Categorie archief: Uncategorized

Middeleeuwse Royalty

Klein Leuvens Geschiedenisje

In de Sint-Kwintenskerk bevindt zich een grafsteen met een verhaal dat thuishoort in de roddelrubriek van de middeleeuwse geschiedenis.

In het schip van de kerk bevindt zich de grafsteen van Catharina van Dycke. Haar vader was Johan van den Dijcke, heer van Santvliet en Berendrecht, ridder van Jerusalem, raadsheer en rekenmeester van de rekenkamer van Brabant.

Haar moeder was de dochter van een tapijtverkoper. Toen zij vijf jaar oud was overleden beide ouders aan de pest. De werkgever van de vader ontfermde zich over de dochter en ze werd zijn dienstmeisje.

Tijdens feesten in het huis van haar beschermheer trok zij, omwille van haar schoonheid, de aandacht van een zeer belangrijke edelman die daar aanwezig was. Ze werd door een hoveling ontvoerd en onder dwang bij de edelman gebracht. Zijn aandacht was zo sterk dat die niet zonder gevolgen bleef en ze zwanger werd.

De zorg over haar dochtertje werd eerst toevertrouwd aan het gezin van Andries van Douvrin, heer van Drogenbos en Sint-Martens-Bodegem. Later verbleef ze in het kasteel van Hoogstraten waar ze door de jongere broer van de hoger vermelde beschermheer, en zijn echtgenote Elisabeth van Culemborg werd opgevoed als een eigen kind. Ze verhuisde nog eens, op aandringen van haar natuurlijke vader, die haar bij akte als zijn wettige dochter erkend had, naar Mechelen aan het Hof van twee belangrijke edelvrouwen.

Op tienjarige leeftijd verhuisde ze in 1533 naar Italië, waar zij opgroeide onder de hoede van vooral Madame de Lannoy, weduwe van de voormalige onderkoning van Napels, Charles de Lannoy. Deze Italiaanse opvoeding verklaart ook waarom ze vooral bekend werd onder haar (Italiaanse) titel Madama.

De moeder trouwde met de vader en kreeg negen kinderen waaronder Catharina.

Laten we nu de andere namen onthullen: de beschermheer was Karel van Lalaing, gouverneur van Oudenaarde, de edelvrouwen in Mechelen waren Margaretha van Oostenrijk en Maria van Hongarije, haar moeder was Johanna van der Gheynst, de edelman was niemand minder dan Keizer Karel, en haar halfzus was Margaretha van Parma.

Conclusie: in de Leuvense Sint-Kwintenskerk bevindt zich de grafsteen van een halfzus van Margaretha van Parma, landvoogdes van de Nederlanden.

De zalige Margaretha van Leuven

ook gekend als Fiere Margriet

Een klein Leuvens geschiedenisje

Van het verhaal van Fiere Margriet bestaan twee versies, de ene wat smeuïger dan de andere. De oudste versie werd in de dertiende eeuw opgetekend door een Duitse monnik, Caesarius van Heisterbach. In dit verhaal is Margriet de dochter van arme ouders. Ze werkte in de herberg van haar oom Amandus. Deze was van plan zijn bezittingen te verkopen en samen met zijn vrouw in te treden in een klooster. De herberg bevond zich in de Muntstraat. Ook Margriet had beslist dat zij zou intreden in de cisterciënzenabdij van Villers.

Op de vooravond van hun vertrek kwam een gezelschap naar de herberg. Vermits zij geen klanten meer verwachtten had Amandus geen drank meer en vroeg hij Margriet om een kruik wijn te gaan halen in de stad. Na haar vertrek vermoordden de reizigers, die overvallers bleken te zijn, Amandus en zijn vrouw. Toen Margriet terugkeerde en de overvallers en de lijken aantrof werd ook zij overmeesterd. Aangezien zij de enige levende getuige was van de roofmoord namen de overvallers haar mee buiten de stad. Nabij Wilsele werd gepoogd haar te verkrachten, maar ze bood hevige weerstand. Hierdoor kreeg ze de bijnaam de Fiere omdat haar eer als maagd haar dierbaarder was dan haar leven. Ze werd uiteindelijk toch vermoord en in de Dijle gegooid. Enkele dagen later werd ze door vissers teruggevonden. Ze begroeven haar ter plekke. Ze durfden geen melding te maken van de moord uit angst dat zij beschuldigd zouden kunnen worden.

Er werd verteld dat men rond het graf een licht kon zien en dat er bij het graf van Margriet mirakels gebeurden. Ze werd ontgraven en in een houten kapel op de begraafplaats van de Sint-Pieterkerk te Leuven te ruste gelegd.

In de vijftiende eeuw werd de dertiende-eeuwse versie aangedikt door de Brusselse augustijnermonnik Johannes Gielemans. Deze voegde aan het bestaande verhaal toe dat haar lichaam op de Dijle bleef drijven en door vissen stroomopwaarts werd gedragen terwijl ze werd omgeven door een hemels licht en begeleid door de gezangen van engelen. De hertog van Brabant, Hendrik I van Brabant, en zijn vrouw ,zouden haar volgens deze legende gevonden hebben.

Na haar dood werd drie keer geprobeerd haar te laten zalig verklaren, een eerste stap richting heiligverklaring. De hoge kosten van de procedure vormden een struikelblok. Uiteindelijk werd Margaretha van Leuven in 1902 door paus Leo XIII zalig verklaard. Als naamdag werd 2 september genomen, de vermoedelijke dag waarop ze vermoord werd.

In Leuven heeft ze het statuut van een volksheilige maar in feite is ze een zalige. Een zalige verschilt van een heilige in het principe dat een zalige vereerd mag worden in een bisdom of congregatie en een heilige vereerd mag worden door de gehele Kerk.

Leuvense wevers

Klein Leuvens Geschiedenisje

Vrij vertaald uit “Louvain dans le passé et le présent” van Eduard Van Even

“Leuven werd een grote, dichtbevolkte  en machtige stad, een van de nijverste steden van de Nederlanden. Haar bevolking groeide tot vijfenveertigduizend zielen, een aanzienlijk cijfer in vergelijking met andere steden van die tijd. Men telde er tweeduizendvijfhonderd ateliers (*) voor het vervaardigen  van lakens, wol en tapijten. Een verhaal opgeschreven door Justus Lipsius, vertelt dat de stad in die periode zoveel wevers telde dat, wanneer ze hun ateliers verlieten, men de grote klok luidde om de moeders te verwittigen dat ze hun kinderen moesten binnenhouden uit vrees dat ze vertrappeld zouden worden door de meute. De wevers van onze stad voerden hun producten uit naar alle markten in Europa. Zij hadden eigen hallen in Parijs, Londen en Keulen. Laken uit Leuven had in het buitenland een goede reputatie.

In 1317 begon men met de bouw van de lakenhal, die er nog staat: het levend bewijs van de welvarendheid van onze industrie in de eerste helft van de veertiende eeuw.”

(*) Men werkte in het algemeen onder tenten van “dril”, een soort linnen.

Waar komt de straatnaam Krakenstraat vandaan?

Klein Leuvens Geschiedenisje

Over de straatnaam Krakenstraat bestaat nogal verwarring.

De Inventaris Onroerend Erfgoed (inventaris.onroerenderfgoed.be) verwijst naar een bron uit 1301 en legt het verband met een Leuvense familie “van Craeckhoven”, die in een akte uit 1262 ook “de Cracou” (Krakau) genoemd wordt. De link met de Poolse stad Krakau wordt hier dus gelegd via een familienaam.

De Leuvense archivaris en geschiedkundige Eduard Van Even zoekt in zijn “Louvain dans le passé et le présent” de oorsprong van de naam bij een huis waar in de tuin kiezels zouden gelegen hebben die zorgen voor een krakend geluid bij het stappen. Hij vertaalt de naam in het Frans in “Rue des Jardins aux Craquements”, een mooi voorbeeld van volksetymologie.

 

KU Leuven-quiz

Wat weet jij van de huidige universiteit? Ben je op de hoogte van de actuele situatie of stopt je kennis bij de splitsing van 1968? Test het met deze tien vraagjes.

  1. Hoeveel faculteiten zijn er op dit ogenblik aan de KU Leuven?
  2. Hoeveel associatiehogscholen zijn er verbonden met de KU Leuven?
  3. Waarvoor staat de afkorting UCLL en wat is het?
  4. Op hoeveel plaatsen (gemeentes) in Vlaanderen kan men aan de KU Leuven studeren?
  5. Welk auditorium van de universiteit heeft het grootste aantal zitplaatsen?
  6. Hoeveel vice-rectoren zijn er op dit ogenblik?
  7. Wat is Agora?
  8. Hoeveel fakbars zijn er in de Tiensestraat?
  9. Waar bevindt zich residentie Herman Servotte?
  10. Wat is een spin-off?

De antwoorden vind je hier.

KU Leuven-quiz – de antwoorden

Vraag 1: Zestien

  1. Faculteit Theologie en religiewetenschappen,
  2. Bijzondere faculteit kerkelijk recht,
  3. Faculteit rechtsgeleerdheid
  4. Faculteit letteren,
  5. Hoger instituut voor wijsbegeerte,
  6. Faculteit economie en bedrijfswetenschappen,
  7. Faculteit sociale wetenschappen,
  8. Faculteit Psychologie en pedagogische wetenschappen
  9. Faculteit wetenschappen,
  10. Faculteit ingenieurswetenschappen,
  11. Faculteit bio-ingenieurswetenschappen,
  12. Faculteit industriële ingenieurswetenschappen,
  13. Faculteit architectuur,
  14. Faculteit bewegings- en revalidatiewetenschappen,
  15. Faculteit farmaceutische wetenschappn,
  16. Faculteit geneeskunde

Vraag 2: vijf

Vives, Odisee, Thomas More, UCLL en LUCA

Vraag 3: University College Leuven Limburg. Dit is de hogeschool ontstaan uit de fusie van KHLeuven, Groep T en KHLimburg

Vraag 4: elf

  1. Leuven (Leuven, Campus Groep T Leuven) •
  2. Brussel (Campus Brussel, Campus Sint-Lucas Brussel) •
  3. Antwerpen (Campus Carolus Antwerpen, Campus Sint-Andries Antwerpen)
  4. Geel (Technologiecampus Geel)
  5. Sint-Katelijne Waver Technologiecampus De Nayer
  6. Gent (Sint-Lucas Gent, Technologiecampus Gent)
  7. Aalst (Technologiecampus Aalst)
  8. Kortrijk (Campus Kulak)
  9. Brugge (Campus Brugge)
  10. Oostende (Technologiecampus Oostende)
  11. Diepenbeek (Technologiecampus Diepenbeek)

Vraag 5: Het Centraal Auditorium Gasthuisberg heeft 826 plaatsen. Dat zijn er twaalf meer dan Aula Pieter De Somer.

Vraag 6: acht

  1. Danny Pieters (Humane Wetenschappen, tevens bevoegd voor Internationaliseringsbeleid en Administratieve Vereenvoudiging)
  2. Georges Gielen, (Wetenschap & Technologie en Academisch personeelsbeleid)
  3. Liliane Schoofs (Onderzoeksbeleid)
  4. Rik Gosselink (Studentenbeleid, tevens bevoegd voor Sportbeleid en Privacybeleid)
  5. Wim Robberecht (Biomedische wetenschappen)
  6. Marc Depaepe (KULAK)
  7. Didier Pollefeyt (Onderwijsbeleid)
  8. Katlijn Malfliet (Cultuur-, Diversiteits- en Duurzaamheidsbeleid, tevens bevoegd voor Alumnibeleid en Emeritibeleid)

Vraag 7

Het leercentrum in de binnenstad voor studenten en personeel van de KU Leuven.

Vraag 8: drie

  1. Huis der Rechten,
  2. Politika,
  3. Recup (Industria + Pavlov))

Vraag 9: in de Parkstraat (nrs 39-41)

Vraag 10: Een bedrijf ontstaan uit een commercieel idee en/of een technologie ontwikkeld aan de KU Leuven.

Resultaten:

  • minder dan 5 antwoorden juist: gebuist! Je moet absoluut bijscholen.
  • 5 of 6 antwoorden juist: nipt geslaagd. Bijscholing aangeraden.
  • 7 of 8 aantwoorden juist:  Onderscheiding. Toch kan  je nog bijleren.
  • 9 of 10 antwoorden juist: Proficiat, jij weet zeer veel over de (huidige) KU Leuven.

Het Heilige-Geestcollege in de geschiedenis.

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 4

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

Als belangrijk college van een belangrijke faculteit speelde het Heilige-Geestcollege een belangrijke rol in de discussies binnen de kerk vanaf zijn stichting tot de opheffing van de universiteit aan het einde van de achttiende eeuw.

In de eerste plaats had je de disputen. Deze oefeningen in theologisch discussiëren waren openbare debatten die druk werden bijgewoond en waar de theologische faculteit haar studenten gebruikte om de standpunten van de faculteit te verwoorden en te bediscussiëren. Deze disputen stonden onder leiding van de president. Het was dan ook hij die bepaalde wat aan bod kon komen en wat niet. Je kan gerust stellen dat de president van het Heilige-Geestcollege een belangrijk opiniemaker was en een gezagsvolle stem in het theologisch debat, dat tijdens het Ancien Régime ook het alledaagse leven beïnvloedde.

In de zestiende eeuw speelden enkele van de eerste presidenten een belangrijke rol in de discussies rond het humanisme en het opkomend protestantisme. Zo was Maarten van Dorp aanvankelijk een overtuigd humanist maar veranderde hij volledig van mening als hij president werd van het Heilige-Geestcollege. Hij distantieerde zich uitdrukkelijk van zijn vriend Erasmus en zal met deze heftig discussiëren via brieven. Een belangrijk thema is de wenselijkheid van een nieuwe Bijbelvertaling. Dorpius verdedigde vurig de officiële Vulgaatvertaling en beriep zich hiervoor op het gezag van de concilies. Naar het einde van zijn loopbaan toe, wanneer hij geen president meer was van het Heilige-Geestcollege, veranderde Dorpius nog eens van standpunt en werd hij opnieuw een overtuigd Erasmiaan.

Martinus_Dorpius_(1485-1525)

Zijn opvolger als president van het Heilige-Geestcollege, Ruardus Tapper was een van de meest gezaghebbende theologen die het officiële standpunt van de paus en de katholieke kerk verwoordden en beschermden. In zijn belangrijkste werk, de Explicationes Articulorum, weerlegde hij in 59 – later teruggebracht tot 39 – geloofsartikelen de stellingen van Luther.  In het dagelijkse leven zou hij als inquisiteur-generaal van de Nederlanden een actieve rol spelen in de bestrijding van het protestantisme. Ruardus Tapper was hiermee de koploper in een lange reeks van presidenten van het Heilige-Geestcollege die zich zouden opwerpen als verdedigers van het hoogste kerkelijke gezag.

tapper

Naar het einde van de zestiende eeuw raakte de theologische faculteit in een conflict verwikkeld met de Jezuïeten. In feite ging dit conflict eerder om de verdediging van de eigen privileges dan om fundamentele geloofspunten. De Leuvense theologen wouden absoluut verhinderen dat de nieuwkomers zelf colleges zouden oprichten en daar filosofie en theologie zouden onderwijzen. Mede met de steun van de paus kon de universiteit de concurrentie buitenhouden.

In de zeventiende eeuw werd de theologische faculteit het strijdtoneel van een heftige woordenstrijd tussen twee stromingen binnen het theologische denken: het strenge Augustinianisme tegenover het meer gematigde pragmatische humanisme van onder andere de Jezuïeten. Aangezien binnen de theologische faculteit een sterke augustiniaanse stroming actief was, eerst rond de figuur van Michel de Bay en zijn Baianisme en later rond Cornelius Jansenius wiens ideeën na zijn dood zouden uitgewerkt worden door de Jansenisten, kwamen ook in deze conflicten de theologische faculteit en de jezuïeten tegenover elkaar te staan.

Naar het einde van het Ancien Régime werd de theologische faculteit nog een keer verdeeld door een theologische-politieke tegenstelling. Toen stonden de jozefisten tegenover de ultramontanen. Deze laatsten verdedigden zeer heftig het gezag van de paus en verzetten zich met hand en tand tegen elke inmenging van de wereldse overheid, verpersoonlijkt door de keizer-koster Jozef II. Het belangrijkste strijdpunt van de ultramontanen was de oprichting van het Seminarie-Generaal waarmee de keizer de kerk wou moderniseren door de priesteropleiding aan te pakken. Dit verzet van de kerk zou uitmonden in de Brabantse omwenteling, de opstand in de Zuidelijke Nederlanden tegen de Oostenrijkse keizer die geleid heeft tot het kortstondige bestaan van de Verenigde Nederlandse Staten.

Blijkbaar was het Ancien Régime echt oud geworden en was de strijd om het behoud van de middeleeuwse privileges een verloren strijd. Dat moest ook de laatste president van het Heilige-Geestcollege aan de Oude Universiteit, Jan-Frans Van de Velde, ondervinden: de Franse Revolutie maakten zijn strijd om de rechten van de Oude Universiteit te verdedigen, nutteloos.

De splitsing van het Heilige-Geestcollege

Door het aanzien dat het Heilige-Geestcollege kende, kon het genieten van steeds meer schenkingen en beursstichtingen. Daardoor werd het mogelijk de instelling te splitsen in een Klein en een Groot Heilige Geestcollege. Het kleine Heilige-Geestcollege werd gehuisvest in het Huis Meldert, het huis dat Catharina Pynnock, weduwe van Libert, Heer van Meldert, aan de theologische faculteit had gelegateerd om er de woning van de President van het Heilige-Geestcollege van te maken. Bij de splitsing werd ook het Huis Lombaerts aan het klein college toegewezen. Dit lag op de Booghaerstraete (de huidige Sint-Antoniusberg) achter het domein van Meldert. De huizen “den Uyl” en “het Blauwe Schaap”, gelegen tussen het huis Hollant, oorspronkelijk eigendom van Lodewijk de Ryke, en het huis Meldert werden ook over de twee colleges verdeeld worden.

eigendommen

Elk college kreeg een president en een eigen beheer hoewel het toezicht in handen bleef van de theologische faculteit. De splitsing werd volledig in 1790 wanneer ook de beurzen en de stichtingen verdeeld werden: het groot college kreeg twee derden, het klein college één derde. Het klein college werd in de loop van de achttiende eeuw volledig herbouwd.

plattegrond2

Voor het klein college betekende de Franse overheersing het definitieve einde. Bij de opheffing van de universiteit kwam het klein college in handen van de Fransen en deed het enkele jaren dienst als herberg. In 1805 (of 1807) kwam het in handen van een houthandelaar, Guillaume Goyens en in 1810 werd het gedeeltelijk afgebroken en omgevormd tot woningen. In de achttiende eeuw kwam het in handen van Willem Roberti, notaris. Eén van zijn nazaten is nog altijd als notaris actief. Het huidige gebouw werd na de verwoesting tijdens de Tweede Weredloorlog in 1950 gebouwd. Het geheel bestond uit een notariaat, een notarishuis en twee appartementen. In het notarishuis is nu het Ereconsulaat van Italië gevestigd.

Het dagelijkse leven in het Heilige-Geestcollege.

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 3

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

Voor zover ze niet gebonden was aan bepalingen opgelegd door de stichters selecteerde de theologische faculteit de bursalen. Vaak kregen familieleden van stichters, stads- of streekgenoten, en/of afgestudeerden van een bepaalde pedagogie de voorrang. Wanneer er geen kandidaten waren die voldeden aan de vereisten gesteld door de stichters, kon de faculteit nog zelf beslissen.

Volgens de statuten kwamen alleen niet-religieuzen in aanmerking. De kandidaat moest gepromoveerd zijn in de artes. hij moest een goede naam hebben, geneigd zijn tot het priesterschap en geschikt zijn voor de theologische studies “zodat er een goede hoop bestond dat hij door woord en voorbeeld in het kader van de Kerk vrucht zou afwerpen.”

Het college had een dubbele boekhouding: een voor de stichtingen en een voor de huishouding. De boekhouding voor de stichtingen werd bijgehouden door de rentmeester die onder controle stond van de faculteit. Hij was verantwoordelijk voor het beheer van de erfrenten, hij beheerde ook de gemeenschappelijke inkomsten en betaalde de onderhoudskosten van het gebouw.

De interne boekhouding, waaronder vooral onkosten voor levensonderhoud, verwarming en verlichting, en voor het personeel vielen, werd bijgehouden door studenten die regelmatig afrekenden met de president. Elke week werd een prepositus of weekverantwoordelijke aangesteld. Hij stond in voor de inkoop van voedsel en kleine benodigdheden en hij was verantwoordelijk voor de inning van de boetes. ’s Zaterdags bracht hij verslag uit bij de president, rekende af en werd vervangen door een nieuwe prepositus. De “vinator” was verantwoordelijk voor de aankoop van wijn, hij werd voor een langere tijd aangesteld. De procurator was verantwoordelijk voor de aankoop van grote voedselvoorraden en brandhout. Het aanstellen en betalen van het personeel was de verantwoordelijkheid van de president.

In de beginjaren van het college, in de vijftiende eeuw, was het mandaat van de president nog niet duidelijk uitgewerkt. Blijkbaar was een baccalaureaat in de theologie de minimumvereiste. In de zestiende eeuw werd de functie van de president duidelijk uitgewerkt in de statuten. Hij werd aangesteld door de theologische faculteit.

Iedereen in het college was gehoorzaamheid aan de president verschuldigd. Hij moest erop toezien dat de statuten onderhouden werden en dat de studenten eendrachtig bleven, ijverig de theologie studeerden en ook op religieus vlak vooruitgang maakten. Andere “minder nuttige” en “eigenaardige” wetenschappen waren uitgesloten.

De president kon naar eigen goeddunken straffen uitdelen maar gebruikte meestal geldboetes om ongeoorloofd gedrag te beteugelen. Een aantal boetes was ingeschreven in de statuten. Voor zware overtredingen zoals het te laat komen of wegblijven van disputen konden de boetes oplopen tot twee à drie stuivers. Dit kwam overeen met enkele malen het bedrag van een beurs voorzien voor één dag. Wie na het sluitingsuur het college binnendrong of wie zonder toelating buiten het college overnachtte, kon een zwaardere straf krijgen: opschorting van de beurs voor een bepaalde tijd. De zwaarste straf, de uitsluiting uit het college, kon alleen door de theologische faculteit uitgesproken worden, in principe op voordracht van de president.

Enkel met de toelating van de president mochten studenten de stad verlaten, afwezig zijn bij maaltijden, uitgaan na het avondmaal, herbergen bezoeken, wijn of bier laten halen, gasten ontvangen, in andermans kamer overnachten en boeken of voorwerpen aan het college ontlenen. De president was ook verantwoordelijk voor het afsluiten van de poort ’s avonds en het bewaren van de sleutel. Om negen uur werd de poort gesloten en heerste er stilte tot de volgende morgen.

De president was verantwoordelijk voor de toekenning van de kamers, de verdeling van de missen en de aanstelling van de koster, bibliothecaris en de verantwoordelijke voor het afwezigheidsregister. De president stond in voor het onderhoud van de inboedel en hij moest de inventaris regelmatig aanvullen.  Vanaf 1513 was hij ook verantwoordelijk voor de disputen.

Een gewone dag in het Heilige-Geestcollege begon om halfvijf ’s morgens. Voor halfzes moesten de studenten zich aanmelden, daarna gingen ze naar de mis. Vóór het ontbijt omstreeks negen hadden de studenten al een eerste les in de halle meegemaakt. Daarna volgde een periode van gedempte stilte tot omstreeks elf uur. Wat er in de namiddag gebeurde is niet bekend en ook over het tijdstip van het avondeten zijn geen gegevens beschikbaar. Wie ’s avonds naar buiten mocht, moest om negen uur terug zijn. Dan ging de deur op slot en heerste er stilte tot de volgende morgen.

Het leven in het Heilige-Geestcollege draaide uitsluitend rond theologie. De studenten moesten bij alle lessen, oefeningen en disputen in de theologie aanwezig zijn. Vooral de zaterdagdisputen mochten niet gespijbeld worden.  Deze vonden sinds het einde van de vijftiende eeuw plaats op zaterdagnamiddag.  Op die disputen oefenden studenten zich in theologische discussies door een stelling te verdedigen of aan te vallen. Deze disputen werden vaak voorgezeten door een gezaghebbende professor van de theologische faculteit, zoals bijvoorbeeld Adrianus van Utrecht (de latere paus Adrianus VI) of Ruardus Tapper.  Vanaf het midden van de vijftiende eeuw warren deze disputen een essentieel onderdeel van de theologische opleiding.

Van de bursalen werd verwacht dat ze regelmatig promoveerden. Wie dit niet deed, riskeerde een sanctie en kon zelfs zijn beurs verliezen. Om dit risico te verkleinen controleerde de theologische faculteit regelmatig de studieresultaten. Traditioneel gebeurde deze controle bij de jaarlijkse visitatie. Soms probeerde de faculteit misbruiken te vermijden door de betaling van de beurs ook uit te stellen. De bursaal kreeg dan het eerste half jaar geen geld en werd in twee stappen uitbetaald bij het beëindjgen van de twee eerste delen van de baccalaureaatscyclus.

Het Heilige-Geestcollege beschikte over een eigen bibliotheek. Deze bezat vooral boeken die verschillende schenkers overmaakten aan het college. Naast de voor de hand liggende theologische werken waren ook een aantal kerkjuridische traktaten en enkele werken van klassieke auteurs, waaronder Sallustius en Flavius Josephus, aanwezig. Een van de bursalen werd door de president aangesteld als bibliothecaris. Hij stond in voor het verzorgen van de boeken, het onderhouden van de catalogus en voor de controle op de uitleningen.

Deze en andere jobs, zoals bijvoorbeeld koster, gaven bursalen de kansen om geld bij te verdienen. Aangezien de waarde van de beurzen de evolutie van de levensduurte niet volgde, verslechterde de materiële toestand van de studenten met de jaren. De theologische faculteit ving dit gedeeltelijk op door beurzen te nivelleren en te cumuleren. In de praktijk moesten alle bursalen over een eigen inkomen beschikken om financieel te kunnen overleven.

Dagelijks werd er driemaal gegeten. ’s Morgens werd er in de keuken ontbeten. Dit ontbijt was niet verplicht, toch werd er zo veel mogelijk samen ontbeten. De andere twee maaltijden waren wel verplicht. Ze werden voorgezeten door de president en alleen hij kon studenten van aanwezigheid vrijstellen.  Hij was ook verantwoordelijk voor de bereiding van de maaltijden die “middelmatig” moesten zijn “zoals het bursalen paste.” Hijzelf mocht iets beter eten “zonder de bursalen financiële schade te berokkenen.”

Elke hoofdmaaltijd werd vergezeld van de nodige gebeden en van het lezen van telkens twee hoofdstukken uit de Bijbel.

Buiten de vastgestelde uren mocht niemand eten of drinken binnen het college zonder de toestemming van de president.

Over de samenstelling van de maaltijden in het Heilige-Geestcollege heb ik geen gedetailleerde informatie gevonden. Er was zeker ook vlees aanwezig want enkele stichtingen voorzagen in de aankoop van varkens. Waarschijnlijk werd bij de maaltijden (klein) bier gedronken. Wijn was voorbehouden voor speciale aangelegenheden.

Ontspanning werd waarschijnlijk vooral ’s avonds na de laatste maaltijd genomen. Tot negen uur, uitzonderlijk tot tien uur, mocht er gepraat worden. Waarschijnlijk werd er ook gezongen.

In de zomermaanden konden studenten de studenten aan de president de toestemming vragen het college te verlaten. Voor het bezoeken van een herberg en om gasten uit te nodigen voor een maaltijd of een overnachting in het college, moest de expliciete toestemming van de president gevraagd worden. Vrouwen mochten slechts bij hoge uitzondering aanzitten bij een maaltijd, van logeren in het college was voor meisjes helemaal geen sprake.

Wie de stad wou verlaten moest daarvoor een gegronde reden hebben. Ellke student mocht maximum één maand per jaar of zes weken verspreid over het jaar afwezig zijn. Wie te lang wegbleef, riskeerde een deel van zijn beurs kwijt te zijn.

Van bij de stichting werden in het college missen gecelebreerd. Deze werden voorgegaan door bursalen die hiermee een centje konden bijverdienen. Vanaf 1448 is er sprake van een eigen kapel en werd er dagelijks minimaal één mis opgedragen.  De missen werden opgedragen tussen zes en zeven uur in de zomer en tussen zeven en acht in de winter. Alle missen vielen buiten de uren die voorzien waren voor lessen of disputen. Eén bursaal werd aangesteld als koster. Deze verdiende een centje bij door te kapel en de gewijde vaten te verzorgen en door tijdens de missen dienst te doen als misdienaar.

Zoals andere theologiecolleges was het Heilige-Geestcollege georganiseerd als een regulier kapittel van studenten onder leiding van een president. In de statuten werd de nadruk gelegd op geregeld studeren en promoveren, een matig en geregeld leven en op de verplichte aanwezigheid van alle collegeactiviteiten.

2016: het jaar van …

Een voorsmaakje.

het boek Utopia

In 1516 drukt Dirk Martens de eerste editie van Thomas Morus’ Utopia.

In Utopia (“De Optimo Reipublicae Statu deque Nova Insula Utopia) beschrijft Thomas Morus een ideale staat. Het Utopia bestaat uit twee boeken. Het is geschreven in dialoogvorm tussen de auteur en Raphaël Hythlodaeus, een denkbeeldige reiziger die veel vreemde landen heeft bezocht. Het eerste boek is een kritiek op de Engelse samenleving aan het begin van de zestiende eeuw. In het tweede deel wordt een ideaal, denkbeeldig eiland voorgesteld zonder overheersing en luxe en zonder privébezit van land.

Thomas More (Thomas Morus 1478 – 1535) gebruikte dit boek om zich af te zetten tegen het economische en politieke beleid van Engeland. Hij schreef Utopia terwijl hij op bezoek was bij zijn vriend Pieter Gillis, stadssecretaris van Antwerpen. Pieter Gillis was toen ook corrector bij Dirk Martens en met de hulp van Desiderius Erasmus en Gerardus Noviomagus (Geldenauer) brengt hij Thomas Morus in contact met  Dirk Martens die de eerste druk van dit boek zal verzorgen.

Dirk Martens (1446 of 1447 – 1534) werd in Aalst geboren in een poorterfamilie. In 1473 startte hij in Aalst, samen met Johan van Westfalen, een drukkersatelier. In 1486 opende hij een tweede atelier in Aalst. Van 1493 tot 1512 (onderbroken door een eerste verblijf in Leuven van 1497 tot 1501) had hij een atelier in Antwerpen. In 1497 liet hij zich inschrijven aan de universiteit, maar hij bleef in Antwerpen drukken. In 1512 verliet hij voorgoed zijn Antwerps atelier en vestigde zich definitief in Leuven.

In 1473 drukte Dirk Martens het eerste boek in de Zuidelijke Nederlanden. Kort daarna drukte hij als eerste in de Nederlanden Griekse karakters. In 1518 drukte hij weer als eerste in de Nederlanden een Hebreeuwse tekst. Later volgden een Hebreeuws woordenboek en een Hebreeuwse grammatica.

In Antwerpen en vooral in Leuven kwam Dirk Martens in contact met het humanisme. Zijn atelier was een ontmoetingsplaats voor humanisten die hun teksten bij hem laten drukken. Hij gaf werken uit van de jonge Erasmus en Thomas More. Zij werden vrienden voor het leven en noemden hem “onze Dirk”.

de Leuvense Rijksuniversiteit

MTC

KU Leuven

Op 25 september 1816 vaardigt koning Willem I een organiek reglement uit waarin tot de oprichting van drie universiteiten in de zuidelijke Nederlanden wordt besloten: in Gent, Leuven en Luik. Bij de Franse Aanhechting in 1794-95 werden de bestaande universiteiten afgeschaft en waren er een tiental jaren geen universiteiten in onze streken.

De Rijksuniversiteit bleef bestaan tot in 1836. In februari 1834 kondigen de Belgische bisschoppen de oprichting van een nieuwe Katholieke Universiteit af. Op 4 november werd te Mechelen de bisschoppelijke Universiteit geopend. De Brusselse Loge ijverde voor een vrijzinnige universiteit die ook startte op 4 november: de Vrije Universiteit Brussel. Einde 1835 had België dus vijf universiteiten: drie Rijksuniversiteiten (Gent, Luik en Leuven) en twee vrije (Brussel en Mechelen).

witte vrouwen

Ook in 1816 kreeg de Protestantse gemeente in Leuven van het stadsbestuur de voormalig huiskapel van de Witte Vrouwen in bruikleen nadat deze eerst nog tijdens de Franse revolutie als kledingopslagplaats en militair hospitaal had gediend.

Isala Van Diest

Isala Van Diest

Wikipedia

Op 6 februari 1916 sterft Isala Van Diest in Knokke.

Isala Van Diest was de dochter van een Leuvense arts-verloskundige. Isala, haar broer en haar vijf zussen werden vrij en ruimdenkend opgevoed. Moeder Elisabeth Génie had nauwe contacten in de Britse progressieve kringen en nam haar kinderen vaak mee op reis naar Engeland.

Toen haar broer stierf en haar vader geen opvolger meer had, besliste Isala dat zij geneeskunde zou gaan studeren. Na in het Zwitserse Bern het hoger secundair onderwijs gevolgd te hebben keerde ze naar België terug om zich in de Leuvense universiteit in te schrijven aan de faculteit geneeskunde.

Zoals verwacht weigerde de universiteit Isala Van Diest in te schrijven. Rector Namèche stelt haar voor de studies fysiologie en verloskunde te volgen zodat ze vroedvrouw zou kunnen worden. Daarvoor had ze geen universitair diploma nodig en dat werd gezien als een passend beroep voor vrouwen. Isala weigerde.

In 1874 vertrok Isala Van Diest terug naar Bern om er opleiding in de natuurwetenschappen te volgen. In 1876 doctoreerde ze in de natuurwetenschappen en in 1879 behaalde ze het doktersdiploma met een proefschrift over de hygiënische toestand van gevangenissen.

Fuglister_reclame_1916-Mobile

Stadsarchief

Ook in 1916 publiceerde Albert Füglister zijn boek “Louvain. Ville Martyre”.

 

Meer over deze Leuvense geschiedenissen in latere afleveringen dit jaar.

Terugblik op 2015

In volgorde van jullie voorkeur (aantal bezoeken)

Het Sint-Annaretabel

geboorte Maria

(c) Lukas vzw

In zaal 1 van het museum M wordt een hoge muur beheerst door veertien grote albasten panelen met taferelen gebeeldhouwd in hoogreliëf. Door hun omvang kan je ze moeilijk verborgen parels noemen maar ik betwijfel of velen weten waar dit vandaan komt en wat het voorstelt. Zowel het kunstwerk zelf als de context waarin we het moeten situeren, zijn bijzonder genoeg om even bij stil te staan.

Lees meer.

Heverlee en het geslacht de Croÿ. Deel 1

Panorama Heverlee

Maarten van Valckenbotch

In het begin van de achtste eeuw maakte Heverlee deel uit van de domeinen van de bisschop van Luik. In de twaalfde eeuw wordt Heverlee bij het graafschap Leuven ingelijfd. De heerlijkheid omvatte toen Oud-Heverlee, Vaalbeek en Bertem. De heren van Heverlee hadden hun versterkte burcht op de plaats van het huidige Arenbergkasteel.

Lees meer.

Heverlee en het geslacht de Croÿ. Deel 2

album croy2

Adriaan van Montigny

Karel III van Croÿ studeerde aan het Drietalencollege. In 1577 trad hij in dienst bij de landvoogd don Juan van Oostenrijk. Na diens aanval op Namen ontvluchtte hij het geweld in de Nederlanden.

Lees meer.

Gemma Frisius

Reinerus Frisius Gemma

Reinerus Frisius Gemma *oil on panel  *1540 – 1545

In 1526 kwamen ongeveer achttienhonderd studenten uit (het huidige) Nederland, waarvan 267 uit Friesland. Eén van hen was Jemme Reinierszoon, bij zijn inschrijving gelatiniseerd als Gemma Reyneri. Latere auteurs hebben abusievelijk Reinier beschouwd als Gemma’s voornaam. Hij betitelde zichzelf van bij zijn eerste publicaties als Gemma Phrysius, verwijzend naar zijn geboortestreek. Dit was tegelijk ook een knipoog naar het antieke Phrygië (Klein-Azië, Turkije).

Lees  meer.

Wie herkent dit

wie_herkent_dit

(c) Lukas v.z.w.

Dit gebeeldhouwde miniatuur is een detail van een van de topstukken van het Leuvens cultureel erfgoed. Het staat ook op de lijst van Topstukken van het Vlaams cultureel erfgoed, en het is vrij te bezoeken. Toch zullen velen dit nog niet herkennen, daarom plaats ik deze bijdrage onder de “verborgen parels”. Het is zeker niet verborgen in de letterlijke zin van het woord, maar het is figuurlijk voor ons verborgen omdat we niet buiten het kader kijken en ons blind staren op de grote publiekstrekkers.

Lees meer.

Bouw van de lakenhal

hal

Foto: Koen Demarsin http://www.Ertf-goed.be

Wat heeft de Gauss-curve te maken met de universiteitshal?

Lees meer.

Het Sint-Jorisretabel

Om dit kunstwerk te bewonderen moet je naar het Jubelparkmuseum in Brussel. In feite is het retabel nog steeds eigendom van het Leuvense museum: in 1812 werd het uitgeleend aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis waar het dienst deed als lesmateriaal in de academie. In Leuven vond men het retabel te ouderwets.

Lees meer.

Vivés en de twee bronnen

Juan_Luis_Vives

(c) Wikipedia

Wie was Vivès? Waar komt de naam van de Leuvense stadsbibliotheek en archief vandaan?

Lees meer.

Ferdinand Verbiest en de Kang-Xi globe

Ferdinand Verbiest trad in 1641 in bij de Jezuïeten. Hij werd in 1659 als missionaris naar China gezonden. Een andere jezuïet, Johann Adam Schall von Bell, riep hem naar het keizerlijk hof als Assistent Dishi (kroonprinsleermeester).

Lees meer.

Stichting van de universitaire colleges

Gaillard_1890

F. Gallard

9 november 1425, op die dag werd Leuven een universiteitsstad. Op die dag verleende paus Martinus V de stichtingsbul van de universiteit van Leuven. Volgens een stadslegende zou Brussel de stichting eerder zijn aangeboden maar haar bestuurders zouden geweigerd hebben uit bezorgdheid voor de eerbaarheid van hun maagden.

Lees meer.

Het Celestijnenklooster in Heverlee

Leuven_lovanium_fragment

Joost Vander Baren, uit: Justus Lipsius. “Lovanium”

In juni 1521 werd in Heverlee in de buurt van het kasteel van Croÿ een werf geopend. Vijf jaar later kon in het koor boven het hoofdaltaar het jaartal 1526 geschilderd worden. Op vijf jaar tijd was hier een laatgotische kerk verrezen met de grootte van een stadskerk. Het zou de grafkerk van de familie de Croÿ worden en de celestijnen van het aanliggende klooster zouden zorgen voor de bediening van de kerk en het opdragen van de missen. De kerk werd toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw-Boodschap zoals bij het moederhuis in Parijs.

Lees meer.

Het testament van Willem van Croÿ

croy-hamal

In oktober 1520 verliet Willem van Croÿ zijn kasteel in Heverlee. Niemand kon toen vermoeden dat het zijn laatste reis zou worden ook al had hij op 7 oktober zijn testament gemaakt. Daarin had hij zijn neef Filips universeel erfgenaam gemaakt en zijn vrouw Maria van Hamal levenslang vruchtgebruik op de erfgoederen gegeven.

Lees meer.

Celestijnen in Heverlee

deleville

K.U. Leuven, Centrale Bibliotheek

Petrus Celestinus zou in 1215 geboren zijn in Sant’Angelo Limosano in de buurt van Isernia (Midden-Italië) als Pietro Angelerio. Hij verloor op jonge leeftijd zijn vader en trad op zeventienjarige in bij de benedictijnen in Faifoli in het Italiaanse bisdom Benevento. Pietro voelde zich niet echt thuis in het klooster. Hij voelde zich meer aangetrokken door het ascetisme en trok zich als kluizenaar terug in een grot in de bergstreek ten noorden van Napels. Johannes de Doper was zijn grote voorbeeld. Hij vastte alle dagen behalve de zondag, hij onderhield jaarlijks vier vastenperiodes waarvan hij er drie leefde op water en brood.

Lees meer.

Stichting van het Heilige-Geestcollege

lm

uit: Louvain Monumental

Lodewijk De Ryke was nauw betrokken bij de stichting van de universiteit. Van 1411 tot 1422 en van 1429 tot 1450 maakt hij deel uit van het stadsbestuur. Van 1422 tot 1439 was hij rentmeester van de hertog in het Leuvense kwartier. Zijn huwelijk met Judoca Vanden Putte bleek kinderloos. Een aantal familieleden studeerde aan de universiteit en hij was goed bevriend met Johannes Varenacker, pastoor van Sint-Pieter en professor van de theologiefaculteit. Hij had dus zeer goede contacten met de universiteit en met de theologiefaculteit in het bijzonder. Dit verklaart misschien zijn vrijgevigheid en zijn keuze voor een college verbonden aan de theologische faculteit.

Lees meer.

Sapientiae Immarcessibilis

charter_universiteit

Bul met privilege van Paus Martinus V voor de Leuvense universiteit, 9 december 1425. Flandrica.be

Het belangrijkste erfgoedverlies van de “Brand van Leuven” was geen monumentaal gebouw maar een stuk perkament met een grootte van ongeveer een A3-blad: het origineel exemplaar van “Sapientiae Immarcessibilis”, de bul waarmee Paus Martinus V de formele toelating geeft in Leuven een universiteit te stichten. Dit document was gedateerd op 9 december 1425. Dit is dus de officiële stichtingsdatum van de Leuvense Universiteit. Dit historisch document ging volledig in rook op wanneer Duitse soldaten in 1914 de Hallen in brand steken. Gelukkig werd er vijf jaar eerder een facsimile van de originele bul gemaakt.

Lees meer.

Internettips

leuvenplus

Lees meer.

Van boekbinder tot uitgever

elsevier_stadhuis

Louis Helschevier werd in Leuven geboren als zoon van een drukker die Hans de Louvain werd genoemd. In Leuven leerde hij het vak van boekbinder. Vandaar reisde hij naar Antwerpen om te gaan werken bij Christoffel Plantijn. Daar was Louis de Louvain zijn roepnaam maar hij heette Louis Elzevier.

Lees meer.

Kamerood Sesteg

Het Leuvense begrip “kamerood sesteg’” (kameraad zestig) stamt uit het middeleeuwse schuttersleven. De Grote Gilde van de Kruisboog – “Groote Gulde van de Ouden Cruysboghe” of het “Gulde van de Sestigen” – had zestig leden. Telkens een lid wegviel, mocht een “bleuke” tot de gilde toetreden. Dat zestigste lid werd “kamerood sesteg” genoemd. De uitdrukking wordt nog wel eens gebruikt om een nieuweling aan te duiden met een beetje minachting. De mannen van 60 hebben van het begrip een geuzennaam gemaakt.

Lees meer.