Leonardus Lessius

Klein Leuvens Geschiedenisje

Lessius werd als Lenaert Leys geboren in 1554 in een Kempens boerengezin in Brecht. Dankzij een studiebeurs aan het Atrechtcollege kon hij in Leuven studeren. In 1572 trad hij in als novice bij de jezuïeten. In 1580 werd hij priester gewijd. Hij voleindigde zijn studies aan het Collegium Romanum in Rome. Als lesgever aan het Leuvense studiehuis van de jezuïeten kwam hij in conflict met de universiteit. In 1600 werd hij om gezondheidsredenen vrijgesteld van lesgeven maar hij bleef actief als consulent-biechtvader. Zijn reputatie als adviseur van onder meer de aartshertogen Albrecht en Isabella leverde hem de naam Orakel der Nederlanden op. De laatste jaren van zijn leven was hij vooral nog met schrijven bezig. Na een slepende ziekte stierf  hij op 15 januari 1623.

Zijn belangrijkste werk is “De iustitia et iure ceterisque virtutibus cardinalibus” (Over rechtvaardigheid, recht en zekere kardinale deugden). Aartshertog Albert gebruikte dit werk als leidraad voor het beleid. Het traktaat gaat vooral over rechtvaardigheid en recht in commerciële en financiële aangelegenheden. In Antwerpen kwam hij in contact met kooplui, bankiers en wisselagenten. De ontdekking van de Nieuwe Wereld zorgde voor een nieuwe economische situatie. Middeleeuwse opvattingen over handelspraktijken waren voorbijgestreefd. Overzees goud en edelmetaal ontwrichtten de markt. Speculatie en woekerprijzen zorgden voor een grote kloof tussen rijk en arm. Lessius probeert het oude kerkelijke standpunt te verzoenen met de nieuwe economische situatie.

Terwijl voor de katholieke kerk rente een vorm van woeker en dus misdadig was, kwam Lessius op voor een juiste prijs in koop en verkoop, een correcte wisselmarkt, billijke belastingen, en een aanvaardbare interest bij kredietverlening.

Hij verdedigde de “Bergen van Barmhartigheid” die behoeftigen leningen verstrekten tegen 12 à 15% interest, enerzijds tegen de Lombarden die voor een lening 30 à 40% interest durfden vragen, en anderzijds tegen andere moraaltheologen die vonden dat de “Bergen” geen interest mochten vragen.

De Lombarden speelden samen met de joden een belangrijke rol in de ontwikkeling van het bankwezen. Deze Noord-Italiaanse geldwisselaars kregen in Europese steden een vergunning om een tafel (of bank) van lening te houden. Daar konden leningen verstrekt worden tegen een onderpand van roerende goederen. De vergunning die gold voor een periode van tien tot vijftien jaar, werd vaak doorverleend van vader op zoon. Die “tafel” ligt ook aan de oorsprong van onze benaming “bank”. “Banco” of “banca” is het Italiaanse woord voor “tafel”. Wanneer een geldwisselaar failliet ging werd zijn tafel kapotgeslagen. Het Italiaanse “banca rotta” betekent “gebroken tafel”. Dat is de oorsprong van ons woord “bankroet”.

In 2007 werden de stoffelijke resten van Lessius naar de Sint-Michielskerk overgebracht. Deze bevonden zich voordien in de voormalige jezuïetenkapel in de Minderbroedersstraat, nu het dagcentrum van het woonzorgcentrum Dijlehof, “Hertog van Brabant”.

De gevel van het Huis van Sestich

Klein Leuvens geschiedenisje

De decoratie van de gevel van het Huis van Sestich wordt gedomineerd door drie hexagrammen, meestal als Davidsterren aangeduid. Men zou kunnen geneigd zijn deze te interpreteren als joodse symbolen. Het hexagram was vanaf de dertiende eeuw een populair joods symbool dat frequent voorkwam in handschriften en op zegels. Maar in de tijd dat het huis Den Spiegel gebouwd werd, was het hexagram nergens in Europa een officieel symbool en werd het alleen in de joodse gemeenschappen van Frankrijk, Duitsland en Midden-Europa gebruikt om hun joodse identiteit te bevestigen. In de Nederlanden hadden de joden meer te lijden onder een vijandige houding en discriminatie. Daarom is het weinig waarschijnlijk dat we de hexagrammen moeten interpreteren als joodse symbolen.

Tijdens het Vierde Lateraans Concilie (1215) werd wel een kenmerkingsplicht voor joden en moslims ingevoerd. Alleen in Portugal werd het dragen van de zespuntige ster verplicht. In de Nederlanden was de jodenhoed het verplichte herkenningsteken.

Het hexagram is ook een populair symbool in de Kabbala, een joodse mystieke beweging waarin de geometrische taal een belangrijke rol speelde. In de veertiende eeuw was de kennis van deze mystieke leer beperkt tot de joodse gemeenschap. Bovendien komt het gevelschema niet overeen met de opgelegde geometrische schema’s van de Kabbala. Deze interpretatie is dus ook onwaarschijnlijk.

Waarschijnlijk moeten we de verklaring voor de geometrische vormen bij twee andere middeleeuwse culturele fenomenen zoeken: enerzijds de getallensymboliek gebaseerd op de Griekse getallenleer en kosmogonie, en anderzijds de mystieke beweging waarvan Jan van Ruusbroec een gekend vertegenwoordiger was. Deze tradities kenden geen formeel kader. Daarom liggen de betekenissen minder vast.

Het gevelschema is volledig opgebouwd rond de archetypische getallen drie en vier.

3 vinden we op de gevel terug in de drie bovenste cirkels met hexagrammen. Een hexagram kan ook geïnterpreteerd worden als een combinatie van twee driehoeken.

3 staat voor zon, aarde en maan, en voor de Heilige Drievuldigheid. Voor de oude Grieken was 3 het toppunt van volmaaktheid. (“omne trinium perfectum”). Verder verwijst 3 ook naar de drie wijzen uit het oosten. In het Britse Koninklijke wapen staan drie leeuwen en op het stadswapen van Amsterdam drie kruisen. “Hip, hip, hip (drie keer) hoera.” “Driemaal is scheepsrecht.” Jezus verrees op derde dag. …

Het getal 4 is op de gevel aanwezig in de onderste rij van vier cirkels, waarvan er twee door een kruis in vier delen gedeeld worden, en in de vier traveeën;

4 staat voor vier evangelisten, vier rivieren in het Paradijs, vier seizoenen, vier windstreken, vier elementen (water, aarde, vuur en lucht), …

Ook de getallen die afgeleid zijn van de archetypes, zijn aanwezig in de gevel.

Twee maal drie is zes. Zes is het “Numerus perfectus”, bij Pythagoras het symbool voor de ziel en het bijbels archetype voor de zes dagen van de schepping.

Het hexagram is in de christelijke, islamitische en joodse kosmologie het symbool voor perfectie. De twee driehoeken symboliseren dan hemel en aarde, vuur en water.

Drie maal vier is twaalf, de som van de twee hexagrammen op de tweede rij. 12 is het getal van de apostelen, tekens van de dierenriem, maanden van het jaar, …

Drie plus vier is zeven. Op de gevel merken we zeven spitsbogen en in de bovenste cirkel staan zeven vierpassen.

Zoals in de Bijbelse kosmologie wordt het hexagram – als symbool voor de schepping – uitgebreid tot het getal 7 door het centrum te benadrukken. Dat centrum wordt dan de rust(dag) genoemd. Het centrum van de hexagrammen op de gevel wordt ingevuld door zes driepassen en één vierpas of cirkel.

Zeventallen worden soms opgesplitst in de twee archetypen, drie en vier. Zo worden de zeven deugden opgesplitst in drie goddelijke deugden (geloof, hoop, en liefde) en in vier kardinale deugden (voorzichtigheid, rechtvaardigheid, gematigdheid en moed). De zeven vrije kunsten zijn opgesplitst in het trivium (drie) en quadrivium (vier).

De Meyboom

Klein Leuvens geschiedenisje

Het is weer gelukt: op woensdag 9 augustus werd voor 17:00 uur de Meyboom voor het stadhuis geplant. Zo werd een traditie verdergezet die teruggaat tot 1308, het jaar van de eerste meiboomplanting.

Volgens een legende vond op 9 augustus 1213 in Brussel een bruiloft plaats in een herberg. Het feest werd verstoord door de Leuvense oproerkraaiers. Het kwam tot een gevecht dat de Brusselaars aanvankelijk leken te verliezen maar door de tussenkomst van de gezellen van Sint Laurentius keerden de kansen en wonnen de Brusselaars toch. Om dit te herdenken kregen de Brusselaars van de hertog het privilege om jaarlijks een Meyboom te planten. Maar de hertog wou ook de Leuvenaars te vriend blijven en koppelde daarom een randvoorwaarde aan dit privilege. De boom moest geplant zijn voor 17:00 uur, zo niet verviel het privilege en mochten Leuvenaars de Meyboom planten. De legende gaat terug op een verhaal van 1213 maar de eerste Meyboom werd pas in 1308 geplant.

In 1939 werd de boom door Leuvenaars gestolen maar onderweg naar Leuven werden ze tegengehouden door de politie die de boom in beslag nam. De Leuvenaars plantten dan maar een vervangboom.

In 1974 hakten de Leuvense mannen van 1929 de Brusselse boom de nacht voordien om en brachten  hem naar Leuven. Er werd een bordje achtergelaten: “Brusselaars, hier heeft uw boom gestaan. De Leuvenaars zijn ermee vandoor gegaan”. De Brusselaars beweren dat er verschillende mogelijke bomen aangeduid worden, waaruit op de dag zelf één gekozen wordt. Sindsdien hebben beide steden een echte Meyboom.

Het planten van een Meyboom is een erg oud gebruik dat verwijst naar Yggdrasil, de levensboom als teken van vruchtbaarheid. Men geloofde dat het planten van de boom leidt tot vruchtbaarheid voor vee, akkers en mensen. De groene krans in de top is een symbool van het zonnerad.

Middeleeuwse Royalty

Klein Leuvens Geschiedenisje

In de Sint-Kwintenskerk bevindt zich een grafsteen met een verhaal dat thuishoort in de roddelrubriek van de middeleeuwse geschiedenis.

In het schip van de kerk bevindt zich de grafsteen van Catharina van Dycke. Haar vader was Johan van den Dijcke, heer van Santvliet en Berendrecht, ridder van Jerusalem, raadsheer en rekenmeester van de rekenkamer van Brabant.

Haar moeder was de dochter van een tapijtverkoper. Toen zij vijf jaar oud was overleden beide ouders aan de pest. De werkgever van de vader ontfermde zich over de dochter en ze werd zijn dienstmeisje.

Tijdens feesten in het huis van haar beschermheer trok zij, omwille van haar schoonheid, de aandacht van een zeer belangrijke edelman die daar aanwezig was. Ze werd door een hoveling ontvoerd en onder dwang bij de edelman gebracht. Zijn aandacht was zo sterk dat die niet zonder gevolgen bleef en ze zwanger werd.

De zorg over haar dochtertje werd eerst toevertrouwd aan het gezin van Andries van Douvrin, heer van Drogenbos en Sint-Martens-Bodegem. Later verbleef ze in het kasteel van Hoogstraten waar ze door de jongere broer van de hoger vermelde beschermheer, en zijn echtgenote Elisabeth van Culemborg werd opgevoed als een eigen kind. Ze verhuisde nog eens, op aandringen van haar natuurlijke vader, die haar bij akte als zijn wettige dochter erkend had, naar Mechelen aan het Hof van twee belangrijke edelvrouwen.

Op tienjarige leeftijd verhuisde ze in 1533 naar Italië, waar zij opgroeide onder de hoede van vooral Madame de Lannoy, weduwe van de voormalige onderkoning van Napels, Charles de Lannoy. Deze Italiaanse opvoeding verklaart ook waarom ze vooral bekend werd onder haar (Italiaanse) titel Madama.

De moeder trouwde met de vader en kreeg negen kinderen waaronder Catharina.

Laten we nu de andere namen onthullen: de beschermheer was Karel van Lalaing, gouverneur van Oudenaarde, de edelvrouwen in Mechelen waren Margaretha van Oostenrijk en Maria van Hongarije, haar moeder was Johanna van der Gheynst, de edelman was niemand minder dan Keizer Karel, en haar halfzus was Margaretha van Parma.

Conclusie: in de Leuvense Sint-Kwintenskerk bevindt zich de grafsteen van een halfzus van Margaretha van Parma, landvoogdes van de Nederlanden.

De zalige Margaretha van Leuven

ook gekend als Fiere Margriet

Een klein Leuvens geschiedenisje

Van het verhaal van Fiere Margriet bestaan twee versies, de ene wat smeuïger dan de andere. De oudste versie werd in de dertiende eeuw opgetekend door een Duitse monnik, Caesarius van Heisterbach. In dit verhaal is Margriet de dochter van arme ouders. Ze werkte in de herberg van haar oom Amandus. Deze was van plan zijn bezittingen te verkopen en samen met zijn vrouw in te treden in een klooster. De herberg bevond zich in de Muntstraat. Ook Margriet had beslist dat zij zou intreden in de cisterciënzenabdij van Villers.

Op de vooravond van hun vertrek kwam een gezelschap naar de herberg. Vermits zij geen klanten meer verwachtten had Amandus geen drank meer en vroeg hij Margriet om een kruik wijn te gaan halen in de stad. Na haar vertrek vermoordden de reizigers, die overvallers bleken te zijn, Amandus en zijn vrouw. Toen Margriet terugkeerde en de overvallers en de lijken aantrof werd ook zij overmeesterd. Aangezien zij de enige levende getuige was van de roofmoord namen de overvallers haar mee buiten de stad. Nabij Wilsele werd gepoogd haar te verkrachten, maar ze bood hevige weerstand. Hierdoor kreeg ze de bijnaam de Fiere omdat haar eer als maagd haar dierbaarder was dan haar leven. Ze werd uiteindelijk toch vermoord en in de Dijle gegooid. Enkele dagen later werd ze door vissers teruggevonden. Ze begroeven haar ter plekke. Ze durfden geen melding te maken van de moord uit angst dat zij beschuldigd zouden kunnen worden.

Er werd verteld dat men rond het graf een licht kon zien en dat er bij het graf van Margriet mirakels gebeurden. Ze werd ontgraven en in een houten kapel op de begraafplaats van de Sint-Pieterkerk te Leuven te ruste gelegd.

In de vijftiende eeuw werd de dertiende-eeuwse versie aangedikt door de Brusselse augustijnermonnik Johannes Gielemans. Deze voegde aan het bestaande verhaal toe dat haar lichaam op de Dijle bleef drijven en door vissen stroomopwaarts werd gedragen terwijl ze werd omgeven door een hemels licht en begeleid door de gezangen van engelen. De hertog van Brabant, Hendrik I van Brabant, en zijn vrouw ,zouden haar volgens deze legende gevonden hebben.

Na haar dood werd drie keer geprobeerd haar te laten zalig verklaren, een eerste stap richting heiligverklaring. De hoge kosten van de procedure vormden een struikelblok. Uiteindelijk werd Margaretha van Leuven in 1902 door paus Leo XIII zalig verklaard. Als naamdag werd 2 september genomen, de vermoedelijke dag waarop ze vermoord werd.

In Leuven heeft ze het statuut van een volksheilige maar in feite is ze een zalige. Een zalige verschilt van een heilige in het principe dat een zalige vereerd mag worden in een bisdom of congregatie en een heilige vereerd mag worden door de gehele Kerk.

Leuvense wevers

Klein Leuvens Geschiedenisje

Vrij vertaald uit “Louvain dans le passé et le présent” van Eduard Van Even

“Leuven werd een grote, dichtbevolkte  en machtige stad, een van de nijverste steden van de Nederlanden. Haar bevolking groeide tot vijfenveertigduizend zielen, een aanzienlijk cijfer in vergelijking met andere steden van die tijd. Men telde er tweeduizendvijfhonderd ateliers (*) voor het vervaardigen  van lakens, wol en tapijten. Een verhaal opgeschreven door Justus Lipsius, vertelt dat de stad in die periode zoveel wevers telde dat, wanneer ze hun ateliers verlieten, men de grote klok luidde om de moeders te verwittigen dat ze hun kinderen moesten binnenhouden uit vrees dat ze vertrappeld zouden worden door de meute. De wevers van onze stad voerden hun producten uit naar alle markten in Europa. Zij hadden eigen hallen in Parijs, Londen en Keulen. Laken uit Leuven had in het buitenland een goede reputatie.

In 1317 begon men met de bouw van de lakenhal, die er nog staat: het levend bewijs van de welvarendheid van onze industrie in de eerste helft van de veertiende eeuw.”

(*) Men werkte in het algemeen onder tenten van “dril”, een soort linnen.

Waar komt de straatnaam Krakenstraat vandaan?

Klein Leuvens Geschiedenisje

Over de straatnaam Krakenstraat bestaat nogal verwarring.

De Inventaris Onroerend Erfgoed (inventaris.onroerenderfgoed.be) verwijst naar een bron uit 1301 en legt het verband met een Leuvense familie “van Craeckhoven”, die in een akte uit 1262 ook “de Cracou” (Krakau) genoemd wordt. De link met de Poolse stad Krakau wordt hier dus gelegd via een familienaam.

De Leuvense archivaris en geschiedkundige Eduard Van Even zoekt in zijn “Louvain dans le passé et le présent” de oorsprong van de naam bij een huis waar in de tuin kiezels zouden gelegen hebben die zorgen voor een krakend geluid bij het stappen. Hij vertaalt de naam in het Frans in “Rue des Jardins aux Craquements”, een mooi voorbeeld van volksetymologie.