Tagarchief: 15de eeuw

Stichting van het Heilige-Geestcollege

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 2

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

Lodewijk De Ryke was nauw betrokken bij de stichting van de universiteit. Van 1411 tot 1422 en van 1429 tot 1450 maakt hij deel uit van het stadsbestuur. Van 1422 tot 1439 was hij rentmeester van de hertog in het Leuvense kwartier. Zijn huwelijk met Judoca Vanden Putte bleek kinderloos. Een aantal familieleden studeerde aan de universiteit en hij was goed bevriend met Johannes Varenacker, pastoor van Sint-Pieter en professor van de theologiefaculteit. Hij had dus zeer goede contacten met de universiteit en met de theologiefaculteit in het bijzonder. Dit verklaart misschien zijn vrijgevigheid en zijn keuze voor een college verbonden aan de theologische faculteit.

Lodewijk de Ryke woonde sedert 1412 in de Prooststraat (de huidige Naamsestraat) in de buurt van de halle. In 1424 verwerft hij de brouwerij Hollant op de hoek van de Prooststraat en de Hevelstraat (de huidige Collegeberg en in 1445 geeft hij het huis aan de theologieprofessoren Hemericus de Campo en Johannes Varenacker met de bedoeling er een college in te stichten. De voowaarden waren kort voordien vastgelegd en goedgekeurd door bisschop Johannes van Heemsberg. De stichting was bedoeld voor zeven arme theologiestudenten waaronder twee priesters. Die priesters moesten missen lezen en kregen daarvoor een dubbele prebende. In 1448 was er al een kapel waarin weldoeners missen konden stichten.

Het college werd toegewijd aan de “Zeven Gaven van de Heilige Geest” en naast de naam “Heilige-Geestcollege” werd er ook gesproken over het “College van de Theologanten” of het “College van de Theologische Faculteit”.

In 1447 schonk het echtpaar de Ryke-Vanden Putte hun eigen woning en enkele huizen in de Hevelstraat aan de theologische faculteit. Zij behielden wel het vruchtgebruik zodat de gebouwen pas na de dood van Judoca Vanden Putte in 1462 gebruikt konden worden. De theologische faculteit gebruikte ze voor haar eigen activiteiten zoals promotieplechtigheden en disputen. Een van de huizen werd de woning van de pedel van de faculteit.

De naam “pedel” wordt in verschillende contexten gebruikt. Oorspronkelijk werden er twee pedellen toegevoegd aan de rector. Zij moesten hem steeds vergezellen op straat en zorgden voor de bekendmaking van de officiële mededelingen.  Na 1440 bezat elke faculteit een pedel. Deze was vooral met administratieve taken belast. In Vlaanderen wordt de naam “pedel” nu toegekend aan de facultaire verantwoordelijken voor de studentenadministraties en worden de “officiële” pedellen die bij feestelijkheden de rector vergezellen uit deze groep gekozen. Nederlandse universiteiten hebben door de band één of twee pedellen. Officieel moeten zij zich bezighouden met alle academische  zittingen. In Nederland is dit vooral een ceremoniële functie geworden.

De oudste bekende statuten bleven bewaard in een document van 1573 maar dateren voor het grootste deel van vóór 1525 toen het pas opgerichte Pauscollege bepalingen eruit zou overnemen. Deze statuten kwamen aanvankelijk pragmatisch en geleidelijk tot stand. Bepalingen werden toegevoegd naargelang bepaalde problemen zich stelden. De statuten kregen in het eerste kwart van de zestiende eeuw hun definitieve vorm. Ze bevatten bepalingen over de volgende aangelegenheden: leiding en materieel beheer, voorwaarde voor opname en verplichtingen van de bursalen, het dagelijkse leven en de duur van de beurs, de visitatie, de kapel en de bibliotheek, en het onderhoud van de statuten. De statuten werden vier maal per jaar voorgelezen waarvan één maal bij de visitatie door de theologische faculteit.

Tussen 1471 en 1530 werden eenenveertig beurzen onder beheer van de theologische faculteit en haar college geplaatst. Van die eenenveertig waren er achtentwintig bestemd voor bursalen in het Heilige-Geestcollege. De dertien anderen waren bestemd voor bursalen buiten het college. Die waren vooral bestemd voor studenten die in een van de vier pedagogieën verbleven. Alle bursalen in het college zelf waren theologiestudenten. De bursalen buiten het college waren vooral artes- en theologiestudenten. De artesstudenten zaten vooral in de pedagogie de Burcht die een bijzondere band had met de theologische faculteit en haar college.

Behalve beurzen werden in het college ook missen gesticht. Dan ging het geld van de stichting naar de bezoldiging van de studenten die de mis celebreerden. Deze missen waren voor de gekozen celebranten een welkome aanvulling op hun beurs. Vanaf 1448 had het college een eigen kapel en tegen het einde van de vijftiende eeuw werd er elke dag minstens één mis opgedragen. Een aantal weldoeners van het Heilige-Geestcollege deed ook schenkingen voor gemeenschappelijke goederen zoals hout en vlees.

De motivatie van de schenkers was meestal vrij duidelijk: zij wouden hun zielenheil bewerken en sociale noden lenigen. Meestal bevoordeligden ze eigen familie of streek. Een groot aantal kwam uit kringen in de buurt van de theologische faculteit: vijf schenkers waren theologieprofessor en drie baccalaurei formati in de theologie. Drie beurzen kwamen er op initiatief van theologieprofessoren en twee stichtingen door verwanten van theologieprofessoren. De andere weldoeners waren vaak geestelijken of alumni die aan het hof resideerden en die de universiteit, en dan in het bijzonder de theologische faculteit, goed gezind waren.

Typisch voor het Heilige-Geestcollege waren de Leuvense burgers onder haar weldoeners. Zij volgden het inspirerend voorbeeld van de stichter van het college, Lodewijk de Ryke. Zo liet Elisabeth Lambrechts, echtgenote van een Leuvens burger een legaat voor de bibliotheek na en Catharina Pynnock, zuster van de gekende meier Lodewijk Pynnock en gehuwd met Libertus van Meldert, liet bij testament hun huis na aan het college. Dat huis lag naast het college en moest de ambtswoning van de president worden.

Het externe beheer van het Heilige-Geestcollege was van bij de stichting in handen van de theologische faculteit. Zij was naar de wil van de stichters eigenaar van de gebouwen en verantwoordelijk voor de betaling van de lasten en het onderhoud. Voor concrete aangelegenheden werd een wisselend aantal afgevaardigden gedelegeeerd. Gedurende de eerste jaren van de zestiende eeuw kwamen dezelfde drie namen in verschillende delegaties voor: Adrianus Florentius (Adriaan Floriszoon), Johannes Moederloos en Nicolaus Hellens. De pastoor van de Sint-Pieterskerk was er bijna altijd bij.

Het financiële beheer was in de eerste jaren in handen van de pedel van de theologische faculteit. Nadien had het college zijn eigen rentmeester die onder controle stond van de faculteit. Hij was verantwoordelijk voor het beheer van de stichtingen en stond in voor de jaarlijkse boekhoudkundige controle.

Het Heilige-Geestcollege was van bij de stichting nauw verbonden aan de theologische faculteit. In feite was het van in de beginne een faculteitsinstelling. Dit verklaart in grote mate het hoge aantal weldoeners die het college verschillende eeuwen zou begunstigen. Dankzij hun onbaatzuchtige schenkingen zou het Heilige-Geestcollege zonder veel schade de nog komende economische crisissen doorkomen.

Stichting van universitaire colleges.

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 1

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

9 november 1425, op die dag werd Leuven een universiteitsstad. Op die dag verleende paus Martinus V de stichtingsbul van de universiteit van Leuven. Volgens een stadslegende zou Brussel de stichting eerder zijn aangeboden maar haar bestuurders zouden geweigerd hebben uit bezorgdheid voor de eerbaarheid van hun maagden. Leuven kreeg de toestemming vier faculteiten op te richten: artes, burgerlijk  en kerkelijk recht en geneeskunde. De stad en de hertog moesten de jurisdictie over de leden van de universiteit overdragen aan de rector, zij moesten ook zorgen voor de nodige lokalen en zij moesten de salarissen van de professoren betalen.

Op 17 maart 1432 gaf paus Eugenius IV  de Leuvense universiteit de toelating een theologische faculteit op te riichten. Zo kreeg Leuven een “Studium Generale”: een volledige universiteit. Vanaf 1435 kreeg de theologische faculteit een ereplaats. Ook nu nog openen de professoren van de faculteit Theologie en Religiewetenschappen de stoet der academici bij officiële plechtigheden.

De universiteit was in eerste instantie een corporatie van personen met bepaalde voorrechten en onder gezag van een eigen overheid.

 In een verslag van de visitatie van de periode 1607-1617 krijgen we een opsomming van wie zich suppoost mocht noemen:

  • alle doctoren en licentiaten van de hogere faculteiten, zijnde geneeskunde, beide rechten (kerkelijk en burgerlijk recht) en theologie,
  • de baccalaurei van deze faculteiten,
  • de magisters van de kunsten die hun studie voortzetten, op voorwaarde dat ze geen handel dreven of geen openbaar ambt bekleedden,
  • alle studenten die waren ingeschreven en werkelijk college liepen,
  • de geïncorporeerde kloosters,
  • de weduwen van doctoren en licentiaten van een hogere faculteit, mits ze in de weduwstaat bleven en geen handel dreven,
  • de beëdigde boekverkopers en boekbinders die door de universiteit aanvaard werden,
  • de pedellen, notarissen en andere ambtenaren van de universiteit,
  • één bode per provincie en één receptor per college,
  • de dienstknechten en dienstmeisjes die bij suppoosten inwoonden.

In grote lijnen bleef deze lijst gelden tot kort voor de opheffing van de universiteit.

In de pauselijke bul werden twee privileges gedefinieerd waarvan de leden van de universiteit konden genieten: juridische immuniteit en algemene vrijdom van belastingen. De suppoosten van de universiteit waren onttrokken van iedere vreemde rechtsmacht, alleen de rector had de bevoegdheid suppoosten te oordelen en te straffen. De werkelijkheid was wel meer genuanceerd dan wat men uit officiële documenten zou kunnen afleiden.

Officieel werd de universiteit geleid door de rector. Deze werd aanvankelijk vier maal per jaar verkozen, vanaf 1445 twee maal per jaar. De rector genoot van eervolle voorrechten die vooral protocollair waren, zijn werkelijke macht lag vooral op het juridische vlak. Niemand kon een suppoost van de universiteit arresteren of bestraffen zonder zijn toestemming. Naast de rector had je een aantal andere functies: de kanselier, de conservatoren van de privileges, de gedelegeerden van de faculteiten, de receptor, de syndicus, de promotor, de secretaris, de pedellen en de boden.

De universiteit was enerzijds een corporatie van personen maar anderzijds ook het overkoepelend orgaan van de faculteiten. Faculteiten waren op zichzelf staande corporaties verbonden aan het studium. Hun belangrijkste opdracht was het organiseren van het onderwijs. Dat onderwijs werd op twee niveaus georganiseerd. Je had een vorm van voorbereidend onderwijs dat gegeven werd aan de Artesfaculteit, en je had de meer gespecialiseerde opleidingen in de hogere faculteiten.

Aanvankelijk werden alle lessen gegeven in de Vicus, de zetel van de faculteit in de Nieuwstraat (de huidige Vander Kelenstraat, museum M) maar in de loop van de vijftiende eeuw werden meer en meer lessen overgeheveld naar de pedagogieën. Dit waren in feite universitaire kostscholen waar de studenten woonden en lessen volgden. De belangrijkste beweegreden voor deze evolutie was waarschijnlijk een streven naar meer tucht en orde onder een groter wordende groep studenten. De artesopleiding duurde vier à vijf jaar en leidde tot het diploma van “licentiaat” of “magister”.

Normaal moest je als student eerst aan de artesfaculteit gestudeerd hebben vooraleer je een studie aan een hogere faculteit kon beginnen. De lessen van de hogere faculteiten werden gegeven in de universiteitshal. In de beginjaren van de universiteit was studeren een dure aangelegenheid. De lange studieduur en de hoge promotiekosten zorgden bij een grote groep studenten voor problemen. Deze problemen waren het meest uitgesproken in de theologische faculteit waar de studieduur ook het langst was: tot twaalf jaar. Het verlenen van een priesterloon, een prebende, was ruim onvoldoende om deze problemen volledig weg te werken.

De belangrijkste uitgaven voor een student in de vijftiende eeuw waren de onkosten voor het levensonderhoud. Daarnaast moest de student ook rekening houden voor het reizen, boeken, kleding, … Het schoolgeld maakte slechts een klein deel van de totale uitgave uit, nog geen vijf percent in het midden van de vijftiende eeuw. Daartegenover stonden wel de extreem hoge promotiekosten. In de theologische faculteit kostte een promotie ongeveer even veel als de kosten van één jaar levensonderhoud.

De universitaire overheid was ook bezorgd om de goede faam van haar leden. Ze wou vooral dat haar studenten zich goed gedroegen, regelmatig studeerden en zuinig leefden. De universiteit zocht tevergeefs naar een goede oplossing voor een complex tuchtprobleem. De geldverspilling kon ze min of meer opvangen door haar jonge studenten onder voogdij te plaatsen en aan de artesfaculteit konden de pedagogieën de tuchtproblemen vrij goed onder controle houden maar voor de rest slaagde de universiteit er niet in dit kwaad uit te bannen.

Op dit vlak kenden privéinitiatieven meer succes. In colleges kregen een aantal minderbegoede studenten kost en inwoon. Het initiatief ging uit van een privépersoon, meestal een professor of een alumnus van de universiteit, die zorgde voor een huis en de nodige financiële middelen voor het onderhoud van de gebouwen en voor de betaling van de beurzen. De leden van een college werden bursalen genoemd naar de beurs die zij wekelijks, maandelijks of halfjaarlijks ontvingen en waarmee ze hun bijdrage in de gemeenschappelijke kosten en hun persoonlijke studiekosten moesten betalen. In tegenstelling tot de pedagogieën werd er in colleges in principe niet lesgegeven. Colleges kunnen gezien worden als universitaire kosthuizen.

Colleges werden vooral gesticht door alumni en professoren van de universiteit die iets wilden verhelpen aan de problemen waarmee ze zelf geconfronteerd waren. Zin wensten oprecht een sociale nood lenigen maar tegelijkertijd wouden ze door aan liefdadigheid te doen hun zielenheil in het hiernamaals verzekeren.

Vaak wouden ze ook familieleden en/of streekgenoten bevoordeligen. Het ging dan meestal om inwoners van de stad of streek waar de schenker vandaan kwam of waar hij beneficies had. Vandaar dat een aantal colleges meerdere namen had: een van de stichter en een (of meerdere) van de stad of streek.

Een college was een gesloten gemeenschap onder leiding van een president. Aanvankelijk was dit een student, later, in de zestiende eeuw werden deze gerekruteerd uit het korps van professoren en doctoren. In feite kunnen we dan pas van een president spreken. Geleidelijk kreeg de preident meer bevoegdheden. Hij moest alleen verantwoording afleggen tegenover de visitatoren. Vooral de pastoor van de Sint-Pieterskerk, die ook professor aan de theologische faculteit was, trad vaak op als visitator. Het beheer van de beurzen was vaak in handen van een familielid van de stichter of van een lokale pastoor, kapittel of schepenbank. De universiteit had hierin meestal weinig of geen inspraak.

Colleges waren vaak autarkische gemeenschappen. Ze bakten zelf brood, hadden een eigen moestuin en soms zelfs een wijngaard.

Een document uit het archief van het Atrechtcollege geeft ons een inkijk in de keuken van een zestiende- of zeventiende-eeuws college.

  • ’s Morgens kregen de jongens soms “Bierenbroot” en soms “zoppe opt vleesch geweyckt,
  • ’s middags kregen ze ”pottagien” soms met warmoes of erwten en soms met een stuk gezouten vlees,
  • daarna hutsepot en kaas.

Ossenvlees was het meest gegeten vlees en bier was de belangrijkste drank. Een collegestudent dronk gemiddeld anderhalve liter (klein) bier per dag.

Hoeveel studenten in Leuvense colleges verbleven is moeilijk in te schatten. In 1526 telde Leuven elf colleges met in totaal een honderdtal beurzen. In 1578 waren er al vierhonderd bursalen voor drieëntwintig beurzen. Meer dan de helft van de beurzen ging naar artesstudenten, ongeveer een vierde naar theologiestudenten en een tiende naar rechtsstudenten. De rest ging naar studenten van verschillende faculteiten. Het Standonckcollege en het Pauscollege waren de grootste en hadden tegen het einde van de zestiende eeuw vijftig of meer studenten. Dat was net vòòr het verval. Tijdens de burgeroorlog kwamen veel colleges leeg te staan en deden sommige dienst als kazerne. In 1598 waren er maar dertien colleges bewoond en was het aantal beurzen gezakt tot een twintigtal.

In 1526 telde Leuven ongeveer tweehonderd collegestudenten of ongeveer twaalf percent van de studentenbevolking. Maar het belang van de colleges is groter dan wat uit deze cijfers zou blijken. Colleges waren trendsetters als het over verstrenging van de tucht gaat en ze speelden een belangrijke rol in de vorming van professoren.

In een volgende aflevering ga ik specifiek in op de situatie van het Heilige-Geestcollege.

Heverlee en het geslacht van Croÿ. deel 1

In het begin van de achtste eeuw maakte Heverlee deel uit van de domeinen van de bisschop van Luik. In de twaalfde eeuw wordt Heverlee bij het graafschap Leuven ingelijfd. De heerlijkheid omvatte toen Oud-Heverlee, Vaalbeek en Bertem. De heren van Heverlee hadden hun versterkte burcht op de plaats van het huidige Arenbergkasteel.

Het geslacht van Croÿ

anton

(c) Wikipedia

In 1445 koopt Anton van Croÿ de heerlijkheid van de berooide heer van Heverlee, Raas van Graven (Grez) die sinds de stichting van de universiteit (1425) ook meier van Leuven was.

Croÿ is een heerlijkheid aan de Somme. Ze beweerden dat ze afstamden van de koning van Hongarije en via die omweg van Adam en Eva. Huizinga rekent hen in “Herfsttij der Middeleeuwen” tot de grote parvenu’s van het Bourgondische tijdperk met een neus voor “douceurs” en “faveurs” (schenking en begunstiging). Eerst werkten ze zich in de gunst van de Bourgondiërs, daarna bij de Habsburgers.

Anton, ook de Grote Croÿ genoemd (ca 1385-1475), stond in de gunst van Filips de Goede die hem bij de oprichting van de orde van het Gulden Vlies onmiddellijk opnam als ridder. Anton werd raadsman en kamerheer, en stadhouder in Namen en Luxemburg. In Henegouwen kreeg hij de heerlijkheden Chièvres en Beaumont en door huwelijk kwam hij in het bezit van Aarschot en Bierbeek. Wanneer Karel De Stoute aan de macht kwam in Bourrgondië (1467), liet hij de eigendommen van de Croÿs confisqueren. Als antwoord ging de Grote Croÿ samenspannen met de Franse koning. In 1473 deed hij op achtentachtigjarige leeftijd een knieval en verkreeg alsnog genade en restitutie van zijn goederen.

Anton van Croÿ huwde twee maal en had zeven kinderen.

Rogier van der Weyden. Portret van Filips van Croÿ (c) Wikipedia

Rogier van der Weyden. Portret van Filips van Croÿ (c) Wikipedia

Zijn zoon Filips I van Croÿ (1435-1511) werd de stamvader van de Aarschotse tak. Hij werd samen met Karel De Stoute opgevoed. In 1471 liep hij in een conflict tussen Frankrijk en Bourgondië met zeshonderd soldaten over naar het Franse kamp. In 1475 verzoende hij zich met Karel De Stoute en diende nadien voor Maria van Bourgondië en regelde het huwelijk met Maximiliaan van Oostenrijk. Daarmee komen de Nederlanden in handen van de Habsburgers.

Willem van Croÿ (1458-1521)

Willem van Croy

(c) Wikipedia

Willem van Croÿ trouwde omstreeks 1485 met Maria van Hamal. Bij de keizerskroning van Maximiliaan van Oostenrijk (1486) wordt hij door de keizer zelf tot ridder geslagen. Later wordt hij ridder van het Gulden Vlies (1491), raadsheer en kamerheer.

Willem van Croÿ, ook gekend als Willem van Chièvres of kortweg Chièvres, werd in 1459 in Picardië geboren als telg uit een geslacht dat sinds verschillende generaties in dienst stond van de hertogen van Bourgondië. In 1483 koopt hij de heerlijkheid Rance en twee jaar later verwerft hij van zijn vader Beaumont, Heverlee en Chièvres. Sindsdien draagt hij de titel Heer van Chièvres. In 1488 huwt hij met Maria-Magdalena van Hamal, weduwe van Adolf de la Marck.

Willem van Croÿ was één van de belangrijkste politieke figuren in de Nederlanden en stapelde de politieke ambten op. Hij werd lid van de Geheime Raad, voorzitter van de Raad van Financiën, stadhouder van Namen en bekleedde daarnaast nog een aantal lokale ambten. Hij gaat in Parijs onderhandelen over een toekomstig huwelijk van Karel V met de dochter van de Franse koning. Karel V was toen 2 jaar.

Wanneer Filips de Schone in 1505 naar Spanje reisde om zich als Spaanse koning te laten kronen werd Willem van Croÿ aangesteld als regent van de Habsburgse Nederlanden en in 1509 werd hij benoemd als opvoeder-gouverneur van de kleine Karel V. Hij bracht de toekomstige keizer nieuws over de militaire en diplomatieke ontwikkelingen, bondgenootschappen, veldtochten en veldslagen, over de correspondentie met vorsten en gezanten en  over de rechten en plichten van de Bourgondische vorsten. Willem van Croÿ haalde Karel weg van het Mechelse hof van Margaretha van Oostenrijk om zijn eigen invloed op zijn leerling te versterken. Hij sliep zelfs in dezelfde kamer als Karel.

Een andere leraar van de latere keizer was Adriaan van Utrecht, de latere Nederlandse paus Adrianus VI. Dit onderricht in Latijn, godsdienst en vrije kunsten interesseerde de jonge Karel maar matig. De pogingen om de latere keizer in contact te brengen met de nieuwe denkbeelden, het Humanisme en de Moderne Devotie, hadden blijkbaar weinig succes. Karel voelde zich meer aangetrokken door het laatmiddeleeuwse ridderideaal zoals die door de orde van het Gulden Vlies levend werd gehouden.

Jan van Scorel. Portret van Adriaan van Utrecht (c) Wikipedia

Jan van Scorel. Portret van Adriaan van Utrecht (c) Wikipedia

Niet iedereen was even gelukkig met de dominante invloed van Willem van Croÿ op de toekomstige vorst. Op het vlak van buitenlandse politiek stond Chièvres lijnrecht tegenover de Habsburgers Maximiliaan en Margareta. Willem van Croÿ slaagde erin Karel op vijftienjarige leeftijd mondig te verklaren zodat hij zelf de lakens kon blijven uitdelen.

Vanaf 1517 richtten Willem van Chièvres en Karel hun aandacht op Spanje en voeren ze de druk op Johanna “de waanzinnige” op om haar soevereiniteit over te dragen aan haar zoon. Chièvres en anderen uit Karels omgeving haalden lucratieve postjes binnen en verpatsten niet zelden de opbrengsten. Deze inhaligheid en de toestroom van Vlaamse (en Bourgondische) gunstelingen bezorgden de “Flamencos” in Spanje dezelfde reputatie die de Spanjaarden een halve eeuw later in onze streken zouden krijgen.

Karels voormalige leermeester Adriaan van Utrecht moest voorkomen dat Karels jongere broer Ferdinand in Spanje als troonopvolger zou benoemd worden. Als dank voor bewezen diensten kreeg hij het bisdom Tortosa. Bij Karels terugkeer naar het noorden kreeg Adriaan – tegen zijn zin – het regentschap over Spanje en werd hij de feitelijke regeringsleider.

Het meest geruchtmakende voorbeeld van nepotisme was de blitzcarrière van kanunnik Willem van Croÿ. Het neefje en naamgenoot van Chièvres die op negentienjarige leeftijd aartsbisschop van Toledo en primaat van Spanje. De katheder van Toledo was het best betaalde kerkelijke ambt op het Iberisch schiereiland. Voordien was Chièvres er al in geslaagd om de kerkelijke hiërarchie in de Nederlanden gaandeweg om te vormen tot een familieholding van de Croÿ’s. Ooms en neven volgden elkaar op de katheder op Terwaan, Atrecht, Kamerijk en Doornik.

Willem kanunnik

(c) Wikipedia

De benoeming van een vreemde minderjarige zonder bijzondere verdiensten die bovendien weigerde in zijn eigen bisschopsstad te gaan wonen, was een van de elementen die zou leiden tot de “Opstand van de Comunidades”, de Spaanse steden, die in de bloed gesmoord werd en die de “Flamencos” hetzelfde imago bezorgde als de Spaanse bezetters in Vlaanderen onder Filips II een halve eeuw later.

Als dank voor bewezen diensten verheft Karel V in 1518 de heerlijkheid Heverlee tot baronie en voegt het toe aan het markizaat Aarschot.

In 1521 vertrekt hij met keizer Karel naar Worms voor de Rijksdag. Tijdens zijn verblijf wordt hij ernstig ziek en op 21 mei 1521 laat hij zijn laatste wilsbeschikking vastleggen ter aanvulling van het testament dat hij kort vóór zijn vertrek had opgesteld. Hij overlijdt op 27 mei 1521. Na een plechtige dienst in Worms wordt hij overgebracht naar Aarschot waar hij wordt bijgezet in de Onze-Lieve-Vrouwekerk.

Het huwelijk van Willem van Croÿ met Maria-Magdalena van Hamal bleef kinderloos en hij werd opgevolgd door zijn neef Filips.

Wie herkent dit?

Dit gebeeldhouwde miniatuur is een detail van een van de topstukken van het Leuvens cultureel erfgoed. Het staat ook op de lijst van Topstukken van het Vlaams cultureel erfgoed, en het is vrij te bezoeken. Toch zullen velen dit nog niet herkennen, daarom plaats ik deze bijdrage onder de “verborgen parels”. Het is zeker niet verborgen in de letterlijke zin van het woord, maar het is figuurlijk voor ons verborgen omdat we niet buiten het kader kijken en ons blind staren op de grote publiekstrekkers.

Dit is een detail van het Triomfkruis van de Leuvense Sint-Pieterskerk en wordt toegeschreven aan een van de allergrootste beeldsnijders van zijn tijd, de “Jan Van Eyck onder de gotische beeldsnijders” Jan Borreman. Een korte kennismaking met een van de negen Vlaamse Topstukken in Leuven.

Dit kunstwerk hangt nog steeds op zijn originele plaats en in de originele context en is zo ook een mooie illustratie van een stukje kerkgeschiedenis. Het kruis is samen met de constructie waar het bovenop staat een vrij zeldzame restant van een middeleeuws kerkinterieur. Het kruis staat immers bovenop het originele doksaal dat in deze kerk op zijn originele plaats staat en zijn originele functie heeft behouden.

voorkant

(c) Lukas v.z.w;

Wij denken bij een doksaal direct aan een tribune achteraan de kerk met een orgel en een koor maar oorspronkelijk had het doksaal een andere plaats en – gedeeltelijk – een andere functie. Een doksaal was in de eerste plaats de scheiding van het koor en het schip. Het koor was voorbehouden voor de kanunniken en andere geestelijken, leken moesten plaats nemen in het schip. Voor hen was er een altaar vóór het doksaal. Daarnaast deed het ook dienst als preekstoel, als zangtribune en als sokkel voor het triomfkruis. Na het concilie van Trente werd de scheiding tussen de clerus en de leken in de kerken opgeheven en werden de meeste doksalen verwijderd. Op vele plaatsen werden deze constructies gerecupereerd als orgeltribune aan de westkant van het schip. Het doksaal van Leuven dateert uit de vijftiende eeuw en is daarmee het oudste in België. Andere overgebleven doksalen in Aalst, Lier, Tessenderlo, Walcourt… zijn zestiende-eeuws.

Waarschijnlijk maakte Jan Borreman het model van een hek van het doksaal want hij stond borg voor meester Jan Van Thienen die de opdracht had gekregen het in geelkoper te maken.

Over het leven van Jan Borreman is weinig gekend. Hij moet omstreeks 1450 geboren zijn. Zijn naam komt in  de archiefdocumenten voor tot 1520, waarschijnlijk zijn sterfjaar. Zijn vader, Jan Borreman was waarschijnlijk ook beeldsnijder en zijn twee zonen Jan III en Passier werden dat ook. Jan III zou de maker zijn van het passieretabel dat zich nu bevindt in het Museum Mayer van den Bergh in Antwerpenn.

Passier is de maker van het retabel van Sint-Crispijn en Sint-Crispiniaan dat zich in de Sint-Waldetrudiskerk in Herentals bevindt.

In 1479 verwierf Jan Borreman II het poorterrecht van Brussel en werd hij in deze stad lid van het gilde van de “Steenbickeleren”. Een kwijting voor beelden voor de afsluiting van het hertogelijk paleis in Brussel zegt van Jan Borreman de Oude “dat hy die beste meester beeldsnyder es”. Zijn werken vonden afzet tot in het noorden van het Heilig Roomse Rijk en in Scandinavië.

Het bekendste werk van Jan Borreman is het Sint-Jorisretabel dat de Leuvense kruisbooggilde bestelde voor de kapel van Onze-Lieve-Vrouw-van-Ginderbuiten en dat zich nu in het KMKG in Brussel bevindt. Uit documenten weten we dat hij in 1506-1507 ook een retabel voor de kapel van de Heilige Arnold in de Leuvense Sint-Pieterskerk gemaakt heeft. Van dit retabel is geen materieel spoor terug te vinden.

Het triomfkruis bestaat uit drie levensgrote beelden: Christus aan het kruis, Maria en Sint-Jan-Evangelist. De beelden vallen op door de expressieve uitdrukking van de personages: de manier waarop Johannes naar het kruis opkijkt en Maria het hoofd afwendt. De anatomische verhoudingen zijn uitzonderlijk en het plooienspel van de gewaden meesterlijk. Vooral in de expressiviteit van de Mariafiguur is de invloed van Rogier Van der Weyden merkbaar. Dit uitzonderlijke meesterschap gecombineerd met de aanwezigheid van het merkteken van een Brussels atelier heeft geleid tot een toeschrijving aan Jan Borreman II. Op de beelden zijn nog sporen van de originele polychromie aanwezig.

(c) Lukas v.z.w.

(c) Lukas v.z.w.

De beeldengroep is geplaatst op een tabernakelpaneel dat opgeluisterd is met drie gebeeldhouwde heiligenbeelden vooraan: Gregorius de Grote, Paulus en Hiëronymus, en drie geschilderde heiligen achteraan: Ambrosius, Hendrik en Augustinus. De heiligenportretten zijn gemaakt door Leuvense schilders.

De uiteinden van het kruis zijn afgewerkt met miniatuurbeeldjes in medaillonvorm. Vooraan worden de vier evangelisten voorgesteld aan de hand van hun symbolische voorstelling: de adelaar (Johannes), de engel (Mattheus), de leeuw (Marcus) en de stier (Lucas).

(c)

(c) Lukas v.z.w.

Achteraan worden de vier kerkvaders afgebeeld: de heiligen Ambrosius, Augustinus, Gregorius en Hiëronymus.

(c) Lukas v.z.w.

(c) Lukas v.z.w.

Op de kruising vinden we achteraan ook nog een medaillon met de afbeelding van het Lam Gods.

lamgods

(c) Lukas v.z.w.

Bronnen: