Categorie archief: Uncategorized

Stichting van het Heilige-Geestcollege

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 2

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

Lodewijk De Ryke was nauw betrokken bij de stichting van de universiteit. Van 1411 tot 1422 en van 1429 tot 1450 maakt hij deel uit van het stadsbestuur. Van 1422 tot 1439 was hij rentmeester van de hertog in het Leuvense kwartier. Zijn huwelijk met Judoca Vanden Putte bleek kinderloos. Een aantal familieleden studeerde aan de universiteit en hij was goed bevriend met Johannes Varenacker, pastoor van Sint-Pieter en professor van de theologiefaculteit. Hij had dus zeer goede contacten met de universiteit en met de theologiefaculteit in het bijzonder. Dit verklaart misschien zijn vrijgevigheid en zijn keuze voor een college verbonden aan de theologische faculteit.

Lodewijk de Ryke woonde sedert 1412 in de Prooststraat (de huidige Naamsestraat) in de buurt van de halle. In 1424 verwerft hij de brouwerij Hollant op de hoek van de Prooststraat en de Hevelstraat (de huidige Collegeberg en in 1445 geeft hij het huis aan de theologieprofessoren Hemericus de Campo en Johannes Varenacker met de bedoeling er een college in te stichten. De voowaarden waren kort voordien vastgelegd en goedgekeurd door bisschop Johannes van Heemsberg. De stichting was bedoeld voor zeven arme theologiestudenten waaronder twee priesters. Die priesters moesten missen lezen en kregen daarvoor een dubbele prebende. In 1448 was er al een kapel waarin weldoeners missen konden stichten.

Het college werd toegewijd aan de “Zeven Gaven van de Heilige Geest” en naast de naam “Heilige-Geestcollege” werd er ook gesproken over het “College van de Theologanten” of het “College van de Theologische Faculteit”.

In 1447 schonk het echtpaar de Ryke-Vanden Putte hun eigen woning en enkele huizen in de Hevelstraat aan de theologische faculteit. Zij behielden wel het vruchtgebruik zodat de gebouwen pas na de dood van Judoca Vanden Putte in 1462 gebruikt konden worden. De theologische faculteit gebruikte ze voor haar eigen activiteiten zoals promotieplechtigheden en disputen. Een van de huizen werd de woning van de pedel van de faculteit.

De naam “pedel” wordt in verschillende contexten gebruikt. Oorspronkelijk werden er twee pedellen toegevoegd aan de rector. Zij moesten hem steeds vergezellen op straat en zorgden voor de bekendmaking van de officiële mededelingen.  Na 1440 bezat elke faculteit een pedel. Deze was vooral met administratieve taken belast. In Vlaanderen wordt de naam “pedel” nu toegekend aan de facultaire verantwoordelijken voor de studentenadministraties en worden de “officiële” pedellen die bij feestelijkheden de rector vergezellen uit deze groep gekozen. Nederlandse universiteiten hebben door de band één of twee pedellen. Officieel moeten zij zich bezighouden met alle academische  zittingen. In Nederland is dit vooral een ceremoniële functie geworden.

De oudste bekende statuten bleven bewaard in een document van 1573 maar dateren voor het grootste deel van vóór 1525 toen het pas opgerichte Pauscollege bepalingen eruit zou overnemen. Deze statuten kwamen aanvankelijk pragmatisch en geleidelijk tot stand. Bepalingen werden toegevoegd naargelang bepaalde problemen zich stelden. De statuten kregen in het eerste kwart van de zestiende eeuw hun definitieve vorm. Ze bevatten bepalingen over de volgende aangelegenheden: leiding en materieel beheer, voorwaarde voor opname en verplichtingen van de bursalen, het dagelijkse leven en de duur van de beurs, de visitatie, de kapel en de bibliotheek, en het onderhoud van de statuten. De statuten werden vier maal per jaar voorgelezen waarvan één maal bij de visitatie door de theologische faculteit.

Tussen 1471 en 1530 werden eenenveertig beurzen onder beheer van de theologische faculteit en haar college geplaatst. Van die eenenveertig waren er achtentwintig bestemd voor bursalen in het Heilige-Geestcollege. De dertien anderen waren bestemd voor bursalen buiten het college. Die waren vooral bestemd voor studenten die in een van de vier pedagogieën verbleven. Alle bursalen in het college zelf waren theologiestudenten. De bursalen buiten het college waren vooral artes- en theologiestudenten. De artesstudenten zaten vooral in de pedagogie de Burcht die een bijzondere band had met de theologische faculteit en haar college.

Behalve beurzen werden in het college ook missen gesticht. Dan ging het geld van de stichting naar de bezoldiging van de studenten die de mis celebreerden. Deze missen waren voor de gekozen celebranten een welkome aanvulling op hun beurs. Vanaf 1448 had het college een eigen kapel en tegen het einde van de vijftiende eeuw werd er elke dag minstens één mis opgedragen. Een aantal weldoeners van het Heilige-Geestcollege deed ook schenkingen voor gemeenschappelijke goederen zoals hout en vlees.

De motivatie van de schenkers was meestal vrij duidelijk: zij wouden hun zielenheil bewerken en sociale noden lenigen. Meestal bevoordeligden ze eigen familie of streek. Een groot aantal kwam uit kringen in de buurt van de theologische faculteit: vijf schenkers waren theologieprofessor en drie baccalaurei formati in de theologie. Drie beurzen kwamen er op initiatief van theologieprofessoren en twee stichtingen door verwanten van theologieprofessoren. De andere weldoeners waren vaak geestelijken of alumni die aan het hof resideerden en die de universiteit, en dan in het bijzonder de theologische faculteit, goed gezind waren.

Typisch voor het Heilige-Geestcollege waren de Leuvense burgers onder haar weldoeners. Zij volgden het inspirerend voorbeeld van de stichter van het college, Lodewijk de Ryke. Zo liet Elisabeth Lambrechts, echtgenote van een Leuvens burger een legaat voor de bibliotheek na en Catharina Pynnock, zuster van de gekende meier Lodewijk Pynnock en gehuwd met Libertus van Meldert, liet bij testament hun huis na aan het college. Dat huis lag naast het college en moest de ambtswoning van de president worden.

Het externe beheer van het Heilige-Geestcollege was van bij de stichting in handen van de theologische faculteit. Zij was naar de wil van de stichters eigenaar van de gebouwen en verantwoordelijk voor de betaling van de lasten en het onderhoud. Voor concrete aangelegenheden werd een wisselend aantal afgevaardigden gedelegeeerd. Gedurende de eerste jaren van de zestiende eeuw kwamen dezelfde drie namen in verschillende delegaties voor: Adrianus Florentius (Adriaan Floriszoon), Johannes Moederloos en Nicolaus Hellens. De pastoor van de Sint-Pieterskerk was er bijna altijd bij.

Het financiële beheer was in de eerste jaren in handen van de pedel van de theologische faculteit. Nadien had het college zijn eigen rentmeester die onder controle stond van de faculteit. Hij was verantwoordelijk voor het beheer van de stichtingen en stond in voor de jaarlijkse boekhoudkundige controle.

Het Heilige-Geestcollege was van bij de stichting nauw verbonden aan de theologische faculteit. In feite was het van in de beginne een faculteitsinstelling. Dit verklaart in grote mate het hoge aantal weldoeners die het college verschillende eeuwen zou begunstigen. Dankzij hun onbaatzuchtige schenkingen zou het Heilige-Geestcollege zonder veel schade de nog komende economische crisissen doorkomen.

Het celestijnenklooster in Heverlee

In juni 1521 werd in Heverlee in de buurt van het kasteel van Croÿ een werf geopend. Vijf jaar later kon in het koor boven het hoofdaltaar het jaartal 1526 geschilderd worden. Op vijf jaar tijd was hier een laatgotische kerk verrezen met de grootte van een stadskerk. Het zou de grafkerk van de familie de Croÿ worden en de celestijnen van het aanliggende klooster zouden zorgen voor de bediening van de kerk en het opdragen van de missen. De kerk werd toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw-Boodschap zoals bij het moederhuis in Parijs.

Met de stichting van een grafkerk en bijhorend klooster plaatste de familie van Croÿ zich volledig in de traditie van hun Bourgondische landsheren. De Bourgondische hertogen hadden hun mausoleum nabij Dijon in de kartuis van Champmol die daarvoor door Filips de Stoute is opgericht.

MINOLTA DIGITAL CAMERA

eigen foto

Onze laatste Bourgondische prinses, Margaretha van Oostenrijk ligt begraven in de kloosterkerk van Brou, nabij Bourg-en-Bresse. Zij had dit klooster met grafkerk laten oprichten naar de wens van haar man, Filibert van Savoye en liet er verscheidene praalgraven voor vervaardigen, onder andere door haar hofbeeldhouwer Conrat Meit.

MINOLTA DIGITAL CAMERA

eigen foto

Willem van Croÿ had zelf de begraafplaats van Lodewijk van Orléans bezocht in het Celestijnenklooster in Parijs.

In september 1525 was de bouw van het convent zo ver gevorderd dat de kloosterlingen er hun intrek konden in nemen. De bouw van het klooster zou nog een tijd aanslepen. De pandgang kreeg een voorlopige houten zoldering en werd waarschijnlijk pas omstreeks 1540 overwelfd.

Rond 1600 trok Karel II van Croÿ zich het lot van de verwaarloosde priorij aan. Hij wordt daarom wel eens de tweede stichter van het convent genoemd.

Karel had grootse plannen. Je kan er nog een idee van krijgen op een vouwblad in het boek van Justus Lipsius, Lovanium, met een panorama van Heverlee. Je ziet er een genivelleerd landschap met kaarsrechte lijnen die loodrecht op elkaar staan in een orthogonaal raster.

Josse_van_der_Baren_-_Heverlea

(c) Wikipedia

De aanpassingen van het landschap heeft Karel voor een stuk kunnen realiseren. Om het terrein rond het kasteel te nivelleren liet hij de valleiwand van de Dijle afgraven. Zo kwam de Sint-Lambertuskerk (nu Sint-Lambertuskapel) op een geïsoleerde hoogte te liggen. Hij liet ook de dreef aanleggen (nu Kardinaal Mercierlaan, het voetbalstadion van OHL is ernaar genoemd) die het kasteel en de stad met elkaar verbinden, veertig voet breed (elf meter) en mille passus of duizend passen lang (één mijl of anderhalve kilometer.)

Sint-Lambertus

Waren enkele van de dromen van Karel en zijn omgeving uitgekomen, de toekomst van het klooster en de kerk zouden er gans anders uitgezien kunnen hebben. Zo droomde Karel van Croÿ van een college voor studenten, verbonden aan het klooster. Dit zou moeten komen hebben in een aanbouw aan de zuidkant met beneden een gehoorzaal en boven een bibliotheek. Het college is er nooit gekomen.

De toekomst van de kerk zou waarschijnlijk rooskleuriger geweest zijn, hadden de inwoners van Heverlee hun zin gekregen toen ze vroegen de Celestijnenkerk te mogen gebruiken als parochiekerk. In 1612 drongen ze hierop aan vanwege de bouwvallige situatie van de Sint-Lambertuskerk, “die welcke daegelijcx ruijneuse en caducq is wordende door het wegh bringhen van de omliggende berghen.” De kloosterkerk had alleen een toren moeten krijgen, met twee klokken en twee schellen. Karel was het plan niet ongenegen maar de verhuizing is nooit doorgegaan.

Aan het klooster werden herstellingswerken uitgevoerd: metselwerk, bepleistering van de binnenmuren en vernieuwing van het schrijnwerk buiten.

Voor de binneninrichting plande Karel ook een grondige vernieuwing. Van plint tot plafond moest er een volledig nieuwe verflaag komen, ontworpen volgens een vast schema: compartimenten in zwart en wit voor de zoldering, imitaties van diverse steensoorten voor de plinten en door zuilen van elkaar gescheiden medaillons op de wanden. De taferelen uit heiligenlevens en Bijbelverhalen zouden herhaald worden in de glasramen. De thematiek zou aangepast worden aan de functie van het vertrek. Het gastenverblijf had bij voorbeeld taferelen moeten krijgen uit de verhalen van Lazarus en van de Verloren Zoon. In de refter zou het leven van de Heilige Celestinus verbeeld worden.

Deze en andere plannen nam Karel van Croÿ mee in zijn graf. In 1612 stierf hij kinderloos. In zijn testament gaf hij de opdracht de Sint-Annakapel in de celestijnenkerk te versieren met de wapenschilden van alle heerlijkheden die in het bezit waren van de familie.

In zijn tombe was er al een plaats voorzien voor zijn jonge weduwe. Dorothea zou Karel met een halve eeuw overleven. Bovendien wou zij begraven worden op de plaats waar de priester de introïtus leest. Zij overleed in 1662 en reserveerde in haar testament een fatsoenlijk bedrag voor de stichting van een klooster voor vrouwelijke celestijnen in Nancy. In Heverlee liet ze naast geld voor missen en een grafplaat en naast giften voor de prior en enkele monniken een kleed na van rood fluweel doorregen met cantilledraad bezaaid met lovertjes voor een ornament en een ledikant met passement van gouddraad en een hemel als baldakijn, voor het Heilig Sacrament.

Het overlijden van Dorothea betekende ook het einde van het geslacht van Croÿ-Aarschot. Anna van Croÿ, zus van Karel en gehuwd met prins-graaf Karel van Arenberg, riep zichzelf uit tot hertogin van Aarschot.

Ook in de Celestijnenpriorij werd het geslacht de Croÿ afgelost door de Arenbergs maar dit veranderde weinig aan de situatie. Het bleef klachten regenen naar aanleiding van visitaties en de schadestaten en vertoogschriften bleven zich opstapelen in de archieven.

Prins-graaf Filips van Arenberg, die in 1644 tot hertog werd verheven, zou nog een barok epitaaf in de Celestijnenkerk krijgen maar de meeste Arenbergs zouden begraven worden in de crypte van het kapucijnenklooster in Edingen, dat in 1615 werd gesticht door Karel van Arenberg.

edingen_ferraris

(c) Wikipedia

De Arenbergs verkiezen de kapucijnen boven de celestijnen maar de Celestina bleef ook voor de Arenbergs haar functie van memoriaal behouden.

Het testament van Willem van Croÿ

In oktober 1520 verliet Willem van Croÿ zijn kasteel in Heverlee. Niemand kon toen vermoeden dat het zijn laatste reis zou worden ook al had hij op 7 oktober zijn testament gemaakt. Daarin had hij zijn neef Filips universeel erfgenaam gemaakt en zijn vrouw Maria van Hamal levenslang vruchtgebruik op de erfgoederen gegeven.

Op 22 oktober woonde hij in Aken de kroningsplechtigheid van Keizer Karel bij waarna hij naar Worms vertrok om er de Rijksdag bij te wonen. Hij kwam er aan op onnozelekinderendag (28 december). De Rijksdag begon op 21 januari.

edict van Worms

(c) Wikipedia

Dit zou de belangrijkste Rijksdag in de geschiedenis worden. De gevolgen van het edict van Worms zijn nog steeds duidelijk zichtbaar in het huidige Europa. Toen werd Europa verdeeld in een protestants noorden en een katholiek zuiden.

In 1517 maakte Maarten Luther zijn Vijfennegentig Stellingen bekend. Hij voegde ze bij een brief aan aartsbisschop Albrecht van Mainz. Deze stellingen waren bedoeld als inleiding voor een theologisch debat. De stellingen, origineel geschreven in het Latijn zouden zeer snel vertaald en verspreid worden. In 1519 werden de stellingen de eerste maal veroordeeld door de theologische faculteiten van de universiteiten van Keulen en Leuven. Paus Leo X liet de stellingen onderzoeken door commissies. In 1520 vaardigde paus Leo X de bul “Exsurge domine” uit waarin Luther bedreigd werd met excommunicatie wanneer hij zijn stellingen niet terugnam. Wanneer Luther de ban verbrandde, volgde de excommunicatie, officieel gedecreteerd in de bul “Decet Romanum Pontificum” uitgevaardigd op 3 januari 1521. In april 1521 weigerde Luther nogmaals zijn stellingen terug te nemen en werd hij in het edict van Worms in de rijksban gedaan. Luther werd vogelvrij verklaard en de verbranding van zijn geschriften werd geboden.

exsurge domine

De dag nadat Luther in de ban was gedaan besloot keizer Karel een coalitie aan te gaan met paus Leo X tegen Frans I, koning van Frankrijk. Daarmee was de rol van Willem van Croÿ als adviseur van de keizer uitgespeeld.

Ook op familiaal vlak kreeg Willem van Croÿ klappen. Op 6 januari 1621 overleed zijn neef  en naamgenoot, de kardinaal van Toledo op drieëntwintigjarige leeftijd. Hij maakte in Worms deel uit van het keizerlijke gevolg. Na een dienst vol pracht en praal werd de kardinaal naar Aarschot overgebracht.

In mei 1521 werd Willem van Croÿ zelf ziek. Door koortsen bevangen werd hij naar de bisschoppelijke residentie in Worms overgebracht. Op 24 mei werd hij door de doctors opgegeven en in de nacht van 27 op 28 mei 1521 overleed hij. De rouwdienst in Worms werd bijgewoond door het keizerlijke hof au grand complet, keizer Karel inbegrepen. De eigenlijke teraardebestelling volgde veertien dagen later in Aarschot. Willem van Croÿ werd voorlopig begraven in het koor van de Onze-Lievevrouwekerk van Aarschot. Ook deze uitvaartdienst werd bijgewoond door de keizer die de overledene uitzonderlijk eerde.

Het uitzonderlijk eerbewijs van keizer Karel bij de uitvaart van Willem van Croÿ had misschien ook te maken met de geheime schenking van vijfhonderdduizend dukaten die Willem de keizer naliet. Verder liet Willem van Croÿ tienduizend dukaten na te verdelen onder het huispersoneel en tienduizend pond van veertig Vlaamse Groten “pour marier povres filles ou les mettre en cloistre”. Om zijn zielenrust te verzekeren moesten er binnen het jaar tienduizend missen gelezen worden. De belangrijkste stichting in het testament was wel de grafkerk met bijhorend convent. Daarin wou hij na de voltooiing bijgezet worden in een “Sépulture honorable”

De laatste wilsbeschikking werd opgetekend in Worms op 21 mei 1521. De eerste secretaris van de keizer, Johannes Hannart, deed dienst als notaris. Het testament dat eerder in Heverlee was opgemaakt bleef geheel van kracht, een groot deel van de laatste versie was gewijd aan de stichting, de bouw en de financiering van het convent, een priorij voor vierentwintig religieuzen van de celestijnenorde. Het klooster moest plaats bieden aan twaalf priesters, zes lekenbroeders en zes leken. Deze laatsten moesten gekozen worden uit de bejaarde onderdanen van het huis van Aarschot. De priesters moesten instaan voor de bediening van de kerk met het praalgraf van de schenker.

De stichting werd in 1522 officieel goedgekeurd door de keizer en de paus. Keizer Karel gaf zijn goedkeuring als hertog van Brabant en ook de paus was een goede bekende want ondertussen was Adriaan van Utrecht paus Adrianus VI geworden.

De financiering zou gebeuren via een jaarrente van 1200 gouden schilden (écu’s) of 1440 gulden afkomstig uit aan te kopen gronden of erfrechten. Dit geldt mocht net zo min als andere verworven goed afkomstig zijn uit het markgraafschap Aarschot.

De uitvoering van het testament werd toevertrouwd aan de weduwe, Maria van Hamal. Die heeft zich kordaat en met grote stiptheid van haar opdracht gekweten. Zij verwierf de nodige fondsen door de aankoop van gronden in de heerlijkheid Beveren in het Graafschap Vlaanderen. Toen het Waasland in 1530 en 1532 geteisterd werd door zware overstromingen, was Hamal verplicht vijfhonderd gulden extra jaarrente te zoeken. Die haalde zij uit ommeland van Diest en Zichem. Er was ook een jaarrente voorzien van tweehonderd rijksgulden voor de armen van de Heerlijkheid Heverlee. De celestijnen moesten deze zes maal per jaar voedselhulp of aalmoezen verstrekken. Tien jaar later was de markgravin bereid acht extra kloosterlingen te bekostigen. Daarvoor voorzag ze een rente van zesduizend dukaten.

glasraam-koppel

Victoria ans Albert museum. London

Maria van Hamal was ook buiten deze testamentaire opdracht gul: in Leuven stichtte ze nog een klooster voor annunciaten en in het Groot Begijnhof een convent voor dertien arme begijnen, nu gekend als het Huis van Chièvres en bekostigde ze een cel in de Kartuis.

Huis_van_chievres

De werkzaamheden aan de kerk en het klooster startten in juni 1521 en in september 1526 was de kerk voltooid. Aan het klooster zou nog een tijd worden voortgewerkt.