 november 1425, op die dag werd Leuven een universiteitsstad. Op die dag verleende paus Martinus V de stichtingsbul van de universiteit van Leuven. Volgens een stadslegende zou Brussel de stichting eerder zijn aangeboden maar haar bestuurders zouden geweigerd hebben uit bezorgdheid voor de eerbaarheid van hun maagden. Leuven kreeg de toestemming vier faculteiten op te richten: artes, burgerlijk  en kerkelijk recht en geneeskunde. De stad en de hertog moesten de jurisdictie over de leden van de universiteit overdragen aan de rector, zij moesten ook zorgen voor de nodige lokalen en zij moesten de salarissen van de professoren betalen.

Op 17 maart 1432 gaf paus Eugenius IV  de Leuvense universiteit de toelating een theologische faculteit op te riichten. Zo kreeg Leuven een “Studium Generale”: een volledige universiteit. Vanaf 1435 kreeg de theologische faculteit een ereplaats. Ook nu nog openen de professoren van de faculteit Theologie en Religiewetenschappen de stoet der academici bij officiële plechtigheden.

De universiteit was in eerste instantie een corporatie van personen met bepaalde voorrechten en onder gezag van een eigen overheid.

 In een verslag van de visitatie van de periode 1607-1617 krijgen we een opsomming van wie zich suppoost mocht noemen:

  • alle doctoren en licentiaten van de hogere faculteiten, zijnde geneeskunde, beide rechten (kerkelijk en burgerlijk recht) en theologie,
  • de baccalaurei van deze faculteiten,
  • de magisters van de kunsten die hun studie voortzetten, op voorwaarde dat ze geen handel dreven of geen openbaar ambt bekleedden,
  • alle studenten die waren ingeschreven en werkelijk college liepen,
  • de geïncorporeerde kloosters,
  • de weduwen van doctoren en licentiaten van een hogere faculteit, mits ze in de weduwstaat bleven en geen handel dreven,
  • de beëdigde boekverkopers en boekbinders die door de universiteit aanvaard werden,
  • de pedellen, notarissen en andere ambtenaren van de universiteit,
  • één bode per provincie en één receptor per college,
  • de dienstknechten en dienstmeisjes die bij suppoosten inwoonden.

In grote lijnen bleef deze lijst gelden tot kort voor de opheffing van de universiteit.

In de pauselijke bul werden twee privileges gedefinieerd waarvan de leden van de universiteit konden genieten: juridische immuniteit en algemene vrijdom van belastingen. De suppoosten van de universiteit waren onttrokken van iedere vreemde rechtsmacht, alleen de rector had de bevoegdheid suppoosten te oordelen en te straffen. De werkelijkheid was wel meer genuanceerd dan wat men uit officiële documenten zou kunnen afleiden.

Officieel werd de universiteit geleid door de rector. Deze werd aanvankelijk vier maal per jaar verkozen, vanaf 1445 twee maal per jaar. De rector genoot van eervolle voorrechten die vooral protocollair waren, zijn werkelijke macht lag vooral op het juridische vlak. Niemand kon een suppoost van de universiteit arresteren of bestraffen zonder zijn toestemming. Naast de rector had je een aantal andere functies: de kanselier, de conservatoren van de privileges, de gedelegeerden van de faculteiten, de receptor, de syndicus, de promotor, de secretaris, de pedellen en de boden.

De universiteit was enerzijds een corporatie van personen maar anderzijds ook het overkoepelend orgaan van de faculteiten. Faculteiten waren op zichzelf staande corporaties verbonden aan het studium. Hun belangrijkste opdracht was het organiseren van het onderwijs. Dat onderwijs werd op twee niveaus georganiseerd. Je had een vorm van voorbereidend onderwijs dat gegeven werd aan de Artesfaculteit, en je had de meer gespecialiseerde opleidingen in de hogere faculteiten.

Aanvankelijk werden alle lessen gegeven in de Vicus, de zetel van de faculteit in de Nieuwstraat (de huidige Vander Kelenstraat, museum M) maar in de loop van de vijftiende eeuw werden meer en meer lessen overgeheveld naar de pedagogieën. Dit waren in feite universitaire kostscholen waar de studenten woonden en lessen volgden. De belangrijkste beweegreden voor deze evolutie was waarschijnlijk een streven naar meer tucht en orde onder een groter wordende groep studenten. De artesopleiding duurde vier à vijf jaar en leidde tot het diploma van “licentiaat” of “magister”.

Normaal moest je als student eerst aan de artesfaculteit gestudeerd hebben vooraleer je een studie aan een hogere faculteit kon beginnen. De lessen van de hogere faculteiten werden gegeven in de universiteitshal. In de beginjaren van de universiteit was studeren een dure aangelegenheid. De lange studieduur en de hoge promotiekosten zorgden bij een grote groep studenten voor problemen. Deze problemen waren het meest uitgesproken in de theologische faculteit waar de studieduur ook het langst was: tot twaalf jaar. Het verlenen van een priesterloon, een prebende, was ruim onvoldoende om deze problemen volledig weg te werken.

De belangrijkste uitgaven voor een student in de vijftiende eeuw waren de onkosten voor het levensonderhoud. Daarnaast moest de student ook rekening houden voor het reizen, boeken, kleding, … Het schoolgeld maakte slechts een klein deel van de totale uitgave uit, nog geen vijf percent in het midden van de vijftiende eeuw. Daartegenover stonden wel de extreem hoge promotiekosten. In de theologische faculteit kostte een promotie ongeveer even veel als de kosten van één jaar levensonderhoud.

De universitaire overheid was ook bezorgd om de goede faam van haar leden. Ze wou vooral dat haar studenten zich goed gedroegen, regelmatig studeerden en zuinig leefden. De universiteit zocht tevergeefs naar een goede oplossing voor een complex tuchtprobleem. De geldverspilling kon ze min of meer opvangen door haar jonge studenten onder voogdij te plaatsen en aan de artesfaculteit konden de pedagogieën de tuchtproblemen vrij goed onder controle houden maar voor de rest slaagde de universiteit er niet in dit kwaad uit te bannen.

Op dit vlak kenden privéinitiatieven meer succes. In colleges kregen een aantal minderbegoede studenten kost en inwoon. Het initiatief ging uit van een privépersoon, meestal een professor of een alumnus van de universiteit, die zorgde voor een huis en de nodige financiële middelen voor het onderhoud van de gebouwen en voor de betaling van de beurzen. De leden van een college werden bursalen genoemd naar de beurs die zij wekelijks, maandelijks of halfjaarlijks ontvingen en waarmee ze hun bijdrage in de gemeenschappelijke kosten en hun persoonlijke studiekosten moesten betalen. In tegenstelling tot de pedagogieën werd er in colleges in principe niet lesgegeven. Colleges kunnen gezien worden als universitaire kosthuizen.

Colleges werden vooral gesticht door alumni en professoren van de universiteit die iets wilden verhelpen aan de problemen waarmee ze zelf geconfronteerd waren. Zin wensten oprecht een sociale nood lenigen maar tegelijkertijd wouden ze door aan liefdadigheid te doen hun zielenheil in het hiernamaals verzekeren.

Vaak wouden ze ook familieleden en/of streekgenoten bevoordeligen. Het ging dan meestal om inwoners van de stad of streek waar de schenker vandaan kwam of waar hij beneficies had. Vandaar dat een aantal colleges meerdere namen had: een van de stichter en een (of meerdere) van de stad of streek.

Een college was een gesloten gemeenschap onder leiding van een president. Aanvankelijk was dit een student, later, in de zestiende eeuw werden deze gerekruteerd uit het korps van professoren en doctoren. In feite kunnen we dan pas van een president spreken. Geleidelijk kreeg de preident meer bevoegdheden. Hij moest alleen verantwoording afleggen tegenover de visitatoren. Vooral de pastoor van de Sint-Pieterskerk, die ook professor aan de theologische faculteit was, trad vaak op als visitator. Het beheer van de beurzen was vaak in handen van een familielid van de stichter of van een lokale pastoor, kapittel of schepenbank. De universiteit had hierin meestal weinig of geen inspraak.

Colleges waren vaak autarkische gemeenschappen. Ze bakten zelf brood, hadden een eigen moestuin en soms zelfs een wijngaard.

Een document uit het archief van het Atrechtcollege geeft ons een inkijk in de keuken van een zestiende- of zeventiende-eeuws college.

  • ’s Morgens kregen de jongens soms “Bierenbroot” en soms “zoppe opt vleesch geweyckt,
  • ’s middags kregen ze ”pottagien” soms met warmoes of erwten en soms met een stuk gezouten vlees,
  • daarna hutsepot en kaas.

Ossenvlees was het meest gegeten vlees en bier was de belangrijkste drank. Een collegestudent dronk gemiddeld anderhalve liter (klein) bier per dag.

Hoeveel studenten in Leuvense colleges verbleven is moeilijk in te schatten. In 1526 telde Leuven elf colleges met in totaal een honderdtal beurzen. In 1578 waren er al vierhonderd bursalen voor drieëntwintig beurzen. Meer dan de helft van de beurzen ging naar artesstudenten, ongeveer een vierde naar theologiestudenten en een tiende naar rechtsstudenten. De rest ging naar studenten van verschillende faculteiten. Het Standonckcollege en het Pauscollege waren de grootste en hadden tegen het einde van de zestiende eeuw vijftig of meer studenten. Dat was net vòòr het verval. Tijdens de burgeroorlog kwamen veel colleges leeg te staan en deden sommige dienst als kazerne. In 1598 waren er maar dertien colleges bewoond en was het aantal beurzen gezakt tot een twintigtal.

In 1526 telde Leuven ongeveer tweehonderd collegestudenten of ongeveer twaalf percent van de studentenbevolking. Maar het belang van de colleges is groter dan wat uit deze cijfers zou blijken. Colleges waren trendsetters als het over verstrenging van de tucht gaat en ze speelden een belangrijke rol in de vorming van professoren.

In een volgende aflevering ga ik specifiek in op de situatie van het Heilige-Geestcollege.

Het celestijnenklooster in Heverlee

In juni 1521 werd in Heverlee in de buurt van het kasteel van Croÿ een werf geopend. Vijf jaar later kon in het koor boven het hoofdaltaar het jaartal 1526 geschilderd worden. Op vijf jaar tijd was hier een laatgotische kerk verrezen met de grootte van een stadskerk. Het zou de grafkerk van de familie de Croÿ worden en de celestijnen van het aanliggende klooster zouden zorgen voor de bediening van de kerk en het opdragen van de missen. De kerk werd toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw-Boodschap zoals bij het moederhuis in Parijs.

Met de stichting van een grafkerk en bijhorend klooster plaatste de familie van Croÿ zich volledig in de traditie van hun Bourgondische landsheren. De Bourgondische hertogen hadden hun mausoleum nabij Dijon in de kartuis van Champmol die daarvoor door Filips de Stoute is opgericht.

MINOLTA DIGITAL CAMERA

eigen foto

Onze laatste Bourgondische prinses, Margaretha van Oostenrijk ligt begraven in de kloosterkerk van Brou, nabij Bourg-en-Bresse. Zij had dit klooster met grafkerk laten oprichten naar de wens van haar man, Filibert van Savoye en liet er verscheidene praalgraven voor vervaardigen, onder andere door haar hofbeeldhouwer Conrat Meit.

MINOLTA DIGITAL CAMERA

eigen foto

Willem van Croÿ had zelf de begraafplaats van Lodewijk van Orléans bezocht in het Celestijnenklooster in Parijs.

In september 1525 was de bouw van het convent zo ver gevorderd dat de kloosterlingen er hun intrek konden in nemen. De bouw van het klooster zou nog een tijd aanslepen. De pandgang kreeg een voorlopige houten zoldering en werd waarschijnlijk pas omstreeks 1540 overwelfd.

Rond 1600 trok Karel II van Croÿ zich het lot van de verwaarloosde priorij aan. Hij wordt daarom wel eens de tweede stichter van het convent genoemd.

Karel had grootse plannen. Je kan er nog een idee van krijgen op een vouwblad in het boek van Justus Lipsius, Lovanium, met een panorama van Heverlee. Je ziet er een genivelleerd landschap met kaarsrechte lijnen die loodrecht op elkaar staan in een orthogonaal raster.

Josse_van_der_Baren_-_Heverlea

(c) Wikipedia

De aanpassingen van het landschap heeft Karel voor een stuk kunnen realiseren. Om het terrein rond het kasteel te nivelleren liet hij de valleiwand van de Dijle afgraven. Zo kwam de Sint-Lambertuskerk (nu Sint-Lambertuskapel) op een geïsoleerde hoogte te liggen. Hij liet ook de dreef aanleggen (nu Kardinaal Mercierlaan, het voetbalstadion van OHL is ernaar genoemd) die het kasteel en de stad met elkaar verbinden, veertig voet breed (elf meter) en mille passus of duizend passen lang (één mijl of anderhalve kilometer.)

Sint-Lambertus

Waren enkele van de dromen van Karel en zijn omgeving uitgekomen, de toekomst van het klooster en de kerk zouden er gans anders uitgezien kunnen hebben. Zo droomde Karel van Croÿ van een college voor studenten, verbonden aan het klooster. Dit zou moeten komen hebben in een aanbouw aan de zuidkant met beneden een gehoorzaal en boven een bibliotheek. Het college is er nooit gekomen.

De toekomst van de kerk zou waarschijnlijk rooskleuriger geweest zijn, hadden de inwoners van Heverlee hun zin gekregen toen ze vroegen de Celestijnenkerk te mogen gebruiken als parochiekerk. In 1612 drongen ze hierop aan vanwege de bouwvallige situatie van de Sint-Lambertuskerk, “die welcke daegelijcx ruijneuse en caducq is wordende door het wegh bringhen van de omliggende berghen.” De kloosterkerk had alleen een toren moeten krijgen, met twee klokken en twee schellen. Karel was het plan niet ongenegen maar de verhuizing is nooit doorgegaan.

Aan het klooster werden herstellingswerken uitgevoerd: metselwerk, bepleistering van de binnenmuren en vernieuwing van het schrijnwerk buiten.

Voor de binneninrichting plande Karel ook een grondige vernieuwing. Van plint tot plafond moest er een volledig nieuwe verflaag komen, ontworpen volgens een vast schema: compartimenten in zwart en wit voor de zoldering, imitaties van diverse steensoorten voor de plinten en door zuilen van elkaar gescheiden medaillons op de wanden. De taferelen uit heiligenlevens en Bijbelverhalen zouden herhaald worden in de glasramen. De thematiek zou aangepast worden aan de functie van het vertrek. Het gastenverblijf had bij voorbeeld taferelen moeten krijgen uit de verhalen van Lazarus en van de Verloren Zoon. In de refter zou het leven van de Heilige Celestinus verbeeld worden.

Deze en andere plannen nam Karel van Croÿ mee in zijn graf. In 1612 stierf hij kinderloos. In zijn testament gaf hij de opdracht de Sint-Annakapel in de celestijnenkerk te versieren met de wapenschilden van alle heerlijkheden die in het bezit waren van de familie.

In zijn tombe was er al een plaats voorzien voor zijn jonge weduwe. Dorothea zou Karel met een halve eeuw overleven. Bovendien wou zij begraven worden op de plaats waar de priester de introïtus leest. Zij overleed in 1662 en reserveerde in haar testament een fatsoenlijk bedrag voor de stichting van een klooster voor vrouwelijke celestijnen in Nancy. In Heverlee liet ze naast geld voor missen en een grafplaat en naast giften voor de prior en enkele monniken een kleed na van rood fluweel doorregen met cantilledraad bezaaid met lovertjes voor een ornament en een ledikant met passement van gouddraad en een hemel als baldakijn, voor het Heilig Sacrament.

Het overlijden van Dorothea betekende ook het einde van het geslacht van Croÿ-Aarschot. Anna van Croÿ, zus van Karel en gehuwd met prins-graaf Karel van Arenberg, riep zichzelf uit tot hertogin van Aarschot.

Ook in de Celestijnenpriorij werd het geslacht de Croÿ afgelost door de Arenbergs maar dit veranderde weinig aan de situatie. Het bleef klachten regenen naar aanleiding van visitaties en de schadestaten en vertoogschriften bleven zich opstapelen in de archieven.

Prins-graaf Filips van Arenberg, die in 1644 tot hertog werd verheven, zou nog een barok epitaaf in de Celestijnenkerk krijgen maar de meeste Arenbergs zouden begraven worden in de crypte van het kapucijnenklooster in Edingen, dat in 1615 werd gesticht door Karel van Arenberg.

edingen_ferraris

(c) Wikipedia

De Arenbergs verkiezen de kapucijnen boven de celestijnen maar de Celestina bleef ook voor de Arenbergs haar functie van memoriaal behouden.

Celestijnen in Heverlee

Van kluizenaar tot paus

Stichter van de Celestijnen

Petrus Celestinus zou in 1215 geboren zijn in Sant’Angelo Limosano in de buurt van Isernia (Midden-Italië) als Pietro Angelerio. Hij verloor op jonge leeftijd zijn vader en trad op zeventienjarige in bij de benedictijnen in Faifoli in het Italiaanse bisdom Benevento. Pietro voelde zich niet echt thuis in het klooster. Hij voelde zich meer aangetrokken door het ascetisme en trok zich als kluizenaar terug in een grot in de bergstreek ten noorden van Napels. Johannes de Doper was zijn grote voorbeeld. Hij vastte alle dagen behalve de zondag, hij onderhield jaarlijks vier vastenperiodes waarvan hij er drie leefde op water en brood.

sulmona

(c) Wikipedia

In 1244 vestigde hij zich in een grot op de berg Monte Maiella in de Abruzzen. De eenzaamheid werd hem niet gegund; zijn grot werd een pleisterplaats voor gelijkgezinden die zijn levensstijl willen imiteren. In 1263 erkende paus Urbanus IV de orde en legt hen de regel van Benedictus op. Door hen in de benedictijnse traditie in te kapselen reageerde de paus op de toevloed van nieuwe ordes en vermeed hij dat de celestijnen een nieuwe bedelorde zouden stichten of aansluiting zouden zoeken bij de spiritualen, een radicale stroming binnen de franciscaanse beweging. In 1275 trok Petrus Celestinus te voet naar Lyon om er paus Gregorius te ontmoeten en de organisatie van de celestijnenorde definitief te regelen als een benedictijnse congregatie. De orde kende een explosieve groei, bestaande benedictijnse stichtingen sloten zich aan en nieuwe conventen werden opgericht. Rond 1280 waren er zesendertig huizen in elf bisdommen.

Paus Celestinus V

Na het overlijden van paus Nicolaas IV in april 1292 kwamen de kardinalen samen in Perugia om een opvolger te kiezen maar 15 maanden later waren ze er nog niet in geslaagd. Het conclaaf was verdeeld in twee blokken van zes kardinalen, de Orsini- en de Colonna-clan, die elkaar in evenwicht hielden en die beiden vasthielden aan hun kandidaat. Na een tussenkomst van Karel II van Anjou, koning van Napels verkozen de kardinalen unaniem de eenzame zonderling Petrus Celestinus als opvolger.

Celestinus_quintus

(c) Wikipedia

Drie eminente dignitarissen, vergezeld van een groot aantal monniken en lekenbroeders, klommen naar de berg waar de kluizenaar leefde om aan te kondigen dat hij door het Heilig College unaniem als paus verkozen was. Eerst dacht hij dat hij gek werd, sprong van achter de takken vandaan en vluchtte huilend het maquis in. Het werd een heus gevecht om hem te overmeesteren. Ze legden hem zeer voorzichtig uit welke diensten hij voor de kerk al bewezen had en spraken over een voorspelling die voor apocalyptische tijden een mysterieuze engelenpaus aankondigde. Heette hij niet Angelari? Overweldigd door deze argumenten liet Pietro zijn weerstand vallen en liet zich uit zijn arendsnest weghalen en naar de vallei voeren waar achter de angstige kardinalen en de ongeduldige koning van Napels duizenden nieuwsgierigen hem stonden op te wachten. De intocht van deze ruige kluizenaar was allesbehalve alledaags. Hij droeg een vieze monnikskap en zat schrijlings op een ezel die geleid werd door een koning en een jonge prins. Het vergde heel wat tijd om van de vuile grotbewoner een presentabele opvolger van Petrus te maken.

De totaal onervaren paus stond volledig onder controle van Karel van Anjou die hem allerlei hervormingen nuttig voor het koninkrijk van God maar vooral voor het koninkrijk van Napels, in het oor fluisterde. Twaalf nieuwe kardinalen werden benoemd, op een na Fransen en Napolitanen. Terwijl hij de zorg over het bestuur van de kerk afschoof op drie kardinalen trok Celestinus zich bij voorkeur terug in zijn cel, een natuurgetrouwe weergave van zijn grot in de bergen, in de kelder van het paleis van Karel II in Napels.

Celestinus V besefte snel dat hij ongeschikt was voor deze baan. De idee van abdicatie lijkt tegelijkertijd te zijn opgekomen bij de paus en de ongelukkige kardinalen. Over het einde van dit pausschap doet de volgende urban legend de ronde. Celestinus zou ’s nachts een goddelijke stem gehoord hebben die hem naar de bergen terugriep. Toen hij dat ging vertellen aan kardinaal Caetani, zou die zich net aan het afvragen geweest zijn of het gat in de zoldering wel groot genoeg was.

Op 13 december 1294 nam een paus voor de eerste maal in de geschiedenis vrijwillig afstand van zijn ambt. De tweede maal zit nog fris in ons geheugen. Op 28 februari 2013 volgde Joseph Ratzinger of paus Benedictus XVI het voorbeeld van Celestinus V.

Amper elf dagen later werd de naam van zijn opvolger bekendgemaakt: kardinaal Benedetto Gaetani werd paus Bonifatius VIII. Dit zou een krachtdadige maar ook een politiek gekleurd pontificaat worden.

Petrus Celestinus werd door zijn opvolger vastgehouden in het kasteel van Fumone. Bonifatius vreesde immers de manipulaties van Karel van Anjou. Petrus Celestinus slaagde er toch in te ontsnappen en naar zijn gemeenschap terug te keren. Bonifatius overtuigde de koning van Napels de ex-paus te arresteren. Celestinus had dit gevaar zien aankomen en was in de natuur gevlucht. Na een dooltocht van verscheidene weken bereikten hij en een metgezel de kust waar ze in een boot stapten die hen naar Dalmatië moest brengen. Maar de wind dreef hen terug naar het strand en Celestinus werd uitgeleverd aan Bonifatius, die hem opsloot in een kleine torenkamer. Daar stierf hij na negen maanden van vasten en bidden (19 mei 1296).

Celestinus V was de laatste paus met die naam. Dante plaatste hem in het voorportaal van de hel. De opvolger van Bonifatius VIII, Clemens V verklaarde Petrus Celestinus heilig (1313), op aandringen van Filips de Schone. Die had nog een eitje te pellen met Bonifatius VIII.

De Celestijnen

De orde der celestijnen, ook eremieten van Sint Damiaan of eremieten van Murrone genoemd, werd in 1254 gesticht door Pietro di Murrone, de latere paus Celestinus V. De celestijnen leefden volgens de regel van Benedictus met extra aandacht voor het stilzwijgen, de clausuur en het vasten.

Het centrum van de orde was de plaats waar ze ontstaan is, de abdij van de Heilige Geest in Murrono bij Sulmona in de Abruzzen. Voor de organisatie van de orde stond orde van Cluny model. Alle kloosters waren afhankelijk van de moederabdij. De verschillende stichtingen werden gegroepeerd in provinciën.

Celestijnen droegen een wit kleed met een zwart scapulier met kap. Het koorkleed bestond uit een zwarte pij met een zwarte kap. Lekenbroeders droegen een bruin habijt met op hun scapulier het symbool van de orde geborduurd. Dat symbool bestond uit een kruis met aan de voet een verstrengelde letter “S”.

habijt

(c) Wikipedia

In de bloeiperiode had de celestijnenorde honderdvijftig kloosters, vooral in Italië en Frankrijk. De priorij van Heverlee was de eerste en enige stichting van de orde in België. Na een periode van geleidelijk verval stierf de orde uit aan het begin van de negentiende eeuw.

Priorij van Heverlee

In 1522 komen de eerste celestijnen aan in Leuven, acht priesters en vier lekenbroeders afkomstig uit Metz in Lotharingen. De eerste jaren leefden ze in het kasteel van Croÿ in Heverlee. Maria van Hamal verbleef zo lang in het Hof van Chièvres, eigendom van de familie in de ’s Meiersstraat in Leuven. Dat lag naast het huis van paus Adrianus VI of Adriaan van Utrecht, tegenover de Pedagogie het Varken en het college van Standonck. In 1524 zou in het huis van Adriaan het Pauscollege geopend worden.

Op 27 september 1525 trokken twaalf religieuzen, tien priesters en twee oblaten, onder het zingen van litanieën naar het klooster en de kerk die zoals het moederhuis in Parijs toegewijd werden aan Onze-Lieve-Vrouw-Boodschap. Dezelfde dag werd het stoffelijk overschot van de stichter overgebracht en bijgezet in het koor van de kerk.

Heverlee bleef de enige stichting van de celestijnen in de Nederlanden. Het had zoals de andere huizen van de orde het statuut van een priorij. De prior werd aangesteld door het kapittel van de Franse provincie van de celestijnen voor de duur van drie jaar. De eerste prior was Denis Lefevre.

In 1555 werd de priorij zoals de meeste Leuvense mannenkloosters geïncorporeerd in de universiteit. Zo werden ze onttrokken aan de lokale burgerlijke rechtspraak en konden ze genieten van de privileges van de universiteit. Ze kwamen zo wel onder toezicht van de universitaire rector en die is enkele malen moeten tussenkomen. In 1601 verzocht Karel van Croÿ de rector tussen te komen wanneer bleek dat het klooster juwelen en kerkschatten verkocht zou hebben.

Van in het begin kwam de priorij regelmatig in opspraak. De tucht verslapte zienderogen. Afgaande op de klachten die regelmatig binnenkwamen, werd het klooster een duiventil waar van de “stabilitas loci” en de “clausura” nog weinig overbleef.

In 1547 kloeg Filips II van Croÿ bij de provinciaal in Parijs: “que nos religieulx de Hevre recoivent indistinctement a toute heure et sans propos tant pardevant que par derriere tous allants et  venant mesmes les femmes qui y ont faict puis naguerres grande insolence.”

In 1567 stortte broeder S. Scohier zijn hart uit bij Filips III van Croÿ. Onderwerp van de klachten waren de houding en het gedrag van zijn prior die de statuten en de orderegel niet zou naleven en de liturgische diensten zou verwaarlozen. Ondertussen ging hij wel uit en inviteerde gasten uit de stad voor het diner en het souper, zelfs op vastendagen. Er was ook sprake van “ébriétés et conversations en diverse tavernes de Louvain.”

In de tweede helft van de zestiende eeuw leed de priorij van Heverlee zwaar onder de Godsdienstoorlogen. In 1566 werden ze gealarmeerd door geruchten over plunderende geuzen en vluchten naar hun refugehuis in de buurt van de Sint-Kwintenskerk van Leuven. De beeldenstormers lieten Leuven links liggen waardoor de meeste kerken en kloosters gespaard bleven. In 1578 vluchtten ze opnieuw naar de stad waar ze deze keer getroffen werden door de grote pestepidemie. In 1583 werd de kostbare inboedel grotendeels gespaard door de beeldenstormers die uit Brussel kwamen afgezakt. Religieuzen verkochten wel zelf kunstschatten om de financiële noden te lenigen. Het herstel in de zeventiende eeuw verliep zeer moeizaam. Dat blijkt onder andere uit de rapporten die opgesteld werden naar aanleiding van visitaties.

In 1602 liet de pauselijke nuntius een visitatie uitvoeren. Volgens het verslag was er van de orde en de tucht in dit ooit strenge huis niets overgebleven. Er werden plannen gemaakt om de celestijnen te vervangen door Engelse benedictijnen die er een college zouden kunnen inrichten voor de vorming van missionarissen in het Anglicaanse Engeland.

Volgens het verslag van de visitatie in 1618 leidden tien monniken in afwezigheid van de prior een volstrekt ongeregeld leven. Deze prior, Jan Kerremans was ook goederenbeheerder van de benedictinessen van Groot-Bijgaarden. Daar werd hij genoemd in hardnekkige geruchten over ongepaste omgang met de zusters. Ondanks bescherming van hogerhand werd hij in 1622 afgezet en opgesloten maar hij wist te ontsnappen en vluchtte naar Engeland. Johannes Drusius, abt van de abdij van het Park, herstelde de tucht. De hervorming kon onder controle van Franse priors een halve eeuw voortgezet worden.

In de achttiende eeuw waren er nieuwe klachten over gang van zaken bij de celestijnen in Heverlee maar meer nog in de Franse priorijen. De Commission des Réguliers, ingesteld door Lodewijk XVI, oordeelde dat de celestijnenorde volledig decadent geworden was. Alle Franse priorijen werden met instemming van de paus opgeheven tussen 1774 en 1789. De priorij in Heverlee werd door de Oostenrijkse keizer Jozef II opgeheven in 1783. De Italiaanse priorijen hadden rond 1600 een hervorming voorgesteld door kardinaal Bellarmino aanvaard maar toch werden de priorijen in het koninkrijk Napels in 1807 gesloten en in 1810 in de rest van Italië. Dit betekende het definitieve einde van de celestijnenorde. Een poging tot herstel in Frankrijk in de tweede helft van de negentiende eeuw leverde niets op.

Het testament van Willem van Croÿ

In oktober 1520 verliet Willem van Croÿ zijn kasteel in Heverlee. Niemand kon toen vermoeden dat het zijn laatste reis zou worden ook al had hij op 7 oktober zijn testament gemaakt. Daarin had hij zijn neef Filips universeel erfgenaam gemaakt en zijn vrouw Maria van Hamal levenslang vruchtgebruik op de erfgoederen gegeven.

Op 22 oktober woonde hij in Aken de kroningsplechtigheid van Keizer Karel bij waarna hij naar Worms vertrok om er de Rijksdag bij te wonen. Hij kwam er aan op onnozelekinderendag (28 december). De Rijksdag begon op 21 januari.

edict van Worms

(c) Wikipedia

Dit zou de belangrijkste Rijksdag in de geschiedenis worden. De gevolgen van het edict van Worms zijn nog steeds duidelijk zichtbaar in het huidige Europa. Toen werd Europa verdeeld in een protestants noorden en een katholiek zuiden.

In 1517 maakte Maarten Luther zijn Vijfennegentig Stellingen bekend. Hij voegde ze bij een brief aan aartsbisschop Albrecht van Mainz. Deze stellingen waren bedoeld als inleiding voor een theologisch debat. De stellingen, origineel geschreven in het Latijn zouden zeer snel vertaald en verspreid worden. In 1519 werden de stellingen de eerste maal veroordeeld door de theologische faculteiten van de universiteiten van Keulen en Leuven. Paus Leo X liet de stellingen onderzoeken door commissies. In 1520 vaardigde paus Leo X de bul “Exsurge domine” uit waarin Luther bedreigd werd met excommunicatie wanneer hij zijn stellingen niet terugnam. Wanneer Luther de ban verbrandde, volgde de excommunicatie, officieel gedecreteerd in de bul “Decet Romanum Pontificum” uitgevaardigd op 3 januari 1521. In april 1521 weigerde Luther nogmaals zijn stellingen terug te nemen en werd hij in het edict van Worms in de rijksban gedaan. Luther werd vogelvrij verklaard en de verbranding van zijn geschriften werd geboden.

exsurge domine

De dag nadat Luther in de ban was gedaan besloot keizer Karel een coalitie aan te gaan met paus Leo X tegen Frans I, koning van Frankrijk. Daarmee was de rol van Willem van Croÿ als adviseur van de keizer uitgespeeld.

Ook op familiaal vlak kreeg Willem van Croÿ klappen. Op 6 januari 1621 overleed zijn neef  en naamgenoot, de kardinaal van Toledo op drieëntwintigjarige leeftijd. Hij maakte in Worms deel uit van het keizerlijke gevolg. Na een dienst vol pracht en praal werd de kardinaal naar Aarschot overgebracht.

In mei 1521 werd Willem van Croÿ zelf ziek. Door koortsen bevangen werd hij naar de bisschoppelijke residentie in Worms overgebracht. Op 24 mei werd hij door de doctors opgegeven en in de nacht van 27 op 28 mei 1521 overleed hij. De rouwdienst in Worms werd bijgewoond door het keizerlijke hof au grand complet, keizer Karel inbegrepen. De eigenlijke teraardebestelling volgde veertien dagen later in Aarschot. Willem van Croÿ werd voorlopig begraven in het koor van de Onze-Lievevrouwekerk van Aarschot. Ook deze uitvaartdienst werd bijgewoond door de keizer die de overledene uitzonderlijk eerde.

Het uitzonderlijk eerbewijs van keizer Karel bij de uitvaart van Willem van Croÿ had misschien ook te maken met de geheime schenking van vijfhonderdduizend dukaten die Willem de keizer naliet. Verder liet Willem van Croÿ tienduizend dukaten na te verdelen onder het huispersoneel en tienduizend pond van veertig Vlaamse Groten “pour marier povres filles ou les mettre en cloistre”. Om zijn zielenrust te verzekeren moesten er binnen het jaar tienduizend missen gelezen worden. De belangrijkste stichting in het testament was wel de grafkerk met bijhorend convent. Daarin wou hij na de voltooiing bijgezet worden in een “Sépulture honorable”

De laatste wilsbeschikking werd opgetekend in Worms op 21 mei 1521. De eerste secretaris van de keizer, Johannes Hannart, deed dienst als notaris. Het testament dat eerder in Heverlee was opgemaakt bleef geheel van kracht, een groot deel van de laatste versie was gewijd aan de stichting, de bouw en de financiering van het convent, een priorij voor vierentwintig religieuzen van de celestijnenorde. Het klooster moest plaats bieden aan twaalf priesters, zes lekenbroeders en zes leken. Deze laatsten moesten gekozen worden uit de bejaarde onderdanen van het huis van Aarschot. De priesters moesten instaan voor de bediening van de kerk met het praalgraf van de schenker.

De stichting werd in 1522 officieel goedgekeurd door de keizer en de paus. Keizer Karel gaf zijn goedkeuring als hertog van Brabant en ook de paus was een goede bekende want ondertussen was Adriaan van Utrecht paus Adrianus VI geworden.

De financiering zou gebeuren via een jaarrente van 1200 gouden schilden (écu’s) of 1440 gulden afkomstig uit aan te kopen gronden of erfrechten. Dit geldt mocht net zo min als andere verworven goed afkomstig zijn uit het markgraafschap Aarschot.

De uitvoering van het testament werd toevertrouwd aan de weduwe, Maria van Hamal. Die heeft zich kordaat en met grote stiptheid van haar opdracht gekweten. Zij verwierf de nodige fondsen door de aankoop van gronden in de heerlijkheid Beveren in het Graafschap Vlaanderen. Toen het Waasland in 1530 en 1532 geteisterd werd door zware overstromingen, was Hamal verplicht vijfhonderd gulden extra jaarrente te zoeken. Die haalde zij uit ommeland van Diest en Zichem. Er was ook een jaarrente voorzien van tweehonderd rijksgulden voor de armen van de Heerlijkheid Heverlee. De celestijnen moesten deze zes maal per jaar voedselhulp of aalmoezen verstrekken. Tien jaar later was de markgravin bereid acht extra kloosterlingen te bekostigen. Daarvoor voorzag ze een rente van zesduizend dukaten.

glasraam-koppel

Victoria ans Albert museum. London

Maria van Hamal was ook buiten deze testamentaire opdracht gul: in Leuven stichtte ze nog een klooster voor annunciaten en in het Groot Begijnhof een convent voor dertien arme begijnen, nu gekend als het Huis van Chièvres en bekostigde ze een cel in de Kartuis.

Huis_van_chievres

De werkzaamheden aan de kerk en het klooster startten in juni 1521 en in september 1526 was de kerk voltooid. Aan het klooster zou nog een tijd worden voortgewerkt.

Heverlee en het geslacht de Croÿ. Deel 2

Karel III van Croÿ (1560-1612)

Karel III van Croÿ studeerde aan het Drietalencollege. In 1577 trad hij in dienst bij de landvoogd don Juan van Oostenrijk. Na diens aanval op Namen ontvluchtte hij het geweld in de Nederlanden.

In 1580 trouwde hij met Maria van Brimeu, overtuigde calviniste. In 1582 legde hij openbaar de geloofsbelijdenis van de hervormde godsdienst af. Hij werd stadhouder van Vlaanderen in opdracht van de Staten van Vlaanderen. Wanneer in 1584 de verzoening met Filips II ondertekend werd, nam Karel ontslag als stadhouder. Hij trad in 1584 opnieuw toe tot de katholieke kerk en liet zich scheiden van zijn calvinistische vrouw. Hij werd militair commandant in dienst van de Spaanse koning en nam deel aan de belegeringen van Grave, van Venlo en Neuss. Hij belegerde en veroverde Bonn en nam deel aan de veldtocht tegen Frankrijk. In 1592 werd hij als beloning benoemd tot Grande van Spanje van de eerste klasse en stadhouder van Henegouwen en Valencienne. In 1595 nam hij een tweede maal deel aan een veldtocht tegen Frankrijk.

Na de dood van zijn vader in 1595 kwam hij in het bezit van een uitgebreid domein waarvan het beheer hem nog weinig gelegenheid liet tot militaire actie.

In 1597 benoemde aartshertog Albrecht van Oostenrijk hem tot stadhouder van Artesië. In 1598 onderhandelde hij mee de Vrede van Vervins tussen Spanje en Frankrijk. Bij die gelegenheid verhief de Franse koning de heerlijkheid Croÿ in Picardië tot hertogdom. In 1599 werd hij ridder in de Orde van het Gulden Vlies.

Karel spendeerde een groot deel van zijn fortuin aan het aankopen van kunstwerken en boeken die hij bewaarde in zijn kasteel in Beaumont. Voor het beheer van zijn domein werkte hij een reglementering uit geïnspireerd op Nederlandse voorbeelden.

Hij gaf aan de schilder Adrien de Montigny de opdracht al zijn bezittingen en alle provincies waar hij een hoge functie vervulde, in kaart te brengen. Dit werden de beroemde Albums de Croÿ, tweeduizend vijfhonderd miniaturen gebundeld in ruim twintig folianten, een uitzonderlijk tijdsdocument met uniek beeldmateriaal.

album croy

Als boekenliefhebber had Karel van Croÿ ook goede contacten met de geleerde wereld. Zijn goede relatie met een van de geleerdste mannen van zijn tijd, Justus Lipsius, was als het ware voorbestemd. Deze twee hadden meer gemeen dan de liefde voor de literatuur. Beiden zijn ook afgedwaalde schapen die teruggekeerd zijn naar de katholieke schaapstal en naast hun liefde voor boeken deelden ze ook een liefde voor bloemen en tuinen.

Justus Lipsius droeg zijn beroemd tractaat “De bibliothecis syntagma”, een opstel over antieke bibliotheken, op aan de hertog. Karel van Croÿ had in zijn kasteel van Beaumont een bibliotheek met zo’n drieduizend manuscripten, veruit de grootste privébibliotheek in haar tijd. Justus Lipsius hoopte dat Karel zijn bibliotheek zou overgebracht hebben naar Heverlee waar ze de basis zou kunnen vormen van een nog op te richten Leuvense universiteitsbibliotheek. Als Milaan haar Ambrosiana kreeg en Oxford haar Bodleian, waarom zou Leuven dan geen Celestina kunnen gekregen hebben. Deze bibliotheek kon een plaats krijgen in het kasteel of in het Celestijnenklooster, in ieder geval in de buurt van het college waar zowel Lipsius als Karel van droomden.

Justus Lipsius droeg ook zijn laatste werk, “Lovanium: sive opidi et academiae eius descriptio libri tres” (Leuven: beschrijving van de stad en haar universiteit, in drie boeken) aan “Illmo et Excelmo principe Carolo, duci Croyo et Arschotano, S.R.I. Principe, Equiti aurei velleris.” (Aan de doorluchtige en uitmuntende Prins Karel, hertog van Croÿ en Aarschot, Prins van het Heilig Roomse Rijk, Ridder van het Gulden Vlies. In dit boek wandelt Lipsius met vier leerlingen, onder wie de broer van Rubens, en zijn twee honden, Mops en Mopsulus, van de Kesselse bergen tot in Heverlee. Op de bijgevoegde ets met een geïdealiseerd panorama van Heverlee staat het kasteel centraal geflankeerd door links het Celestijnenklooster en rechts de Sint-Lambertuskerk.

(c) Wikipedia

(c) Wikipedia

Na zijn terugkeer tot het katholieke geloof had Karel een scheiding van tafel en bed met zijn calvinistische vrouw Maria van Brimeu. Dit huwelijk bleef dan ook kinderloos.

Acht maanden na het overlijden van Maria van Brimeu, op 18 april 1605, hertrouwde Karel met zijn nicht Dorothea van Croÿ, dochter van zijn oom Karel Filips van Croÿ, markies van Havré. Ook dit huwelijk bleef zonder nakomelingen.

dorothea

(c) KU Leuven

Dorothea van Croÿ was bevriend met aartshertogin Isabella met wie ze samen aan goede werken deed en ze was de doopmeter van een van de kinderen van Eyricus Puteanus, de opvolger van Justus Lipsius aan de Leuvense universiteit.

Bij het overlijden van Dorothea van Croÿ kwam er een einde de tak Croÿ-Aarschot. Karel II was de laatste Croÿ die de titel Hertog van Aarschot mocht dragen. Karel had in een laatste poging om de hertogstitels van Croÿ en Aarschot in de familie te houden zijn schoonvader Karel Philips van Croÿ hertog van Havré als familiehoofd aangeduid. De erfenis werd verdeeld tussen enerzijds de kinderen van zijn zuster Anna van Croÿ, die met Karel van Arenberg getrouwd was, en anderzijds de familietak Croÿ-Havré. Het hertogdom Aarschot, het vorstendom Chimay, en het graafschap Beaumont kwamen zo in handen van het huis Arenberg. Het hertogdom Croÿ en het vorstendom Château-Porcien en kleinere heerlijkheden kwamen aan Karel Alexander van Croÿ. Daarmee kwam het kasteel van Heverlee en het Celestijnenklooster in handen van de familie van Arenberg. De Arenbergs bleven hertog van Aarschot tot het einde van het Ancien Régime.

“Karel van Arenberg en Anne van Croÿ met familie” door F. Pourbus Jr. (c) Wikipedia

Het kasteel van Heverlee.

De oudste vermelding dateert van 1371: dan is er sprake van een “zware donjon” gebouwd door Raas van Graven, gesloopt op een niet nader bepaald tijdstip. Ook de eerste Croÿs woonden nog in een versterkte woontoren die zich ongeveer in de zuidwestelijke hoek van de binnenplaats van het huidige kasteel bevond. Mogelijk werd deze donjon in de vijftiende eeuw uitgebreid met een woonvleugel vergezeld van twee traptorens. Dit zou de in 1644 afgebrande westvleugel geweest zijn.

(c) Universiteitsarchief KU Leuven

(c) Universiteitsarchief KU Leuven

Willem van Croÿ kan beschouwd worden als de bouwheer van het huidige Arenbergkasteel. Tijdens zijn verblijf in Italië, waar hij aan de zijde van de Franse koning strijdt voor de herovering van Napels, komt hij in contact met de renaissance. Bij zijn terugkeer brengt hij talrijke kunstwerken, meubels en handschriften mee en de volgende jaren laat hij de primitieve burcht ombouwen tot een prachtig lustslot gebouwd in streekeigen materialen, met de kenmerkende afwisseling van bak- en zandsteen. Ook al is het versierd met laatgotische ornamenten, zijn de renaissancecontouren duidelijk herkenbaar. De peervormige torenspitsen zijn getooid met de dubbele adelaar van Habsburg. De heer en de vrouw hadden elk hun eigen appartementen in de torens: de oosttoren was van haar, de westtoren van hem. De bouwheer en zijn dame zijn overal aanwezig in het interieur, onder andere door de vele kruisen – verwijzend naar Croÿ (croix) – en geiten – verwijzend naar Chièvres (chèvre) – in de versiering.

Karel II van Croÿ liet de donjon afbreken en plande een nieuwe noord- en oostvleugel, geflankeerd door torens,  naar het voorbeeld van  wat er al stond. Deze ambitieuze plannen zijn wel zichtbaar op tekeningen maar ze zijn nooit gerealiseerd.

Bij de dood van Karel II en Dorothea van Croÿ kwam ook het kasteel in handen van de familie van Arenberg die het tot in 1914 zouden behouden.

In de achttiende eeuw werd de Parijse architect Charles de Wailly naar Leuven gehaald om het kasteel aan te passen aan zijn tijd. De neogotiekers Joris Helleputte en Joseph Claes maakten in de negentiende eeuw het kasteel middeleeuwser dan het ooit geweest is. Claes is verantwoordelijk voor de neogotische kapel in de voorgevel. In de twintigste eeuw draaide Raymond Lemaire de  neogotische aanpassingen gedeeltelijk terug. Het drieledig raam boven de inkompoort en het halfronde dakraam zijn ontworpen door Paul Van Aerschot.

Literatuur (2 delen)

  • Marc Derez e.a. Arenberg in de Lage Landen: een hoogadellijk huis in Vlaanderen & Nederland. Leuven: Universitaire Pers, 2002
  • Marc Derez & Anne Verbruggen. De Celestijnenpriorij: van klooster tot bibliotheek. Leuven: Universitaire Pers, 2005
  • Justus Lipsius, Jan Papy (vert.) Leuven: beschrijving van de stad en haar universiteit. Leuven: Universitaire pers, 2000
  • Geert Vanpaemel & Tineke Padmos: Wereldwijs: wetenschappers rond Keizer Karel. Leuven: Davidsfonds, 2000
  • Marc Derez & Anne Verbruggen. Open Monumentendag Leuven, 12 september 1999
  • Wikipedia: de vrije encyclopedie. https://nl.wikipedia.org
  • Inventaris onroerend erfgoed. https://inventaris.onroerenderfgoed.be

Heverlee en het geslacht van Croÿ. deel 1

In het begin van de achtste eeuw maakte Heverlee deel uit van de domeinen van de bisschop van Luik. In de twaalfde eeuw wordt Heverlee bij het graafschap Leuven ingelijfd. De heerlijkheid omvatte toen Oud-Heverlee, Vaalbeek en Bertem. De heren van Heverlee hadden hun versterkte burcht op de plaats van het huidige Arenbergkasteel.

Het geslacht van Croÿ

anton

(c) Wikipedia

In 1445 koopt Anton van Croÿ de heerlijkheid van de berooide heer van Heverlee, Raas van Graven (Grez) die sinds de stichting van de universiteit (1425) ook meier van Leuven was.

Croÿ is een heerlijkheid aan de Somme. Ze beweerden dat ze afstamden van de koning van Hongarije en via die omweg van Adam en Eva. Huizinga rekent hen in “Herfsttij der Middeleeuwen” tot de grote parvenu’s van het Bourgondische tijdperk met een neus voor “douceurs” en “faveurs” (schenking en begunstiging). Eerst werkten ze zich in de gunst van de Bourgondiërs, daarna bij de Habsburgers.

Anton, ook de Grote Croÿ genoemd (ca 1385-1475), stond in de gunst van Filips de Goede die hem bij de oprichting van de orde van het Gulden Vlies onmiddellijk opnam als ridder. Anton werd raadsman en kamerheer, en stadhouder in Namen en Luxemburg. In Henegouwen kreeg hij de heerlijkheden Chièvres en Beaumont en door huwelijk kwam hij in het bezit van Aarschot en Bierbeek. Wanneer Karel De Stoute aan de macht kwam in Bourrgondië (1467), liet hij de eigendommen van de Croÿs confisqueren. Als antwoord ging de Grote Croÿ samenspannen met de Franse koning. In 1473 deed hij op achtentachtigjarige leeftijd een knieval en verkreeg alsnog genade en restitutie van zijn goederen.

Anton van Croÿ huwde twee maal en had zeven kinderen.

Rogier van der Weyden. Portret van Filips van Croÿ (c) Wikipedia

Rogier van der Weyden. Portret van Filips van Croÿ (c) Wikipedia

Zijn zoon Filips I van Croÿ (1435-1511) werd de stamvader van de Aarschotse tak. Hij werd samen met Karel De Stoute opgevoed. In 1471 liep hij in een conflict tussen Frankrijk en Bourgondië met zeshonderd soldaten over naar het Franse kamp. In 1475 verzoende hij zich met Karel De Stoute en diende nadien voor Maria van Bourgondië en regelde het huwelijk met Maximiliaan van Oostenrijk. Daarmee komen de Nederlanden in handen van de Habsburgers.

Willem van Croÿ (1458-1521)

Willem van Croy

(c) Wikipedia

Willem van Croÿ trouwde omstreeks 1485 met Maria van Hamal. Bij de keizerskroning van Maximiliaan van Oostenrijk (1486) wordt hij door de keizer zelf tot ridder geslagen. Later wordt hij ridder van het Gulden Vlies (1491), raadsheer en kamerheer.

Willem van Croÿ, ook gekend als Willem van Chièvres of kortweg Chièvres, werd in 1459 in Picardië geboren als telg uit een geslacht dat sinds verschillende generaties in dienst stond van de hertogen van Bourgondië. In 1483 koopt hij de heerlijkheid Rance en twee jaar later verwerft hij van zijn vader Beaumont, Heverlee en Chièvres. Sindsdien draagt hij de titel Heer van Chièvres. In 1488 huwt hij met Maria-Magdalena van Hamal, weduwe van Adolf de la Marck.

Willem van Croÿ was één van de belangrijkste politieke figuren in de Nederlanden en stapelde de politieke ambten op. Hij werd lid van de Geheime Raad, voorzitter van de Raad van Financiën, stadhouder van Namen en bekleedde daarnaast nog een aantal lokale ambten. Hij gaat in Parijs onderhandelen over een toekomstig huwelijk van Karel V met de dochter van de Franse koning. Karel V was toen 2 jaar.

Wanneer Filips de Schone in 1505 naar Spanje reisde om zich als Spaanse koning te laten kronen werd Willem van Croÿ aangesteld als regent van de Habsburgse Nederlanden en in 1509 werd hij benoemd als opvoeder-gouverneur van de kleine Karel V. Hij bracht de toekomstige keizer nieuws over de militaire en diplomatieke ontwikkelingen, bondgenootschappen, veldtochten en veldslagen, over de correspondentie met vorsten en gezanten en  over de rechten en plichten van de Bourgondische vorsten. Willem van Croÿ haalde Karel weg van het Mechelse hof van Margaretha van Oostenrijk om zijn eigen invloed op zijn leerling te versterken. Hij sliep zelfs in dezelfde kamer als Karel.

Een andere leraar van de latere keizer was Adriaan van Utrecht, de latere Nederlandse paus Adrianus VI. Dit onderricht in Latijn, godsdienst en vrije kunsten interesseerde de jonge Karel maar matig. De pogingen om de latere keizer in contact te brengen met de nieuwe denkbeelden, het Humanisme en de Moderne Devotie, hadden blijkbaar weinig succes. Karel voelde zich meer aangetrokken door het laatmiddeleeuwse ridderideaal zoals die door de orde van het Gulden Vlies levend werd gehouden.

Jan van Scorel. Portret van Adriaan van Utrecht (c) Wikipedia

Jan van Scorel. Portret van Adriaan van Utrecht (c) Wikipedia

Niet iedereen was even gelukkig met de dominante invloed van Willem van Croÿ op de toekomstige vorst. Op het vlak van buitenlandse politiek stond Chièvres lijnrecht tegenover de Habsburgers Maximiliaan en Margareta. Willem van Croÿ slaagde erin Karel op vijftienjarige leeftijd mondig te verklaren zodat hij zelf de lakens kon blijven uitdelen.

Vanaf 1517 richtten Willem van Chièvres en Karel hun aandacht op Spanje en voeren ze de druk op Johanna “de waanzinnige” op om haar soevereiniteit over te dragen aan haar zoon. Chièvres en anderen uit Karels omgeving haalden lucratieve postjes binnen en verpatsten niet zelden de opbrengsten. Deze inhaligheid en de toestroom van Vlaamse (en Bourgondische) gunstelingen bezorgden de “Flamencos” in Spanje dezelfde reputatie die de Spanjaarden een halve eeuw later in onze streken zouden krijgen.

Karels voormalige leermeester Adriaan van Utrecht moest voorkomen dat Karels jongere broer Ferdinand in Spanje als troonopvolger zou benoemd worden. Als dank voor bewezen diensten kreeg hij het bisdom Tortosa. Bij Karels terugkeer naar het noorden kreeg Adriaan – tegen zijn zin – het regentschap over Spanje en werd hij de feitelijke regeringsleider.

Het meest geruchtmakende voorbeeld van nepotisme was de blitzcarrière van kanunnik Willem van Croÿ. Het neefje en naamgenoot van Chièvres die op negentienjarige leeftijd aartsbisschop van Toledo en primaat van Spanje. De katheder van Toledo was het best betaalde kerkelijke ambt op het Iberisch schiereiland. Voordien was Chièvres er al in geslaagd om de kerkelijke hiërarchie in de Nederlanden gaandeweg om te vormen tot een familieholding van de Croÿ’s. Ooms en neven volgden elkaar op de katheder op Terwaan, Atrecht, Kamerijk en Doornik.

Willem kanunnik

(c) Wikipedia

De benoeming van een vreemde minderjarige zonder bijzondere verdiensten die bovendien weigerde in zijn eigen bisschopsstad te gaan wonen, was een van de elementen die zou leiden tot de “Opstand van de Comunidades”, de Spaanse steden, die in de bloed gesmoord werd en die de “Flamencos” hetzelfde imago bezorgde als de Spaanse bezetters in Vlaanderen onder Filips II een halve eeuw later.

Als dank voor bewezen diensten verheft Karel V in 1518 de heerlijkheid Heverlee tot baronie en voegt het toe aan het markizaat Aarschot.

In 1521 vertrekt hij met keizer Karel naar Worms voor de Rijksdag. Tijdens zijn verblijf wordt hij ernstig ziek en op 21 mei 1521 laat hij zijn laatste wilsbeschikking vastleggen ter aanvulling van het testament dat hij kort vóór zijn vertrek had opgesteld. Hij overlijdt op 27 mei 1521. Na een plechtige dienst in Worms wordt hij overgebracht naar Aarschot waar hij wordt bijgezet in de Onze-Lieve-Vrouwekerk.

Het huwelijk van Willem van Croÿ met Maria-Magdalena van Hamal bleef kinderloos en hij werd opgevolgd door zijn neef Filips.