Categorie archief: universitaire gebouwen en colleges

Een Leuvense paus en zijn college

Van het “Verken” tot het Hogeschoolplein. Deel 4

Adriaan van Utrecht

Op 2 maart 1459 werd in een huis op de hoek van de Brandsteeg en de Oudegracht in Utrecht een zoon geboren die de naam Adriaan kreeg. Zijn vader, Florens was schrijnwerker of scheepsbouwer. Adriaan verloor zijn vader op jonge leeftijd. Hij zou de naam van zijn vader wel behouden als patroniem en zou steeds ondertekenen als Adrianus Florentii, Adriaan Floriszoon of als Adrianus de Traiecto, Adriaan van Utrecht. De naam Boeijens, zoon van Boudewijn, heeft hij nooit gebruikt. Het feit dat hij de kans kreeg verder te studeren wijst op een zekere welstand in de familie.

In Utrecht kreeg Adriaan ook zijn eerste vorming. Utrecht had op dat ogenblik iet echt een topschool. De Hieronymusschool, onderhouden door de Broeders van het Gemene Leven, kwam er pas in 1474, wat voor Adriaan te laat was.

Het intellectueel centrum van het Noorden lag in die tijd meer naar het oosten, in de Ijsselsteden Zwolle en Deventer.  Daar was aan het einde van de veertiende eeuw onder de bezieling van Geert Grote een beweging ontstaan die een zeer grote invloed krijgen op het spiritueel leven in de Nederlanden. Deze beweging, de Moderne Devotie, streefde naar versobering en innerlijke vroomheid en bekritiseerde samenwonende priesters en persoonlijke bezittingen van kloosterlingen. Het dagelijks gewetenonderzoek nam een centrale plaats in het leven van Geert Grotes volgelingen.

Uit de beweging van de Moderne Devotie zijn ook enkele kloostercongregaties ontstaan: de broeders en zusters van het Gemene Leven en de congregatie van Windesheim. De meest gekende naam uit deze beweging is Thomas a Kempis, auteur van Imitatio Christi, een boek dat lange tijd het meest gelezen boek na de Bijbel was.

imitatio

Het boek speelde een centrale rol in het leven van de kloostergemeenschappen. De verkoop van boeken was een belangrijke bron van inkomsten. Daarnaast waren ze ook actief in het onderwijs. In een aantal steden leidden ze de Latijnse school, in andere hadden ze een kosthuis waarin zowel studenten leefden die zelf hun schoolgeld konden betalen als echt behoeftige studenten.

Adrianus die waarschijnlijk in Zwolle de Latijnse school volgde, is zeer sterk door de broeders van het Gemene Leven en de Moderne Devotie beïnvloed. Voor een invloed van het humanisme was Adrianus een tiental jaren te vroeg geboren. Deze beweging, die in essentie een taalkundige en literaire beweging was, Ze beoogde een terugkeer naar het klassieke Latijn van de antieke auteurs. Cicero werd als het grote voorbeeld gezien. In onze contreien was Desiderius Erasmus de belangrijkste exponent van dit humanisme. Die was goed tien jaar jonger dan Adrianus.

Adriaan in Leuven

Op 1 juni 1476 schreef Adrianus Florentii de Traiecto Inferiori, Adriaan Floriszoon van Utrecht, zich in aan de Leuvense faculteit en zoals alle beginnende studenten begon hij zijn academische loopbaan aan de faculteit van de artes. Hij werd ingeschreven in de pedagogie “het Varken”. Adriaan werd ingeschreven als gewoon student en niet als pauper of arme student. Dat betekent dat hij niet onbemiddeld was. Het is niet duidelijk of zijn vader voldoende geld had achtergelaten of dat hij financiële steun kreeg.

In 1478 promoveerde Adriaan als primus tot magister artium. De meeste studenten namen genoegen met de titel van magister, slechts een minderheid ging verder aan een hogere faculteit. Een van hen was Adrianus die zich inschreef aan de faculteit met het zwaarste programma, theologie. Die opleiding duurde nog eens elf à twaalf jaar en hield nog verschillende examens in. In 1483 of 1484 werd Adrianus baccalaureus, in 1490 licentiatus en in 1491 doctor. Die laatste stap was vooral een financiële aangelegenheid waarbij Adrianus kon rekenen op de steun van Margaretha van York, weduwe van Karel de Stoute.

Tijdens zijn studiejaren aan de theologische faculteit verbleef Adrianus aan het Grote Heilige-Geestcollege, het oudste college van de universiteit. Hij kreeg die jaren ook financiële steun van de Antwerpse familie De Marselaer.

In deze periode werd Adrianus priester gewijd. Hij gaf in die tijd ook les in een pedagogie. Dat was gebruikelijk aan de Oude Universiteit. De meeste docenten waren student aan een hogere faculteit. Dat lesgeven was vaak een saaie bedoening waarbij de docent ex cathedra aantekeningen voorlas en dicteerde. Aan de artesfaculteit stond Aristoteles centraal in het onderwijs, in het theologie-onderwijs stonden de vier boeken van de Sententiae van Petrus Lombardus centraal. De onderwijstechniek was die van de scholastiek. Daarbij werden uitspraken uit de Bijbel, de kerkvaders en andere gezaghebbende bronnen tegen elkaar geplaatst en werd geprobeerd schijnbare tegenstrijdigheden met elkaar te verzoenen door logisch te redeneren.

De Moderne Devotie en de scholastiek zijn twee kernideeën die nodig zijn om de theologie van Adrianus te begrijpen.

Adrianus’ eigenlijke professorenloopbaan start in 1490 wanneer hij benoemd werd als hoogleraar theologie en als kanunnik van het kapittel van de Sint-Pieterskerk. Hij ontpopt zich als de intellectuele leider van de Leuvense theologen en als de leermeester van een aantal belangrijke personen: Johannes Driedo en Jacobus Latomus die belangrijke rol zouden spelen in de strijd tegen Luther, Ruard Tapper die de leider zou worden van de Leuvense delegatie op het Concilie van Trente, Godschalk Rosemondt, …

De belangrijkste inkomsten voor professoren aan de Oude universiteit waren de prebenden. In se was een prebende een plaats voor een kanunnik in een kapittel met de eraan verbonden inkomsten. Al snel ging het alleen om de inkomsten en werd de taak kanunnik overgelaten aan een vervanger en werd het systeem misbruikt om winsten na te jagen, iets waartegen Adrianus zich altijd verzet heeft.

pastorie

Naast kanunnik van de Sint-Pieterskerk was Adrianus kapelaan van het Groot Begijnhof van Leuven, pastoor van Goedereede, een stadje op het eiland Goeree-Overflakkee, deken ban het kapittel van de Onze-Lievevrouwekerk van Antwerpen en kanunnik in de Sint-Guidokerk in Anderlecht. In zijn geboortestad was hij kanunnik van de Sint-Pieterskerk en van het domkapittel, schatbewaarder van de Sint-Mariekerk en proost van de Sint-Salvatorkerk. Adrianus zou echter regelmatig tijdelijk afstand doen van deze beneficiën zodat hij er niet meer dan vier in zijn bezit had.

Adrianus was tweemaal rector van de universiteit, een titel met vooral juridische bevoegdheden. Als deken van de Sint-Pieterskerk was hij ook automatisch vicekanselier van de universiteit. Aangezien de kanselier niet in Leuven woonde, kreeg de vicekanselier de taak van de kanselier. In die hoedanigheid zou hij aan het stadsbestuur voorstellen Desiderius Erasmus een leerstoel aan de universiteit aan te bieden. Erasmus weigerde.

In 1502 kocht Adrianus een groot huis in de toenmalige ’s Meiersstraat tegenover de pedagogie het Varken en het Standonckcollege. Het huis behoorde eerder toe aan de patriciër Nicolaus de Kersmaker. Bij diens dood kwam in de handen van Walter Van den Tymple. De zoon van deze, ook Walter genaamd, verkocht het aan Adrianus van Utrecht. Daarnaast bezat Adrianus ook enkele panden en gronden in de toenmalige Cattestraat, de huidige de Charles de Bériotstraat.

Toen Margaretha van Oostenrijk Adrianus benoemt tot leermeester van de jonge Karel V, stopte in feite de universitaire loopbaan van Adrianus. Zijn werkterrein verplaatste zich naar Margaretha’s hofstad Mechelen. Hij deelde het leermeesterschap met een andere bekende – en vooral beruchte – figuur van de Leuvense high society, Willem van Croÿ, hertog van Chièvres. Adrianus zorgde voor de intellectuele en godsdienstige vorming, Chièvres voor de politieke en militaire opleiding.

Adrianus in Spanje

In 1512 wordt Adrianus raadsheer van Karel. In 1515 wordt hij belast met een delicate diplomatieke opdracht en vertrekt naar Spanje. Hij kan toen nog niet voorzien dat hij niet meer naar de Nederlanden zou terugkeren. In de eerste plaats moest hij koning Ferdinand overtuigen Karel aan te duiden als troonopvolger en niet diens jongere broer Ferdinand. Toen dat gelukt was moest hij de koning vertegenwoordigen in Spanje tot deze daar zelf zou arriveren.

Dat is het begin van een rivaliteit tussen Adriaan en een ander kerkelijk zwaargewicht, Francisco Jimenez de Cisneros. Deze was door Ferdinand aangeduid als regent. Hij was biechtvader van koningin Isabella, aartsbisschop van Toledo en primaat van Spanje. Op latere leeftijd wordt hij kardinaal en grootinquisiteur van Castilië en Leon. In 1499 stichtte Jimenez de Cisneros de universiteit van Alcala de Henares, de eerste universiteit met een college voor de studie van de drie Heilige talen, Grieks, Latijn en Hebreeuws.

Adrianus zou zich in korte tijd op gelijke hoogte met zijn rivaal op de kerkelijk-hiërarchische ladder hijsen. Hij werd achtereenvolgens benoemd tot bisschop van Tortosa, grootinquisiteur van Aragon, Valencia en Navarra, en kardinaal.

Adrianus was al in Spanje wanneer Luther zijn stellingen openbaar maakt. Omdat de Leuvense theologen niet zeker zijn, vragen ze advies aan hun voormalige voorman. Die veroordeelt de stellingen in duidelijke woorden. Hij doet dat in een brief die de Leuvense theologen mee zouden laten afdrukken wanneer ze hun veroordeling publiceren. Dirk Martens was de drukker van dienst.

veroordeling

Paus Adrianus VI

Op 1 december 1521 stierf paus Leo X. Toen de kardinalen bijeenkwamen, bleek het conclaaf verdeeld in twee even sterke partijen: de Spaans- of keizergezinde kardinalen enerzijds en de Fransgezinde anderzijds. De leider van de eerste, Giulio de’Medici, werd telkens weer afgeblokt door de tegenpartij. Ten einde raad stelde Giulio de’Medici voor een niet-aanwezige kardinaal te kiezen die de reputatie had een vroom en geleerd man te zijn: Adriaan van Utrecht. Toen ging alles plots heel snel. Adrianus werd in één stemronde verkozen. Pas nadien beseften ze de mogelijke problemen: Adrianus was niet in Rome en veel leden van de Curie vreesden voor hun baan wanneer de Nederlander zij eigen hofhouding zou meebrengen.

bary

De reacties op de verkiezing waren uiteenlopend. In de Lage Landen was men laaiend enthousiast. De humanisten hoopten dat Adrianus de gecorrumpeerde kerk zou hervormen. Juan Luis Vives heeft één duidelijke boodschap: “Twee dingen worden van u gevraagd en verwacht: wapenrust tussen de vorsten, rust van woelingen onder de gewone burgers. In Rome zelf wachtte men met een bang hart op de nieuwe paus en hun geduld zou lang op de proef gesteld worden.

Adriaan zelf werd op 25 januari 1522 officieel op de hoogte gebracht van zijn uitverkiezing. Het echte officiële bericht van de kardinalen kwam aan op 9 februari. Adrianus legde het regentschap neer en op 8 maart nam hij het pausschap formeel aan. Hij behield zijn naam en werd Adrianus VI. Maar de Romeinen zouden nog tot 28 augustus moeten wachten tot de nieuwe paus in de Heilige Stad zou aankomen.

Het eerste probleem dat de nieuwe paus moest aanpakken was de lege schatkist die zijn voorganger had achtergelaten. Dat was voor Adrianus ook de aanleiding om schoon schip te maken met de renaissancekunstenaars die in Rome waren binnengehaald. Adrianus liep niet hoog op me deze “heidense” kunstenaars. Hij benoemde de Nederlandse schilder Jan van Scorel als de opvolger van Rafael tot conservator van de Vaticaanse oudheden.

Ondertussen was de Europese politiek zo gepolariseerd dat er één grote tegenstelling ontstond tussen Frankrijk enerzijds en Habsburg, Engeland en Spanje anderzijds, een situatie die alleen aanleiding gaf tot constante oorlog. De paus zou in navolging van de humanisten Erasmus en Vives oproepen tot eenheid onder de Europese vorsten en een kruistocht tegen de Ottomanen. Alle pogingen om de vorsten te verenigen zouden mislukken en uiteindelijk zou Adrianus partij kiezen en toetreden tot de Liga van Karel V, Hendrik VIII, Polen, Hongarije, Portugal, Milaan, Firenze, Genua, Lucca, Siena en Venetië.

De andere grote bedreiging voor de Kerk kwam van binnenuit: de Lutherse kwestie. Op de rijksdag van Worms werd de bul van paus Leo X bekrachtigd. Adrianus was toen nog druk bezig de opstand van de Spaanse Comuneros te bestrijden.  Het edict van Worms moest echter uitgevoerd worden. Dat was een van de doelstellingen van de rijksdag van Nuernberg op 17 november 1522. De nieuwe paus zou zijn legaat Francesco Chieregati met twee boodschappen sturen. De tweede zou geschiedenis maken.

De eerste boodschap was een oproep om de Hongaren te steunen in hun strijd tegen de Ottomaanse expansie. In de tweede boodschap veroordeelt hij onomwonden de stellingen van Luther maar gaat hij ook dieper in op de toestand in het Duitse Rijk. Wat deze Instructio historisch maakt, is het feit dat Adrianus in duidelijke woorden misstanden in de Kerk erkent. Dit is de eerste maal in de kerkgeschiedenis dat de Kerk in hoofde van de paus toegeeft dat ze in de fout gegaan is en het zal nog eens bijna vijf eeuwen duren vooraleer ze dat nog eens durft te doen. In 2000 zal paus Johannes-Paulus II een gelijkaardig gebaar stellen in de kwestie Galilei en over de houding van de Kerk tegenover de Joden. Tien jaar later zou Benedictus XVI excuses aanbieden voor het seksueel misbruik van priesters.

instructio

Dat het Adrianus menens was, mag blijken uit de volgende citaten:

“Zeg eveneens dat wij oprecht toegeven dat God toestaat dat deze vervolging Zijn Kerk treft vanwege de zonden der mensen, vooral van de priesters en de hogere geestelijkheid.”

“Wij weten dat in deze Heilige Stoel al gedurende enkele jaren veel verwerpelijk is geweest, misbruik in geestelijke zaken, overdaad in benoemingen, kortom alles in het tegendeel verkeerd.”

“Wij allen, dat wil zeggen: kerkvorsten en geestelijken zijn afgeweken, ieder op zijn weg, en al lang was er niemand die iets goed deed, absoluut niemand.”

“Hierin moet u, voorzover het onszelf betreft, beloven dat wij alle moeite zullen doen om eerst deze Curie, vanwaar misschien heel dit kwaad voortkomt, te hervormen.”

Adrianus’ boodschap werd niet begrepen. Verdedigers van de Kerk voelden zich in hun eer aangetast. Luther en zijn volgelingen zagen er een bevestiging van (een deel van) hun kritiek in. Het echte antwoord van de kerk kwam er enkele tientallen jaren later met het Concilie van Trente.

Om de kerk te verdedigen bracht de paus een aantal leidende katholieke intellectuelen samen in Rome. Tot die geleerden behoorden onder andere Albertus Pighius en Johannes Eckius. Adrianus had ook graag Desiderius Erasmus in Rome gehad maar deze kwam niet. Erasmus zat in een delicate positie. Hij en andere humanisten hadden op drie vlakken fundamentele kritiek op de kerk: ten eerste op de verwereldlijking van de geestelijkheid, ten tweede op uitwassen in de volksdevotie, onder andere in de heiligenverering, en ten derde op de wetenschappelijke methode van de theologen. Erasmus waardeerde Adrianus maar vreesde dat die in Rome te veel onder de invloed zou staan van zijn Leuvense collega’s.

Deze vrees is zeer begrijpelijk als je kijkt naar Adrianus’ directe omgeving. Toen hij uit Spanje naar Rome kwam, had hij noch zijn directe medewerkers ervaring met de Romeinse Curie. Alle gewesten van de Nederlanden waren vertegenwoordigd in Adrianus’ entourage maar zijn meest naaste medewerkers waren Brabanders, onder andere de Leuvenaar Petrus van der Male en de Eindhovenaar Nicolaas van der Poorten.

De enige uit de omgeving van Adrianus die het Romeinse kluwen kende, was Willem van Enckenvoirt. Adrianus gebruikte hem als inlichtingenbron voordat hij in Rome aankwam. Adrianus benoemde hem tot dataris, een van de weinige topfuncties die niet door een kardinaal werd ingenomen. In die functie was hij onder andere verantwoordelijk voor de toekenning van de prebenden. In feite was hij een schoolvoorbeeld van een prelaat die Adrianus wou hervormen maar Adrianus kon niets aanvangen zonder hem. Op zijn sterfbed benoemde Adrianus Van Enckenvoirt tot kardinaal, hij kreeg dezelfde titelkerk toegewezen: de SS. Giovanni e Paolo op de Celio. Hij is de enige kardinaal die door Adrianus VI benoemd werd.

Een geheel andere figuur was Adrianus’ secretaris Dirk van Heeze of Theodoricus Hezius. Deze is geboren in Heeze, een dorpje ten zuidoosten van Eindhoven. In 1517 volgt Hezius Adrianus naar Spanje, in 1522 naar Rome. Als “huissecretaris” was hij verantwoordelijk voor een aanzienlijk deel van Adrianus’ correspondentie, onder andere met Erasmus. De katholieke orthodoxie was voor Hezius heilig. Dat blijkt uit een brief die hij persoonlijk naar Erasmus stuurt en waarin hij Erasmus ertoe aanzet tegen Luther te schrijven.

14 september 1523

Op 5 augustus 1523 werd Adrianus overvallen door een koortsaanval. Bij de koortsaanval voegde zich een abces in de keel en een nieraandoening. Op 5 september deed hij zijn laatste publieke optreden, vanaf die dag moest hij het bed houden. Op 8 september hield hij een consistorie en benoemde Willem Van Enckenvoirt tot kardinaal. Diezelfde dag stelde hij een tweede testament op. Willem Van Enckenvoirt werd testamentair uitvoerder, Petrus van der Male en Nicolaas van der Poorten waren getuigen en Dirk van Heeze schreef de tekst. Ondanks de afnemende krachten bleef Adrianus voortwerken. Hij overleed op 14 september 1523. Ook al zijn de geruchten over een vergiftiging nooit echt uit de lucht geweest, zeggen alle biografen dat hij een natuurlijke dood gestorven is.

Aanvankelijk kreeg hij een graf in de Sint-Andreaskapel van de Sint-Pietersbasiliek. Aangezien de oude Sint-Pietersbasiliek kort daarna vervangen werd door een nieuwe, moest er gezocht worden naar een andere laatste rustplaats voor Adrianus. Daarvoor zorgde Adrianus’ enige kardinaal Willem Van Enckenvoirt. Deze liet een groots grafmonument oprichten in de kerk waar hij zelf nauw mee verbonden was, de S. Maria dell’Anima. Hij gaf de opdracht aan de Siënnese architect Baldassare Peruzzi.

graf

Op het conclaaf na de dood van Adrianus werd Giulio de’Medici, de neef van Leo X, gekozen tot nieuwe paus. Hij zal de geschiedenis ingaan als paus Clemens VII.

Het pauscollege

In zijn tweede testament van 1523 bevestigde Adrianus het voornemen in zijn eerste testament van 1512 dat uit zijn nalatenschap in zijn huis aan de ’s Meiersstraat een college voor behoeftige studenten moest gesticht worden. De uitvoerder van het testament, Willem Van Enckenvoirt, maakte daar onmiddellijk werk van. Op 19 mei 1524 verkrijgt hij van paus Clemens VII een bul waarin drie sub-executeurs worden aangewezen. Ze beslisten het huis in de ’s Meiersstraat te behouden en de eigendommen in de Cattestraat te verkopen. Op 2 november 1524 werd het college officieel in gebruik genomen. De volgende jaren werd het uitgebreid met een pand voor het personeel en eventuele gasten, een kapel en een bibliotheek. Uit dezelfde periode dateren ook de eerste statuten.

Het was het grootste en het meest prestigieuze college van de oude universiteit. In 1783 verbleven er 112 studenten. In 1775 stortte een deel van het gebouw in waarbij een dodelijk slachtoffer viel. Toen werd beslist tot een grootschalige vernieuwbouw. De plannen werden getekend door de Franse architect Louis Montoyer. Het werd een gebouw met vier aaneensluitende gevels die een grote binnenkoer omsluiten.

college

In 1786 richtte keizer Jozef II van Oostenrijk in het Pauscollege het Algemeen Seminarie op. Deze poging om de priesteropleiding te hervormen mislukte en het Seminarie verdween. Tijdens de Franse periode deed het Pauscollege een tijd dienst als succursale van het Parijse Hotel des Invalides. In 1825 richtte in het Pauscollege het Collegium Philosophicum in. Dit filosofisch college was een doorn in het oog van de katholieken in het zuiden en was zo mee aanleiding tot de Belgische revolutie. Toen in 1835 de Katholieke Universiteit naar Leuven terugkeert, zal terug aansluiting gezocht worden met de oude collegetraditie. Het college doet nog steeds dienst als – niet-gesubsidieerde – studentenresidentie met 180 studentenkamers en 10 tweepersoonsstudio’s.

schild

In en om het college verwijzen nog enkele elementen naar Adrianus. Boven de inkompoort prijkt het wapenschild van de paus. De leeuwen verwijzen naar zijn Nederlandse afkomst, de haken naar het beroep van zijn vader. Onder de poort zie je een portret in bas-reliëf en de twee moderne leeuwenbeelden op de binnenkoer, werken van de Belgische kunstenaar Olivier Strebelle, zijn een knipoog naar het wapenschild. Verder bezit het college een vroeg-zeventiende-eeuwse kopie van het schilderij van Jan van Scorel en een gipsen kopie van een deel van het grafmonument in de S. Maria dell’Anima.

leeuwen

Het Standonckcollege

Van het “Verken” tot het Hogeschoolplein. Deel 3

Het Standonckcollege werd in 1490 gesticht door Johannes Standonck bedoeld voor arme studenten. De president werd Pater of Vader genoemd en de studenten leefden volgens zeer strenge regels, zoals die van een strenge kloosterorde. Ze moesten allemaal, zonder uitzondering, het habijt van Sint Franciscus van Paola, voor wie de stichter een speciale religieuze bewondering had, dragen. Omwille van de kap aan dit habijt werden ze in Leuven de Kappekens genoemd.

franciscus

Het Standonckcollege is een tijd geassocieerd geweest met de pedagogie het Varken. Standonck had zo’n faam dat het Varken de Standonckpedagogie genoemd werd. Er was toen dus sprake van een Standonckcollege en een Standonckpedagogie. In 1615 werden de twee instellingen van elkaar gescheiden.

In 1807 werd het college verkocht aan een Brusselse opkoper, François-Joseph Lemonnier, en aan een Leuvenaar, Jean-Joseph van Mechelen. Het grootste deel werd samen met het Varken afgebroken. Het nog bestaande gedeelte, dat dateert van 1763, is verwerkt in particuliere huizen.

standonckkik

Johannes Standonck werd geboren in Mechelen in 1443 als zoon van een bescheiden schoenmaker. Hij krijgt een beurs van de Broeders van het Gemene Leven en gaat studeren in hun school in Gouda.

gouda

Kaart van Gouda, bij nr.25 het Collatiehuis

In 1459 schrijft hij zich in aan de universiteit van Leuven waar hij “magister artium” wordt. Daarna vertrekt hij naar Parijs waar hij met succes theologie studeert. In 1480 wordt hij benoemd aan de faculteit van Sorbonne, in 1483 promoveert hij als doctor in de theologie en in 1486 wordt hij rector van de Parijse universiteit. Hij was tegelijkertijd ook prefect van het college van Montaigu. Hij sterft op 17 april 1504. Voordien had hij colleges en scholen opgericht in Parijs, Leuven, Mechelen, Cambrai en Valenciennes. Hij nam daarbij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat alleen studenten werden toegelaten die zelf hun studies niet konden betalen.

Het college van Montaigu werd in 1314 gesticht door Gilles Aycellin, aartsbisschop van Rouen. Het veranderde van naam na de restauratie in 1388 door Pierre Aycellin de Montaigut, kardinaal van Laon. Toen Standonck in het college aaankwam, was het in verval. Naar verluidt kwamen sommige muren naar beneden. Standonck en zijn leerling Noël Béda zouden het terug groot maken.

montaigu

Standonck legde zijn studenten een zeer streng regime op: zij mochten het college alleen verlaten met zijn toestemming en moesten terug zijn voor het invallen van de avond. Hij hield zelf de sleutel van de portier bij. Zij droegen slechts één kledingstuk een kregen elke dag één stuk brood. Elke morgen om elf uur moesten ze naar een nabijgelegen klooster om een handvol eten te ontvangen. Voor de minste fout werden ze gestraft en ze werden aangemoedigd elke fout van een andere te melden.

Het college van Montaigu kende enkele beroemde alumni: Erasmus, Johan Calvijn, Ignatius van Loyola, John Knox, … Erasmus zou later zeggen dat hij niet kon indenken dat iemand zijn verblijf aan het college kon vergeten of het zelfs ongeschonden kon overleven. Hij zou zich zijn leven lang het vasten en de rotte eieren herinneren.

 

Van het “Verken” tot het Hogeschoolplein

Deel 2: leven in het “Varken”

Als we in het kader van de oude universiteit over een college spreken, hebben we het niet over een school maar over een kosthuis waar studenten onder toezicht kost en inwoon kregen maar in principe geen onderricht. Soms werden er wel herhalingsoefeningen gegeven of werden er disputen georganiseerd. Dit in tegenstelling met de vier pedagogieën – eerst waren het er nog zeven maar in 1446 besliste de Artesfaculteit er maar vier te erkennen – waar ook les werd gegeven. Die vier pedagogieën, de Lelie, de Burcht, de Valk en het Varken, waren echte universitaire kostscholen waar jonge studenten zowel onderkomen als onderwijs kregen.

schildenpedagogieen

uit Louvain Monumental

De vier pedagogieën dragen de naam van het huis waar de eerste magisters, docenten zouden we nu zeggen, gingen samenwonen of van een herberg of afspanning in de buurt. Het Varken werd genoemd naar een herberg in de Naamsestraat: “den wilden ever” alias “het wiltvercken”.

De pedagogieën en de colleges moesten een antwoord bieden aan een dubbel probleem: de bedelstudent en de eeuwige student. Pedagogieën zorgden er in de eerste plaats voor dat ook armere studenten konden eten, drinken en slapen. Er bestond wel een zekere vorm van sociale differentiatie: zo zaten de rijkere studenten (commensales) aan de eerste tafel (prima mensa), de beursstudenten (bursarii) aan de tweede (secunda) en de allerarmsten (pauperes) aan de derde tafel (tertia mensa).

Strenge pedagogiereglementen moesten de studenten beschermen tegen de verlokkingen van drank en spelen. Op de naleving ervan werd toegezien door regenten en subregenten. Voor elke les werden er absenties opgenomen. In de pedagogieën gold een strikte dagindeling gebaseerd op de kloosterregels.

4u30      opstaan
4u45      morgengebed en studietijd
6u30      les
7u30      mis en ontbijt
9u           studietijd
10u        uitgaansverlof
10u30    les
11u30    middagmaal
13u        studietijd
13u30    les
14u30    studietijd
16u        vieruurtje
16u30    les
17u30    studietijd
18u30    avondgebed en avondmaal
20u        studietijd
21u        bedtijd
21u30    lichten doven

De schaarse vrije tijd konden ze doorbrengen met praten, wandelen in groep onder toezicht of schaakspelen. Ze mochten zeker niet deelnemen aan reidansen in de straat, carnavalsvieringen en veerkleedpartijen, en aan kansspelen met kaarten, teerlingen of wat dan ook, in de herbergen. Er stonden zware straffen op nachtlawaai, balorigheid tegen burgers en hun eigendommen en op aanranding van eerzame vrouwen. Vanaf 1477 gold er voor studenten een avondklok: nadat de klok van Sint-Michiel negen uur had geslagen (tien uur in de zomer) mocht geen enkele student nog op straat komen tenzij in gezelschap van een deftig persoon en met een brandende toorts. De overtredende studenten werden aan de promotor uitgeleverd. Wie vier maal werd betrapt, riskeerde geschrapt te worden van de universitaire rol. Baldadige studenten kwamen er meestal van af met een vermaning vaak tot ergernis van de benadeelde Leuvenaars.

“Sus gaudet studio; Falconis mensa triumphat; Libertas Lilio; Formosa cubicula castro.” Volgens dit dictaat blonk het Varken uit in studieijver, won de vrijheid het in de Lelie, had de Valk de beste tafel en de burcht de mooiste kamers. Tussen de vier pedagogieën heerste een gezonde wedijver. Die uitte zich in allerlei voorstellingen. In onderstaande afbeelding vertrappelt het varken een lelie en een valk en duwt het de burcht omver.

excathedra1

In onderstaand embleem eet het varken de lelie op, vertrappelt het de valk en bedreigt het de burcht met een spervuur van drollen.

excathedra2

Het belangrijkste voorwerp van de wedijver was het vergelijkend examen dat jaarlijks voor de laatstejaarsstudenten van de Artesfaculteit werd georganiseerd. De winnaar, de primus, werd eerst in Leuven ingehaald met dagenlange optochten en drinkgelagen. Daarna trok de stoet naar het geboortedorp van het feestvarken waar hij als een vorst werd onthaald. Onderweg werd hij in elk dorp of stad getrakteerd op erewijn en met eerbewijzen overladen.

expo

Op een tekening van 1650 zien we het Varken als een geheel van huizen met trap- of puntgevels en met steile daken en dakkapellen. De leslokalen bevonden zich op het gelijkvloers (1 en 2), onder de leien bevond zich de graanzolder (3). De pedagogie beschikte over een kapel (10) en een bibliotheek (11). De regent (8) woonde naast de toegangspoort (6), een andere professor (4) boven de achterpoort (5). Dat is natuurlijk belangrijk voor de controle op de gang en wandel van de studenten. Naast de toegang ziet men bovendien nog een portiersloge (7). De studenten slapen op de zolder (13). De pedagogie bezit twee binnenplaatsen, een geplaveide (17) en een onverharde (18), en een tuin (16). De waterput bevond zich in een paviljoentje (14). Gans achteraan bevinden zich de latrines (15). Het bier werd bewaard in de kelder (12).

Toen Napoleon in 1801 in het Pauscollege een succursale van het Hôtel des Invalides, werd het Varken een bordeel ten gerieve van de soldaten die nog voldoende valide zijn. In 1806 werd de pedagogie afgebroken. Nu herinnert alleen de Leuvense volksnaam voor het Hogeschoolplein nog aan deze universitaire kostschool.

Van het “Verken” tot het Hogeschoolplein.

 

Deel 1: situatie voor 1808.

Het Hogeschoolplein, dat recentelijk voorlopig beschermd is als stadsgezicht (16 maart 2016) is in feite een vrij jong plein. Tot 1807 liep de ’s Meiersstraat (Smeistraat) door van de Muntstraat tot de Naamsestraat. De ruimte van het huidige plein werd toen ingenomen door twee universitaire gebouwen: de pedagogie het Varken en het Standonckcollege. In december 1807 werden deze in opdracht van de stad afgebroken omwille van de bouwvallige staat waarin ze zich bevinden.

Op dit samengestelde plan kan je zien hoe de ligging van deze afgebroken gebouwen zich situeerden op het huidige plein.

hogeschoolplein_plannen

Op deze basis heeft Frederic Hecq (Leuven Weleer) de ligging geprojecteerd op een luchtfoto van het Hogeschoolplein. Zo krijg je een goede indruk van de ligging van de gebouwen. De blauwe lijn geeft de omtrek van het Varken weer, de rode die van het Standonckcollege.

hogeschoolplein_projectie

Stadsarchitect C(harles?)-François de Rare werd belast met het ontwerp van een nieuw plein dat de monumentale gevel van het Pauscollege meer tot zijn recht moest doen komen. Het werd een stemmig rechthoekig plein met een typische 19de-eeuwse aanleg: gekasseid en in 1812 beplant met lindebomen op rij in een grasveld.

De linden verdwenen bij de plaatsing van het standbeeld van André Dumont in 1922.

In een volgende aflevering vertel ik meer over de geschiedenis van de afgebroken gebouwen.

Stichting van universitaire colleges.

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 1

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

9 november 1425, op die dag werd Leuven een universiteitsstad. Op die dag verleende paus Martinus V de stichtingsbul van de universiteit van Leuven. Volgens een stadslegende zou Brussel de stichting eerder zijn aangeboden maar haar bestuurders zouden geweigerd hebben uit bezorgdheid voor de eerbaarheid van hun maagden. Leuven kreeg de toestemming vier faculteiten op te richten: artes, burgerlijk  en kerkelijk recht en geneeskunde. De stad en de hertog moesten de jurisdictie over de leden van de universiteit overdragen aan de rector, zij moesten ook zorgen voor de nodige lokalen en zij moesten de salarissen van de professoren betalen.

Op 17 maart 1432 gaf paus Eugenius IV  de Leuvense universiteit de toelating een theologische faculteit op te riichten. Zo kreeg Leuven een “Studium Generale”: een volledige universiteit. Vanaf 1435 kreeg de theologische faculteit een ereplaats. Ook nu nog openen de professoren van de faculteit Theologie en Religiewetenschappen de stoet der academici bij officiële plechtigheden.

De universiteit was in eerste instantie een corporatie van personen met bepaalde voorrechten en onder gezag van een eigen overheid.

 In een verslag van de visitatie van de periode 1607-1617 krijgen we een opsomming van wie zich suppoost mocht noemen:

  • alle doctoren en licentiaten van de hogere faculteiten, zijnde geneeskunde, beide rechten (kerkelijk en burgerlijk recht) en theologie,
  • de baccalaurei van deze faculteiten,
  • de magisters van de kunsten die hun studie voortzetten, op voorwaarde dat ze geen handel dreven of geen openbaar ambt bekleedden,
  • alle studenten die waren ingeschreven en werkelijk college liepen,
  • de geïncorporeerde kloosters,
  • de weduwen van doctoren en licentiaten van een hogere faculteit, mits ze in de weduwstaat bleven en geen handel dreven,
  • de beëdigde boekverkopers en boekbinders die door de universiteit aanvaard werden,
  • de pedellen, notarissen en andere ambtenaren van de universiteit,
  • één bode per provincie en één receptor per college,
  • de dienstknechten en dienstmeisjes die bij suppoosten inwoonden.

In grote lijnen bleef deze lijst gelden tot kort voor de opheffing van de universiteit.

In de pauselijke bul werden twee privileges gedefinieerd waarvan de leden van de universiteit konden genieten: juridische immuniteit en algemene vrijdom van belastingen. De suppoosten van de universiteit waren onttrokken van iedere vreemde rechtsmacht, alleen de rector had de bevoegdheid suppoosten te oordelen en te straffen. De werkelijkheid was wel meer genuanceerd dan wat men uit officiële documenten zou kunnen afleiden.

Officieel werd de universiteit geleid door de rector. Deze werd aanvankelijk vier maal per jaar verkozen, vanaf 1445 twee maal per jaar. De rector genoot van eervolle voorrechten die vooral protocollair waren, zijn werkelijke macht lag vooral op het juridische vlak. Niemand kon een suppoost van de universiteit arresteren of bestraffen zonder zijn toestemming. Naast de rector had je een aantal andere functies: de kanselier, de conservatoren van de privileges, de gedelegeerden van de faculteiten, de receptor, de syndicus, de promotor, de secretaris, de pedellen en de boden.

De universiteit was enerzijds een corporatie van personen maar anderzijds ook het overkoepelend orgaan van de faculteiten. Faculteiten waren op zichzelf staande corporaties verbonden aan het studium. Hun belangrijkste opdracht was het organiseren van het onderwijs. Dat onderwijs werd op twee niveaus georganiseerd. Je had een vorm van voorbereidend onderwijs dat gegeven werd aan de Artesfaculteit, en je had de meer gespecialiseerde opleidingen in de hogere faculteiten.

Aanvankelijk werden alle lessen gegeven in de Vicus, de zetel van de faculteit in de Nieuwstraat (de huidige Vander Kelenstraat, museum M) maar in de loop van de vijftiende eeuw werden meer en meer lessen overgeheveld naar de pedagogieën. Dit waren in feite universitaire kostscholen waar de studenten woonden en lessen volgden. De belangrijkste beweegreden voor deze evolutie was waarschijnlijk een streven naar meer tucht en orde onder een groter wordende groep studenten. De artesopleiding duurde vier à vijf jaar en leidde tot het diploma van “licentiaat” of “magister”.

Normaal moest je als student eerst aan de artesfaculteit gestudeerd hebben vooraleer je een studie aan een hogere faculteit kon beginnen. De lessen van de hogere faculteiten werden gegeven in de universiteitshal. In de beginjaren van de universiteit was studeren een dure aangelegenheid. De lange studieduur en de hoge promotiekosten zorgden bij een grote groep studenten voor problemen. Deze problemen waren het meest uitgesproken in de theologische faculteit waar de studieduur ook het langst was: tot twaalf jaar. Het verlenen van een priesterloon, een prebende, was ruim onvoldoende om deze problemen volledig weg te werken.

De belangrijkste uitgaven voor een student in de vijftiende eeuw waren de onkosten voor het levensonderhoud. Daarnaast moest de student ook rekening houden voor het reizen, boeken, kleding, … Het schoolgeld maakte slechts een klein deel van de totale uitgave uit, nog geen vijf percent in het midden van de vijftiende eeuw. Daartegenover stonden wel de extreem hoge promotiekosten. In de theologische faculteit kostte een promotie ongeveer even veel als de kosten van één jaar levensonderhoud.

De universitaire overheid was ook bezorgd om de goede faam van haar leden. Ze wou vooral dat haar studenten zich goed gedroegen, regelmatig studeerden en zuinig leefden. De universiteit zocht tevergeefs naar een goede oplossing voor een complex tuchtprobleem. De geldverspilling kon ze min of meer opvangen door haar jonge studenten onder voogdij te plaatsen en aan de artesfaculteit konden de pedagogieën de tuchtproblemen vrij goed onder controle houden maar voor de rest slaagde de universiteit er niet in dit kwaad uit te bannen.

Op dit vlak kenden privéinitiatieven meer succes. In colleges kregen een aantal minderbegoede studenten kost en inwoon. Het initiatief ging uit van een privépersoon, meestal een professor of een alumnus van de universiteit, die zorgde voor een huis en de nodige financiële middelen voor het onderhoud van de gebouwen en voor de betaling van de beurzen. De leden van een college werden bursalen genoemd naar de beurs die zij wekelijks, maandelijks of halfjaarlijks ontvingen en waarmee ze hun bijdrage in de gemeenschappelijke kosten en hun persoonlijke studiekosten moesten betalen. In tegenstelling tot de pedagogieën werd er in colleges in principe niet lesgegeven. Colleges kunnen gezien worden als universitaire kosthuizen.

Colleges werden vooral gesticht door alumni en professoren van de universiteit die iets wilden verhelpen aan de problemen waarmee ze zelf geconfronteerd waren. Zin wensten oprecht een sociale nood lenigen maar tegelijkertijd wouden ze door aan liefdadigheid te doen hun zielenheil in het hiernamaals verzekeren.

Vaak wouden ze ook familieleden en/of streekgenoten bevoordeligen. Het ging dan meestal om inwoners van de stad of streek waar de schenker vandaan kwam of waar hij beneficies had. Vandaar dat een aantal colleges meerdere namen had: een van de stichter en een (of meerdere) van de stad of streek.

Een college was een gesloten gemeenschap onder leiding van een president. Aanvankelijk was dit een student, later, in de zestiende eeuw werden deze gerekruteerd uit het korps van professoren en doctoren. In feite kunnen we dan pas van een president spreken. Geleidelijk kreeg de preident meer bevoegdheden. Hij moest alleen verantwoording afleggen tegenover de visitatoren. Vooral de pastoor van de Sint-Pieterskerk, die ook professor aan de theologische faculteit was, trad vaak op als visitator. Het beheer van de beurzen was vaak in handen van een familielid van de stichter of van een lokale pastoor, kapittel of schepenbank. De universiteit had hierin meestal weinig of geen inspraak.

Colleges waren vaak autarkische gemeenschappen. Ze bakten zelf brood, hadden een eigen moestuin en soms zelfs een wijngaard.

Een document uit het archief van het Atrechtcollege geeft ons een inkijk in de keuken van een zestiende- of zeventiende-eeuws college.

  • ’s Morgens kregen de jongens soms “Bierenbroot” en soms “zoppe opt vleesch geweyckt,
  • ’s middags kregen ze ”pottagien” soms met warmoes of erwten en soms met een stuk gezouten vlees,
  • daarna hutsepot en kaas.

Ossenvlees was het meest gegeten vlees en bier was de belangrijkste drank. Een collegestudent dronk gemiddeld anderhalve liter (klein) bier per dag.

Hoeveel studenten in Leuvense colleges verbleven is moeilijk in te schatten. In 1526 telde Leuven elf colleges met in totaal een honderdtal beurzen. In 1578 waren er al vierhonderd bursalen voor drieëntwintig beurzen. Meer dan de helft van de beurzen ging naar artesstudenten, ongeveer een vierde naar theologiestudenten en een tiende naar rechtsstudenten. De rest ging naar studenten van verschillende faculteiten. Het Standonckcollege en het Pauscollege waren de grootste en hadden tegen het einde van de zestiende eeuw vijftig of meer studenten. Dat was net vòòr het verval. Tijdens de burgeroorlog kwamen veel colleges leeg te staan en deden sommige dienst als kazerne. In 1598 waren er maar dertien colleges bewoond en was het aantal beurzen gezakt tot een twintigtal.

In 1526 telde Leuven ongeveer tweehonderd collegestudenten of ongeveer twaalf percent van de studentenbevolking. Maar het belang van de colleges is groter dan wat uit deze cijfers zou blijken. Colleges waren trendsetters als het over verstrenging van de tucht gaat en ze speelden een belangrijke rol in de vorming van professoren.

In een volgende aflevering ga ik specifiek in op de situatie van het Heilige-Geestcollege.