Categorie archief: Uncategorized

Cornelius Jansenius en het Jansenisme

De Hollander Cornelius Jansen begon zijn carrière aan de universiteit van Leuven als student in de pedagogie de Valk. Hij werd er primus in de artes. Hij vervolgde zijn studentenloopbaan als theologant aan het Pauscollege. Daar werd hij sterk beïnvloed door de theologie van Jansonius en Baius. Daarna studeerrde hij nog in Parijs en Bayonne.

Na zijn studies wordt hij professor in de exegese en de eerste president van het Hollandcollege dat in het begin van de 17e eeuw werd opgericht als studieplaats voor theologiestudenten van het bisdom Haarlem. Daar zal hij de meeste tijd doorbrengen in een oude toren van de eerste ringmuur, die nu nog bekendstaat als de Janseniustoren.

Aan het einde van zijn leven wordt hij benoemd als bisschop van het bisdom Ieper maar hij sterft drie jaar later aan de pest.

Hij zal echter vooral na zijn dood beroemd en berucht worden omwille van zijn levenswerk dat postuum gepubliceerd wordt: “Augustinus, sive doctrina Sti. Augustini de humanae naturae sanitate, aegritudine, medicina etc. “of kortweg Augustinus. Daarin heeft hij zijn interpretatie van de predestinatieleer van deze kerkvader en zijn idee over de vrije wil die regelrecht ingaat tegen de leer van de kerk zoals die werd vastgelegd in het concilie van Trente. Om deze reden wordt het Jansenisme wel eens ten onrechte in verband gebracht met het calvinisme.

Het jansenisme is zowel een theologie als een politieke stroming. Het theologisch jansenisme legt, zoals gezegd, de nadruk op de predestinatieleer, maar ze verwerpt tegelijkertijd de onfeilbaarheid van de paus en de onbevlekte ontvangenis van Maria.

Op het politiek vlak verzet het jansenisme zich vooral tegen het absolutisme van de Franse koning. Ze wordt daarbij gesteund door het Franse parlement en is vooral populair bij advocaten en in de magistratuur.

Het jansenisme wordt vooral bestreden door de jezuïeten. Het wordt tot driemaal toe veroordeeld door de kerk:  namelijk in de bullen “Cum occasione “ (1653), “Vineam Domini” (1705) en “Unigenitus” (1713).

Het eerste centrum van het jansenisme is het vrouwenklooster Port-Royal des Champs, ten zuidwesten van Parijs en kort bij Versailles. “De belangrijkste persoon is Antoine Arnault. Een andere gekende aanhanger is de filosoof en wetenschapper Blaise Pascal. Dit klooster wordt in 1709 door Lodewijk XIV opgeheven en een jaar later afgebroken. De belangrijkste leiders vluchten naar de zuidelijke Nederlanden. Daar kent het een zekere aanhang aan de Leuvense universiteit bij professoren zoals Petrus Stockmans en Zeger Bernard Van Espen.

In de noordelijke Nederlanden zorgt het jansenisme voor een heuse kerkscheuring: het Utrechts schisma. Dit ontstaat wanneer het Utrechts kapittel zelf een opvolger kiest voor een van jansenisme verdachte bisschop. Dit geeft aanleiding tot het ontstaan van de Oud-bisschoppelijke clerezie wat later wel bekend worden als de Oudkatholieke Kerk. Deze telt op dit ogenblik nog steeds een dertigtal parochies in Nederland een volgens de laatste gegevens 4500 à 5000 leden.

Wie was Rembert Dodoens?

De familie Dodoens komt oorspronkelijk uit Friesland. De vader kwam naar Leuven om geneeskunde te studeren en werd na zijn studies stadsgeneesheer in Mechelen. De moeder van Rembert Dodoens kwam uit een familie met verschillende stadsgeneesheren in Mechelen. Dodoens kwam dus uit een gegoede familie die een medische interesse stimuleerde.

Rembert Dodoens gaat in Leuven geneeskunde studeren en studeert ook aan het Drietalencollege. Daar wordt het medisch onderwijs dat gebaseerd is op originele bronnen, in plaats van op vertalingen, gepropageerd.

De eerste jaren na zijn studies houdt Rembert Dodoens zich bezig met kosmologie en kosmografie. Dit heeft hij geleerd bij zijn leermeester Gemma Frisius. Uit zijn werk blijkt dat hij Nicolaas Copernicus kent maar hij neemt geen standpunt in in de discussie rond het heliocentrisme of het geocentrisme.

In 1541 wordt Dodoens stadsgeneesheer in Mechelen, een functie die hij 33 jaar zal bekleden. In 1557 wordt hem een leerstoel aan de Universiteit van Leuven aangeboden maar hij weigert dit omwille van een conflict rond zijn loon. Hij wordt wel lijfarts van keizer Maximiliaan II en op 65-jarige leeftijd gaat hij doceren aan de Universiteit van Leiden en hij zal dit doen tot zijn dood in 1585.

Ondertussen kent hij ook de nodige tegenslagen. Hij verliest zijn vrouw en zijn huis wordt geplunderd door Spaanse troepen.

In zijn eerste geneeskundige werk, het Koortsenboek, brengt Rembert Dodoens correcties en aanvullingen aan op een Byzantijnse medische encyclopedie vertaald uit het Grieks in het Latijn. In de traditie van het Drietalencollege vergelijkt hij de Latijnse vertaling met het originele handschrift. Op het einde van zijn leven schrijft hij een boek over zeldzame en speciale ziekten dat wordt uitgegeven bij Christoffel Plantijn in Leiden.

Als geneesheer was hij ook geïnteresseerd in plantkunde. In 1543 verschijnt zijn vertaling in het Nederlands van het werk van Leonhart Fuchs. In een 1554 verschijnt zijn belangrijkste werk, het Cruydeboeck. Dit werk is – opmerkelijk – geschreven in het Mechels dialect. Pas in 1583 verschijnt een Latijnse vertaling bij Christoffel Plantijn in Antwerpen.

cruydeboeck

De bijdrage van Rembert Dodoens tot de plantkunde is zonder twijfel vernieuwend te noemen. Ten eerste gaat hij zelf op zoek naar planten en beschrijft ze. Ten tweede verwerpt hij de algemeen aanvaarde theorie dat medicinale planten een “teken” hebben waaruit de werking van de plant kan worden afgeleid. In de plaats daarvan onderzoekt hij lang en grondig nieuwe medicijnen. De belangrijkste vernieuwing was de invoering van een classificatie van de planten. Hij ging de planten niet meer alfabetisch rangschikken maar volgens bepaalde uiterlijke kenmerken. Zo is hij de voorloper van Carolus Linnaeus die de plantensystematiek definitief zal uitwerken. Om alle kenmerken goed te kunnen weergeven zijn degelijke illustraties van cruciaal belang. Het Cruydeboeck is geïllustreerd door de uitstekende Mechelse illustrator Pieter van der Borcht.

Sinds einde vorig jaar is Rembert Dodoens vereeuwigd door een beeld(je) van Ad Wouters in de kruidtuin van Leuven.

Wie was Justus Lipsius?

Op 18 oktober 1546 werd Joost Lips geboren in Overijse. Hij was de zoon van rijke ouders. In 1548 brandde het geboortehuis af maar het gezin kon zich snel een nieuw stenen huis permitteren. Vader was burger van Brussel en woonde voordien in de buurt van de Kapellekerk. Later werd hij meier in Overijse.

Zijn eerste schooljaren bracht kleine Joost door in de parochieschool van de Kapellekerk in Brussel. Daarna stuurden zijn ouders hem naar de Latijnse school in-Aat. Dat heeft maar enkele jaren geduurd want in 1559 wordt Joost naar Keulen gestuurd waar hij op 15-jarige leeftijd novice wordt bij de jezuïeten. Dat is blijkbaar niet naar de zin van de vader want hij wordt teruggeroepen.

In 1564 vinden we Justus Lipsius terug aan de universiteit in Leuven. Hij verdiept zich in de letteren aan het Drietalencollege en in de rechten. Hij zit er op “kot” bij het echtpaar Hendrik en Anna Lottyns Vande Calstere, en in 1573 huwt hij met Anna die ondertussen weduwe was geworden.

In 1565 eindigt zijn jonge leven abrupt wanneer zijn vader en kort daarna ook zijn moeder sterven. Hij wordt secretaris van kardinaal Granvelle en krijgt zo de kans mee naar Rome te reizen. Daar vindt hij het Vaticaan in volle crisis en komt hij in contact met de Romeinse oudheid en het humanisme.

In 1570 vinden we hem even terug in Leuven, in 1571 reist hij naar Wenen waar hij hoopt werk te krijgen aan het Habsburgse Hof maar dat lukt niet. Daarna reist hij via Leipzig naar die het Lutherse Jena waar hij even lesgeeft. In 1574 is hij even terug in Overijse maar voor Don Juan in 1578 Leuven belegert, is Justus Lipsius noordwaarts vertrokken om via Antwerpen de Noordelijke Nederlanden te bereiken.

In 1575 wordt in Leiden eerste universiteit van de Noordelijke Nederlanden gesticht. Justus Lipsius komt er terecht in een studentenhuis in de Breestraat waar hij inwoont bij onder andere prins Maurits, de zoon van Willem van Oranje, aan wie hij lesgeeft. Door toedoen van zijn vriend, de bibliothecaris Janus Dousa, worden zijn boeken opgenomen in de universiteitsbibliotheek. Justus Lipsius kent in Leiden een zeer vruchtbare periode. Hij wordt tot viermaal toe rector van de universiteit. Zijn werken worden gedrukt in de drukkerij van Christoffel Plantin in Antwerpen waar hij vriend aan huis wordt.

Verteerd door heimwee komt hij uiteindelijk naar Leuven terug maar omwille van de inquisitie maakt hij een omweg via Duitsland. Door toedoen van Duitse jezuïeten verzoent hij zich met de katholieke kerk. Ondertussen zijn we in 1591 beland.

In Leuven wordt hij terug docent en hij houdt er vooruitstrevende leermethodes op na. Zo laat hij zijn studenten een bloemlezing van opmerkelijke citaten samenstellen. Hij is vooral bezig met zeven inwonende studenten waaronder zijn vriend Philip Rubens, de broer van de schilder Pieter-Paul Rubens. Justus Lipsius ziet Rubens als zijn opvolger maar deze gaat verder studeren in Italië.

Justus Lipsius onderhoudt goede contacten met de hoogste kringen. Hij wordt officieel geschiedschrijver van koning Philips II en bij de Blijde Inkomstin Leuven van de Aartshertogen Albrecht en Isabella volgt het hertogelijke paar een les bij hem. In het Leuvense is hij kind aan huis in het kasteel van Karel van Croy in Heverlee.

In 1601 gaat hij op bedevaart in Halle. Zijn traktaat over de mirakels van Onze-Lieve-Vrouw van Halle wordt goed ontvangen in de Spaanse Nederlanden maar veel minder in de Noordelijke Nederlanden en in Duitsland.

Bij zijn overlijden in 1606 wordt hij begraven in de minderbroeders kerk in de huidige Minderbroedersstraat. Zijn vermeende overblijfselen bevinden zich in de kapel van het huidige Justus Lipsiuscollege.

Op 18 oktober 1546 werd Joost Lips geboren in Overijse. Hij was de zoon van rijke ouders. In 1548 brandde het geboortehuis af maar het gezin kon zich snel een nieuw stenen huis permitteren. Vader was burger van Brussel en woonde voordien in de buurt van de Kapellekerk. Later werd hij meier in Overijse

Zijn eerste schooljaren bracht kleine Joost door in de parochieschool van de Kapellekerk in Brussel. Daarna stuurden zijn ouders hem naar de Latijnse school in-Aat. Dat heeft maar enkele jaren geduurd want in 1559 wordt Joost naar Keulen gestuurd waar hij op 15-jarige leeftijd novice wordt bij de jezuïeten. Dat is blijkbaar niet naar de zin van de vader want hij wordt teruggeroepen.

In 1564 vinden we Justus Lipsius terug aan de universiteit in Leuven. Hij verdiept zich in de letteren aan het Drietalencollege en in de rechten. Hij zit er op “kot” bij het echtpaar Hendrik en Anna Lottyns Vande Calstere, en in 1573 huwt hij met Anna die ondertussen weduwe was geworden.

In 1565 eindigt zijn jonge leven abrupt wanneer zijn vader en kort daarna ook zijn moeder sterven. Hij wordt secretaris van kardinaal Granvelle en krijgt zo de kans mee naar Rome te reizen. Daar vindt hij het Vaticaan in volle crisis en komt hij in contact met de Romeinse oudheid en het humanisme.

In 1570 vinden we hem even terug in Leuven, in 1571 reist hij naar Wenen waar hij hoopt werk te krijgen aan het Habsburgse Hof maar dat lukt niet. Daarna reist hij via Leipzig naar die het Lutherse Jena waar hij even lesgeeft. In 1574 is hij even terug in Overijse maar voor Don Juan in 1578 Leuven belegert, is Justus Lipsius noordwaarts vertrokken om via Antwerpen de Noordelijke Nederlanden te bereiken.

In 1575 wordt in Leiden eerste universiteit van de Noordelijke Nederlanden gesticht. Justus Lipsius komt er terecht in een studentenhuis in de Breestraat waar hij inwoont bij onder andere prins Maurits, de zoon van Willem van Oranje, aan wie hij lesgeeft. Door toedoen van zijn vriend, de bibliothecaris Janus Dousa, worden zijn boeken opgenomen in de universiteitsbibliotheek. Justus Lipsius kent in Leiden een zeer vruchtbare periode. Hij wordt tot viermaal toe rector van de universiteit. Zijn werken worden gedrukt in de drukkerij van Christoffel Plantin in Antwerpen waar hij vriend aan huis wordt.

Verteerd door heimwee komt hij uiteindelijk naar Leuven terug maar omwille van de inquisitie maakt hij een omweg via Duitsland. Door toedoen van Duitse jezuïeten verzoent hij zich met de katholieke kerk. Ondertussen zijn we in 1591 beland.

In Leuven wordt hij terug docent en hij houdt er vooruitstrevende leermethodes op na. Zo laat hij zijn studenten een bloemlezing van opmerkelijke citaten samenstellen. Hij is vooral bezig met zeven inwonende studenten waaronder zijn vriend Philip Rubens, de broer van de schilder Pieter-Paul Rubens. Justus Lipsius ziet Rubens als zijn opvolger maar deze gaat verder studeren in Italië.

Justus Lipsius onderhoudt goede contacten met de hoogste kringen. Hij wordt officieel geschiedschrijver van koning Philips II en bij de Blijde Inkomstin Leuven van de Aartshertogen Albrecht en Isabella volgt het hertogelijke paar een les bij hem. In het Leuvense is hij kind aan huis in het kasteel van Karel van Croy in Heverlee.

In 1601 gaat hij op bedevaart in Halle. Zijn traktaat over de mirakels van Onze-Lieve-Vrouw van Halle wordt goed ontvangen in de Spaanse Nederlanden maar veel minder in de Noordelijke Nederlanden en in Duitsland.

Bij zijn overlijden in 1606 wordt hij begraven in de minderbroeders kerk in de huidige Minderbroedersstraat. Zijn vermeende overblijfselen bevinden zich in de kapel van het huidige Justus Lipsiuscollege.

Peter_Paul_Rubens_118

De vier filosofen door Peter Paul Rubens, 1611. Van links: Peter Paul Rubens, Philip Rubens, Justus Lipsius en Jan van der Wouwere. (c) Wikipedia

 

 

 

Het Pater Damiaanplein: van lege plaats tot weggeefplein

De oudste naam die voor het huidige Damiaanplein gekend is, is “Ledige (of lage) Plaats”. Volgens Van Even (1895) zou hier een houten graanhal gestaan hebben. In 1293 schonk hertog Jan I, de dichtende hertog – Harbalorifa – het plein aan de stad op voorwaarde dat het niet bebouwd zou worden.
Op dat ogenblik werd het plein al enkele decennia gebruikt als veemarkt en stond bekend onder de naam Varkensmarkt. Toen werd er driemaal per week vee verkocht, op maandag, woensdag en vrijdag. In 1813 verhuisde de veemarkt naar het pas aangelegde Sint-Jacobsplein. De veemarkt werd een pluimveemarkt en de Varkensmarkt werd Kiekenmarkt. Deze kiekenmarkt verhuisde nog later naar het huidige mgr. Ladeuzeplein.
Ondertussen werd de “Kiekenmet” ook gebruikt als “Pottekesmet” waarbij allerlei aardewerk zoals vuurpotjes om wierook te branden en aarden waterfluitjes. Op 9 februari, de feestdag van de Heilige Apollonia, was er kermis. Deze “Apollokermis” vond aanvankelijk in de buurt van het Begijnhof plaats maar verstoorde daar te veel de rust van de begijntjes en moest verhuizen.
In een aantal bronnen wordt het plein aangeduid als Sint-Antoniusplaats. Wij herkennen inderdaad twee beelden van Sint Antonius maar het gaat hier om twee verschillende heiligen.

damiaankerkBoven de kerkdeur staat het beeld van Sint Antonius van Egypte, ook gekend als Sint Antonius Abt of Sint Antonius met het Varken. Deze heilige (251-356) verkocht al zijn bezittingen en trok zich terug in de woestijn. Daar kreeg hij vele volgelingen en daarom wordt hij de vader van de kloosters genoemd. De legende van zijn bekoring inspireerde verschillende kunstenaars, van Jeroen Bosch tot Salvador Dalí. Het varken waarmee hij meestal wordt afgebeeld is een verwijzing naar de Antonieten, een naar hem vernoemde verpleegorde die in de middeleeuwen varkens vrij lieten rondlopen, deze slachtten op 17 januari, de feestdag van Sint Antonius, en het vlees verdeelden aan de behoeftigen.

ierscollege
Boven de poort van het Iers college zien we een beeld van de heilige Antonius van Padua. Deze leverde ongeveer een millennium later dan zijn naamgenoot (gestorven in 1251). Hij is de patroonheilige van de minderbroeders en was een van de eerste volgelingen van de heilige Franciscus. Hij is ook de Sint Antonius van de verloren voorwerpen. Hij wordt vaak afgebeeld met een lelie in de hand en een boek waarop het kind Jezus zit.
Het pater Damiaanplein kreeg zijn huidige naam na 1936 wanneer het stoffelijk overschot van Joseph  De Veuster werd bijgezet in de crypte onder de Sint Antoniuskapel. Onlangs werd het plein volledig opnieuw ingericht waarbij ontmoetingen van allerlei aard mogelijk werden gemaakt. Opvallend zijn onder andere de boombakken met mozaïeken aangebracht door scholen, buurtgemeenschappen, enz. Bij gelegenheid van de heropening op autoloze zondag werd het plein een weggeefplein.

Leuven door de lens van fotograaf Fierlants

De volgende bijdragen (de volgende weken) gaan we op stap met fotograaf Edmond Joseph Marie Fierlants en bekijken een aantal monumenten door zijn lens. Edmond Fierlants leefde in de 19e eeuw (1819 – 1869). In 1864 kreeg hij van het schepencollege van Leuven de opdracht een aantal monumenten in foto’s te vereeuwigen. Fierlants had eerder al gelijkaardige projecten uitgevoerd in Brugge, Antwerpen en Brussel. Hiermee wou hij het bedreigde patrimonium fotograferen en inventariseren. Hij kreeg daarbij de steun van voormalig minister van Binnenlandse Zaken Charles Rogier. Deze stuurde aanbevelingsbrieven naar alle provinciale en gemeentelijke overheden. Ook Leuven kreeg zo een aanbevelingsbrief.

Op de gemeenteraadszitting van 9 januari 1863 werd het voorstel van Fierlants besproken. Er werd beslist door stadsarchivaris Edward Van Even en door de fotograaf zelf een lijst te laten opmaken van monumenten die in aanmerking zouden komen. Het werd een lijst van een veertigtal monumenten. De fotograaf wou deze opdracht uitvoeren voor 2000 BEF. Uiteindelijk zou hij het moeten doen met de helft van dit budget. Het aantal te fotograferen monumenten werd daarom teruggebracht tot een twintigtal.

In Leuven worden vandaag twee reeksen van deze foto’s gemaakt door Fierlants bewaard: een in het stadsarchief en een in de universiteitsbibliotheek. De foto’s zijn ook terug te vinden op de website van het Europeana-project (www.europeana.eu), waar ik dankbaar gebruik van zal maken.

Sommige monumenten zijn volledig verdwenen, andere zijn in de loop van de tijd geheel of gedeeltelijk veranderd, enkele zijn min of meer bewaard gebleven zoals Fierlants ze heeft gefotografeerd. Veel plezier bij deze tocht door het Leuven van 1864.

brouwershuis

Beelden in de nissen

Brief van Victor Hugo aan de burgemeester van Leuven. Vertaald uit Louvain dans le passé et le présent van Eduard Van Even.

Brussel, 29 februari 1852

Geachte heer,

Bij mijn terugkeer van een kleine afwezigheid vond ik uw elegante en uitstekende brief. Hij herinnert me opnieuw aan de hartelijkheid van uw ontvangst. Ik ben blij dat mijn doortocht in Leuven niet geheel nutteloos is gebleken voor de mooie gebouwen die uw stad in grote getale bezit, en meer specifiek voor de kostbaar stadhuis. Dat stadhuis is een volledig voorbeeld van gotische architectuur in de flamboyante periode, zeg maar een meesterwerk. Een meesterwerk kan niet behandeld worden met te veel smaak en benaderd worden met te veel respect. Naar mijn mening heeft men uw prachtig stadhuis aan de buitenkant teveel gerestaureerd en aan de binnenkant onvoldoende gerestaureerd. Ik heb het je gezegd en u herinnert zich misschien nog mijn argumenten die uw geest hebben geraakt. Als mijn verwijt van de architect leek op een beschuldiging, uw zolder, gevuld met mooie beeldhouwwerken, sommigen met moeite herkenbaar, bevat stukken die dit ondersteunen. Maar wat gedaan is, is gedaan. Daar moeten we niet op terugkomen.

Ik ben het compleet met u eens over de wenselijkheid, ik zou meer zeggen, over de noodzaak, de lege nissen van het stadhuis te vullen met beelden. Ik sta in alle punten achter de conclusies van uw uitstekend en stevig rapport. Er zijn voor de aanvulling met beelden twee belangrijke redenen. Ten eerste een esthetische reden: het stadhuis van Leuven is een gebouw dat opklimt, dat stijgt. Dat is een schoonheid, zijn verticale lijn is prachtig maar de lege nissen tekenen drie of vier horizontale zones die deze verticale lijn doorbreken en de heldere lijn van dit gebouw, complex in verschijning, een in essentie, verstoren. Door beelden te plaatsen gaat dit gebrek weg en wordt het geheel in zijn eenheid hersteld. Ten tweede is er een historische reden: een gemeentelijk of religieus gebouw waarvan de nissen leeg zijn is een boek met blanco pagina’s. Een beeld plaatsen is een letter zetten en met deze letters wordt de geschiedenis geschreven. Ik beantwoord uw oproep met aandrang, meneer, en ik geef mijn mening omdat u denkt dat ze invloed kan hebben op uw eerbare en intelligente collega’s van de Leuvense gemeenteraad.

Ik ben voor u niet zomaar een passant, maar een passant en vriend van uw geschiedenis, van uw kunst, van uw land. U weet, ik hou van deze vrije grond waren zoveel mooie dingen zijn en zoveel nobele harten; het is niet de eerste keer dat ik dit schrijf en ik zeg het openlijk. Laat me toe van de gelegenheid gebruik te maken om u de schitterende gevel in de stijl van Rubens die jullie, geloof ik, Sint Michiel noemen, aan te bevelen. Restaureer haar zo weinig mogelijk. Dat is nog een meesterwerk.

Ik hernieuw, geachte heer, de verzekering van mijn meest levendige hartelijkheid.

VICTOR HUGO

Zeven “nieuwe wonderen”

De meesten hebben wel al eens gehoord van de zeven Leuvense wonderen maar volgens het Leuvense stadsarchief zijn er in Leuven ook zeven nieuwe wonderen. Ik som ze even op.

  1. Het pauselijke driehoeksgeval

leoxiii

Hiermee wordt gedoeld op het Heilig-Harthuis van het neogotische seminarie Paus Leo XIII in de Andreas Vesaliusstraat.

  1. Het kind dat er was voor zijn moeder

keizesberg

Dit is het beeld van Onze-Lieve-Vrouw-met-Kind voor de abdij van Keizersberg. Het kind Jezus stond er vooraleer het hoofd van Maria als laatste deel geplaatst werd.

  1. Het schip in het droogdok

martelarenmonument

Dit is het oorlogsmonument met dodenlantaarn op het Martelarenplein. Het beeld is een ontwerp van architect Achilles de Bondt en beeldhouwer Marcel Wolfers.

  1. De gevel met de 100 opschriften

inscriptiesteen

Dit hedendaagse wonder verwijst naar de universiteitsbibliotheek op het Mgr Ladeuzeplein, die overladen is met symbolen die verwijzen naar de Amerikaanse financiering van het gebouw. Meer dan 300 inscripties geven namen van mecenassen.

  1. De Heilige Maagd met de soldatenhelm

maria bib

Dit is het beeld van Onze-Lieve-Vrouw-van-de-Zegepraal in de centrale topgevel van de universiteitsbibliotheek. Het beeld werd ontworpen door de Franse beeldhouwer Jean Damt en uitgevoerd door de Leuvense beeldhouwer Jozef Van Uytvanck.

  1. De theologie op een hellend vlak

gbib

De faculteit godgeleerdheid kreeg in de jaren 1970 een nieuwe bibliotheek, de Maurits Sabbebibliotheek.

  1. De bunker in de kerk

altaar

Dit is het moderne monolithische hoofdaltaar uit de Sint-Pieterskerk. Dit Nationaal Memoriaalaltaar werd op 10 mei 1964 door de Nationale Confederatie van Politieke Gevangenen en Rechthebbenden van België ingezegend.

Leonardus Lessius

Klein Leuvens Geschiedenisje

Lessius werd als Lenaert Leys geboren in 1554 in een Kempens boerengezin in Brecht. Dankzij een studiebeurs aan het Atrechtcollege kon hij in Leuven studeren. In 1572 trad hij in als novice bij de jezuïeten. In 1580 werd hij priester gewijd. Hij voleindigde zijn studies aan het Collegium Romanum in Rome. Als lesgever aan het Leuvense studiehuis van de jezuïeten kwam hij in conflict met de universiteit. In 1600 werd hij om gezondheidsredenen vrijgesteld van lesgeven maar hij bleef actief als consulent-biechtvader. Zijn reputatie als adviseur van onder meer de aartshertogen Albrecht en Isabella leverde hem de naam Orakel der Nederlanden op. De laatste jaren van zijn leven was hij vooral nog met schrijven bezig. Na een slepende ziekte stierf  hij op 15 januari 1623.

Zijn belangrijkste werk is “De iustitia et iure ceterisque virtutibus cardinalibus” (Over rechtvaardigheid, recht en zekere kardinale deugden). Aartshertog Albert gebruikte dit werk als leidraad voor het beleid. Het traktaat gaat vooral over rechtvaardigheid en recht in commerciële en financiële aangelegenheden. In Antwerpen kwam hij in contact met kooplui, bankiers en wisselagenten. De ontdekking van de Nieuwe Wereld zorgde voor een nieuwe economische situatie. Middeleeuwse opvattingen over handelspraktijken waren voorbijgestreefd. Overzees goud en edelmetaal ontwrichtten de markt. Speculatie en woekerprijzen zorgden voor een grote kloof tussen rijk en arm. Lessius probeert het oude kerkelijke standpunt te verzoenen met de nieuwe economische situatie.

Terwijl voor de katholieke kerk rente een vorm van woeker en dus misdadig was, kwam Lessius op voor een juiste prijs in koop en verkoop, een correcte wisselmarkt, billijke belastingen, en een aanvaardbare interest bij kredietverlening.

Hij verdedigde de “Bergen van Barmhartigheid” die behoeftigen leningen verstrekten tegen 12 à 15% interest, enerzijds tegen de Lombarden die voor een lening 30 à 40% interest durfden vragen, en anderzijds tegen andere moraaltheologen die vonden dat de “Bergen” geen interest mochten vragen.

De Lombarden speelden samen met de joden een belangrijke rol in de ontwikkeling van het bankwezen. Deze Noord-Italiaanse geldwisselaars kregen in Europese steden een vergunning om een tafel (of bank) van lening te houden. Daar konden leningen verstrekt worden tegen een onderpand van roerende goederen. De vergunning die gold voor een periode van tien tot vijftien jaar, werd vaak doorverleend van vader op zoon. Die “tafel” ligt ook aan de oorsprong van onze benaming “bank”. “Banco” of “banca” is het Italiaanse woord voor “tafel”. Wanneer een geldwisselaar failliet ging werd zijn tafel kapotgeslagen. Het Italiaanse “banca rotta” betekent “gebroken tafel”. Dat is de oorsprong van ons woord “bankroet”.

In 2007 werden de stoffelijke resten van Lessius naar de Sint-Michielskerk overgebracht. Deze bevonden zich voordien in de voormalige jezuïetenkapel in de Minderbroedersstraat, nu het dagcentrum van het woonzorgcentrum Dijlehof, “Hertog van Brabant”.

De gevel van het Huis van Sestich

Klein Leuvens geschiedenisje

De decoratie van de gevel van het Huis van Sestich wordt gedomineerd door drie hexagrammen, meestal als Davidsterren aangeduid. Men zou kunnen geneigd zijn deze te interpreteren als joodse symbolen. Het hexagram was vanaf de dertiende eeuw een populair joods symbool dat frequent voorkwam in handschriften en op zegels. Maar in de tijd dat het huis Den Spiegel gebouwd werd, was het hexagram nergens in Europa een officieel symbool en werd het alleen in de joodse gemeenschappen van Frankrijk, Duitsland en Midden-Europa gebruikt om hun joodse identiteit te bevestigen. In de Nederlanden hadden de joden meer te lijden onder een vijandige houding en discriminatie. Daarom is het weinig waarschijnlijk dat we de hexagrammen moeten interpreteren als joodse symbolen.

Tijdens het Vierde Lateraans Concilie (1215) werd wel een kenmerkingsplicht voor joden en moslims ingevoerd. Alleen in Portugal werd het dragen van de zespuntige ster verplicht. In de Nederlanden was de jodenhoed het verplichte herkenningsteken.

Het hexagram is ook een populair symbool in de Kabbala, een joodse mystieke beweging waarin de geometrische taal een belangrijke rol speelde. In de veertiende eeuw was de kennis van deze mystieke leer beperkt tot de joodse gemeenschap. Bovendien komt het gevelschema niet overeen met de opgelegde geometrische schema’s van de Kabbala. Deze interpretatie is dus ook onwaarschijnlijk.

Waarschijnlijk moeten we de verklaring voor de geometrische vormen bij twee andere middeleeuwse culturele fenomenen zoeken: enerzijds de getallensymboliek gebaseerd op de Griekse getallenleer en kosmogonie, en anderzijds de mystieke beweging waarvan Jan van Ruusbroec een gekend vertegenwoordiger was. Deze tradities kenden geen formeel kader. Daarom liggen de betekenissen minder vast.

Het gevelschema is volledig opgebouwd rond de archetypische getallen drie en vier.

3 vinden we op de gevel terug in de drie bovenste cirkels met hexagrammen. Een hexagram kan ook geïnterpreteerd worden als een combinatie van twee driehoeken.

3 staat voor zon, aarde en maan, en voor de Heilige Drievuldigheid. Voor de oude Grieken was 3 het toppunt van volmaaktheid. (“omne trinium perfectum”). Verder verwijst 3 ook naar de drie wijzen uit het oosten. In het Britse Koninklijke wapen staan drie leeuwen en op het stadswapen van Amsterdam drie kruisen. “Hip, hip, hip (drie keer) hoera.” “Driemaal is scheepsrecht.” Jezus verrees op derde dag. …

Het getal 4 is op de gevel aanwezig in de onderste rij van vier cirkels, waarvan er twee door een kruis in vier delen gedeeld worden, en in de vier traveeën;

4 staat voor vier evangelisten, vier rivieren in het Paradijs, vier seizoenen, vier windstreken, vier elementen (water, aarde, vuur en lucht), …

Ook de getallen die afgeleid zijn van de archetypes, zijn aanwezig in de gevel.

Twee maal drie is zes. Zes is het “Numerus perfectus”, bij Pythagoras het symbool voor de ziel en het bijbels archetype voor de zes dagen van de schepping.

Het hexagram is in de christelijke, islamitische en joodse kosmologie het symbool voor perfectie. De twee driehoeken symboliseren dan hemel en aarde, vuur en water.

Drie maal vier is twaalf, de som van de twee hexagrammen op de tweede rij. 12 is het getal van de apostelen, tekens van de dierenriem, maanden van het jaar, …

Drie plus vier is zeven. Op de gevel merken we zeven spitsbogen en in de bovenste cirkel staan zeven vierpassen.

Zoals in de Bijbelse kosmologie wordt het hexagram – als symbool voor de schepping – uitgebreid tot het getal 7 door het centrum te benadrukken. Dat centrum wordt dan de rust(dag) genoemd. Het centrum van de hexagrammen op de gevel wordt ingevuld door zes driepassen en één vierpas of cirkel.

Zeventallen worden soms opgesplitst in de twee archetypen, drie en vier. Zo worden de zeven deugden opgesplitst in drie goddelijke deugden (geloof, hoop, en liefde) en in vier kardinale deugden (voorzichtigheid, rechtvaardigheid, gematigdheid en moed). De zeven vrije kunsten zijn opgesplitst in het trivium (drie) en quadrivium (vier).

De Meyboom

Klein Leuvens geschiedenisje

Het is weer gelukt: op woensdag 9 augustus werd voor 17:00 uur de Meyboom voor het stadhuis geplant. Zo werd een traditie verdergezet die teruggaat tot 1308, het jaar van de eerste meiboomplanting.

Volgens een legende vond op 9 augustus 1213 in Brussel een bruiloft plaats in een herberg. Het feest werd verstoord door de Leuvense oproerkraaiers. Het kwam tot een gevecht dat de Brusselaars aanvankelijk leken te verliezen maar door de tussenkomst van de gezellen van Sint Laurentius keerden de kansen en wonnen de Brusselaars toch. Om dit te herdenken kregen de Brusselaars van de hertog het privilege om jaarlijks een Meyboom te planten. Maar de hertog wou ook de Leuvenaars te vriend blijven en koppelde daarom een randvoorwaarde aan dit privilege. De boom moest geplant zijn voor 17:00 uur, zo niet verviel het privilege en mochten Leuvenaars de Meyboom planten. De legende gaat terug op een verhaal van 1213 maar de eerste Meyboom werd pas in 1308 geplant.

In 1939 werd de boom door Leuvenaars gestolen maar onderweg naar Leuven werden ze tegengehouden door de politie die de boom in beslag nam. De Leuvenaars plantten dan maar een vervangboom.

In 1974 hakten de Leuvense mannen van 1929 de Brusselse boom de nacht voordien om en brachten  hem naar Leuven. Er werd een bordje achtergelaten: “Brusselaars, hier heeft uw boom gestaan. De Leuvenaars zijn ermee vandoor gegaan”. De Brusselaars beweren dat er verschillende mogelijke bomen aangeduid worden, waaruit op de dag zelf één gekozen wordt. Sindsdien hebben beide steden een echte Meyboom.

Het planten van een Meyboom is een erg oud gebruik dat verwijst naar Yggdrasil, de levensboom als teken van vruchtbaarheid. Men geloofde dat het planten van de boom leidt tot vruchtbaarheid voor vee, akkers en mensen. De groene krans in de top is een symbool van het zonnerad.