Tagarchief: 16de eeuw

Bouwgeschiedenis van het Heilige-Geestcollege

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 5

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

Wie op zoek is naar materiële sporen van de vroegste periode van het Heilige-Geestcollege, zal van een kale reis thuiskomen. Van de oudste gebouwen is er niets zichtbaars overgebleven. Ik kan alleen  aanduiden waar de gebouwen zich bevonden. De ligging in de stad en de situering ten opzichte van andere gebouwen zoals de hal, de pedagogieën en andere colleges, is ook belangrijk.

De oude brouwerskamer “Hollant” aan de hoek van de Hevelstraat en de Prooststraat was in het begin van de vijftiende eeuw eigendom van Everardus Verenbruden. In 1409 werd ze gekocht door de brouwer Henricus Coninc die de brouwerij uitbreidde met een huis en een hof in de Hevelstraat en met een aanpalend terrein in de Prooststraat. Dit geheel kwam in 1425 in handen van Lodewijk de Ryke. In 1445 gaf deze het terrein zijn nieuwe bestemming en stichtte hij het Heilige-Geestcollege. Het oorspronkelijke huis zou pas een eeuw later verdwijnen.

eigendommen

Rond 1462 werd het college uitgebreid met de overige bezittingen van Lodewijk de Ryke. Het belangrijkste deel kocht hij in 1412 van Jacobus Verenbruden. Dat bestond uit een stenen huis, een schuur, een boomgaard, een waterput, een open plaats naast de brouwerskamer, terreinen in de Hevelstraat en een doorgang naar de Boogaardstraat (nu Sint-Antoniusberg, ook Capellenberg genoemd). Eerder had Lodewijk de Ryke nog eigendommen in de Hevelstraat aangekocht: in 1418 een klein huis met een tuin, in de periode van 1421 tot 1425 een huis met een tuin en een wijngaard, en in 1446 nog een huis met tuin en wijngaard en het huis “Opde Treppekens” gelegen tussen de eerder gekochte eigendommen. Zo verkreeg Lodewijk de Ryke een domein dat zich in de Hevelstraat uitstrekte van het huis Meynaert aan de hoek van de Grote Markt (nu Oude Markt) en Crabbendyck, een straatje dat aan de hoek van de Hevelstraat en de Grote Markt begon en in de Capellenberg (Boogaardstraat) uitmondde. Dit straatje verdween bij de bouw van het Drievuldigheidscollege.

Het stenen huis van de Ryke in de Prooststraat werd vanaf 1462 het hoofdgebouw van het Heilige-Geestcollege. De pedel van de theologische faculteit woonde in een van de huizen in de Hevelstraat. De brouwerij bleef tot in de zestiende eeuw in functie.

Aan de hoek van de Boogaardstraat en de Prooststraat lag het huis Meldert. Aan het begin van de vijftiende eeuw was dit nog eigendom van Egidius de Ryke, vermoedelijk een oom van Lodewijk. In 1450 was het in het bezit van Egidius’ zoon Johannes, kanunnik in Luik, die het omwille van geldproblemen moest verkopen aan Libert, Heer van Meldert. Het huis paalde zijdelings aan de schuur van Lodewijk de Ryke. In 1513 liet de Catharina Pynnock, weduwe van Libert van Meldert, het huis over aan het college om er de ambtswoning van de president in te vestigen.

plattegrond2

Aan de Prooststraat lagen tussen de eigendommen van de Ryke en het huis Meldert nog twee huizen: “den Uyl” en “’t Blauwe Schaep”. Deze huizen werden in de zestiende eeuw door het college opgekocht. In 1513 installeerde Lucas Walteri zich als president in het huis Meldert. Na zijn dood werd het grondig hersteld.

In 1523 werd de brouwerskamer Hollant met het huis van de Ryke verbonden door een grote middenvleugel met traptoren. Hierdoor werd de binnenplaats gescheiden van de tuin. In dit deel werden de disputen georganiseerd. In 1532 werden er glasramen in geplaatst. Deze verbouwingen werden betaald met gelden verkregen door de stichting van de Antwerpse koopman Cornelius Braen. In 1614 werd het huis van de Ryke vervangen door een nieuw reftergebouw.

Het Heilige-Geestcollege dat begonnen was met een hoekhuis was in honderd jaar tijd uitgegroeid tot een aaneensluitend gebouwencomplex, gelegen op wandelafstand van de universiteitshal. In de volgende jaren zouden zich nog enkele belangrijke colleges, onder andere het Pauscollege en het Atrechtcollege, en een van de vier pedagogieën, het Varken, in deze buurt vestigen.

Wat we nu waarnemen is grotendeels tot stand gekomen in de achttiende eeuw.  Door opeenvolgende verbouwingen drukten verschillende presidenten hun stempel op de geschiedenis van hun college.

Niet alleen het Heilige-Geestcollege, maar de gehele universiteit kende een gedaanteverwisseling in de achttiende eeuw. Leuven en haar hogeschool werden toen gekenmerkt door een opvallende bouwwoede. Na enkele eeuwen van oorlogvoering kwam de samenleving tot rust en kenden onze streken een periode van economische heropbloei. De bouwnijverheid werd nog eens extra gestimuleerd door het invoeren van de amortisatiedecreten waarmee de overheid een halt wou toeroepen aan de uitbreiding van de gronden in handen van de dodehandsinstellingen zoals de universiteit en de kloosters. Aangezien de universiteit niet meer kon investeren in gronden, stak ze haar geld in verbouwingen en verfraaiingen van haar oude gebouwen.

foto_voor_bombardement

Tot 1944 had het Heilige Geestcollege een grote witte voorgevel, zoals nog te zien is op oude foto’s. Helaas is dit imposante front verloren gegaan tijdens de bombardementen in mei 1944. Bij de wederopbouw moest men rekening houden met een veranderde rooilijn en werd het poortgedeelte naar achter geschoven en is de binnenkoer kleiner geworden. Ook de twee arcadengalerijen in de Naamsestraat zijn een gevolg van deze aanpassing.

 

galerij Heilige Geestcollege

foto: Koen Demarsin

De eerste grote verbouwing gebeurde al in de zestiende eeuw toen de nieuwe middenvleugel met traptoren werd gebouwd tussen het woonhuis van Lodewijk de Ryke en de brouwerskamer Hollant. In deze vleugel vonden de zaterdagdisputen plaats. In 1614 werd op de plaats van het woonhuis een nieuwe refter gebouwd. Willem De Smet (Guilielmus Fabricius) was toen president.

Tussen 1721 en 1731 werd de rechtervleugel gebouwd. De werken begonnen in opdracht van president Parmentier en werden voltooid onder het presidentschap van zijn opvolger Stoupy. In deze vleugel werden de kapel en slaapplaatsen ondergebracht. Typerend voor deze vleugel is de zuilenpartij met Palladio-motief.

palladiomotief

Foto: Tijl Vereenooghe

De poortvleugel werd gebouwd in 1727. Dit wordt  bevestigd door het (nu verdwenen) chronogram aan de binnenzijde van de poort “praesIDIo spIrItI canCtI ConsUrreXIMUs”.

Aan de straatkant werd de poort bekroond met een bovenstuk waarop twee engelenfiguren met de vinger wijzen naar het inmiddels verdwenen opschrift: “COLLEGIUM THEOLOGORUM SUB TUTELA SPIRITUS SANCTI FUNDATUM ANNO MCCCCXLII”. Het centrale topstuk in de vorm een duif verdween tijdens de Franse Revolutie. De poort werd bij de heropbouw gerecupereerd.

poort_postkaart

De rechtervleugel en de poortvleugel werden ontworpen door Jean-André Anneessens (1687-1754) die als hofarchitect werkzaam was op de Hofberg in Brussel en in de hertogelijke residentie van Tervuren. Hij ontwierp ook de voorgevel van het Luikse prinsbisschoppelijke paleis (1737) en werkte mee aan de verbouwingen van de abdij van Grimbergen (1710-1715).

In 1769 liet president Van der Auwera een vleugel bijbouwen aan de Collegeberg. Dit gedeelte heeft nog dienst gedaan als woning van de rector. In dezelfde periode werd de linkervleugel doorgetrokken tot aan de straat.

De laatste grote bouwwerken gebeurden onder het mandaat van de laatste president van het oude Heilige-Geestcollege, Jan-Frans Van De Velde. Hij liet de zestiende-eeuwse vleugel met traptoren afbreken en vervangen door een nieuwe middenvleugel in Lodewijk-XVI-stijl. Ook de inrichting van de gebouwen werd nog verdergezet. Zo kreeg de kapel nog een nieuw orgel.

Ondanks de verschillende bouwperiodes geven de gebouwen rond de binnenkoer toch een gevoel van eenheid. We moeten daarbij wel in het achterhoofd houden dat we hier kijken naar een reconstructie.

poort_nu

Het Heilige-Geestcollege in de geschiedenis.

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 4

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

Als belangrijk college van een belangrijke faculteit speelde het Heilige-Geestcollege een belangrijke rol in de discussies binnen de kerk vanaf zijn stichting tot de opheffing van de universiteit aan het einde van de achttiende eeuw.

In de eerste plaats had je de disputen. Deze oefeningen in theologisch discussiëren waren openbare debatten die druk werden bijgewoond en waar de theologische faculteit haar studenten gebruikte om de standpunten van de faculteit te verwoorden en te bediscussiëren. Deze disputen stonden onder leiding van de president. Het was dan ook hij die bepaalde wat aan bod kon komen en wat niet. Je kan gerust stellen dat de president van het Heilige-Geestcollege een belangrijk opiniemaker was en een gezagsvolle stem in het theologisch debat, dat tijdens het Ancien Régime ook het alledaagse leven beïnvloedde.

In de zestiende eeuw speelden enkele van de eerste presidenten een belangrijke rol in de discussies rond het humanisme en het opkomend protestantisme. Zo was Maarten van Dorp aanvankelijk een overtuigd humanist maar veranderde hij volledig van mening als hij president werd van het Heilige-Geestcollege. Hij distantieerde zich uitdrukkelijk van zijn vriend Erasmus en zal met deze heftig discussiëren via brieven. Een belangrijk thema is de wenselijkheid van een nieuwe Bijbelvertaling. Dorpius verdedigde vurig de officiële Vulgaatvertaling en beriep zich hiervoor op het gezag van de concilies. Naar het einde van zijn loopbaan toe, wanneer hij geen president meer was van het Heilige-Geestcollege, veranderde Dorpius nog eens van standpunt en werd hij opnieuw een overtuigd Erasmiaan.

Martinus_Dorpius_(1485-1525)

Zijn opvolger als president van het Heilige-Geestcollege, Ruardus Tapper was een van de meest gezaghebbende theologen die het officiële standpunt van de paus en de katholieke kerk verwoordden en beschermden. In zijn belangrijkste werk, de Explicationes Articulorum, weerlegde hij in 59 – later teruggebracht tot 39 – geloofsartikelen de stellingen van Luther.  In het dagelijkse leven zou hij als inquisiteur-generaal van de Nederlanden een actieve rol spelen in de bestrijding van het protestantisme. Ruardus Tapper was hiermee de koploper in een lange reeks van presidenten van het Heilige-Geestcollege die zich zouden opwerpen als verdedigers van het hoogste kerkelijke gezag.

tapper

Naar het einde van de zestiende eeuw raakte de theologische faculteit in een conflict verwikkeld met de Jezuïeten. In feite ging dit conflict eerder om de verdediging van de eigen privileges dan om fundamentele geloofspunten. De Leuvense theologen wouden absoluut verhinderen dat de nieuwkomers zelf colleges zouden oprichten en daar filosofie en theologie zouden onderwijzen. Mede met de steun van de paus kon de universiteit de concurrentie buitenhouden.

In de zeventiende eeuw werd de theologische faculteit het strijdtoneel van een heftige woordenstrijd tussen twee stromingen binnen het theologische denken: het strenge Augustinianisme tegenover het meer gematigde pragmatische humanisme van onder andere de Jezuïeten. Aangezien binnen de theologische faculteit een sterke augustiniaanse stroming actief was, eerst rond de figuur van Michel de Bay en zijn Baianisme en later rond Cornelius Jansenius wiens ideeën na zijn dood zouden uitgewerkt worden door de Jansenisten, kwamen ook in deze conflicten de theologische faculteit en de jezuïeten tegenover elkaar te staan.

Naar het einde van het Ancien Régime werd de theologische faculteit nog een keer verdeeld door een theologische-politieke tegenstelling. Toen stonden de jozefisten tegenover de ultramontanen. Deze laatsten verdedigden zeer heftig het gezag van de paus en verzetten zich met hand en tand tegen elke inmenging van de wereldse overheid, verpersoonlijkt door de keizer-koster Jozef II. Het belangrijkste strijdpunt van de ultramontanen was de oprichting van het Seminarie-Generaal waarmee de keizer de kerk wou moderniseren door de priesteropleiding aan te pakken. Dit verzet van de kerk zou uitmonden in de Brabantse omwenteling, de opstand in de Zuidelijke Nederlanden tegen de Oostenrijkse keizer die geleid heeft tot het kortstondige bestaan van de Verenigde Nederlandse Staten.

Blijkbaar was het Ancien Régime echt oud geworden en was de strijd om het behoud van de middeleeuwse privileges een verloren strijd. Dat moest ook de laatste president van het Heilige-Geestcollege aan de Oude Universiteit, Jan-Frans Van de Velde, ondervinden: de Franse Revolutie maakten zijn strijd om de rechten van de Oude Universiteit te verdedigen, nutteloos.

De splitsing van het Heilige-Geestcollege

Door het aanzien dat het Heilige-Geestcollege kende, kon het genieten van steeds meer schenkingen en beursstichtingen. Daardoor werd het mogelijk de instelling te splitsen in een Klein en een Groot Heilige Geestcollege. Het kleine Heilige-Geestcollege werd gehuisvest in het Huis Meldert, het huis dat Catharina Pynnock, weduwe van Libert, Heer van Meldert, aan de theologische faculteit had gelegateerd om er de woning van de President van het Heilige-Geestcollege van te maken. Bij de splitsing werd ook het Huis Lombaerts aan het klein college toegewezen. Dit lag op de Booghaerstraete (de huidige Sint-Antoniusberg) achter het domein van Meldert. De huizen “den Uyl” en “het Blauwe Schaap”, gelegen tussen het huis Hollant, oorspronkelijk eigendom van Lodewijk de Ryke, en het huis Meldert werden ook over de twee colleges verdeeld worden.

eigendommen

Elk college kreeg een president en een eigen beheer hoewel het toezicht in handen bleef van de theologische faculteit. De splitsing werd volledig in 1790 wanneer ook de beurzen en de stichtingen verdeeld werden: het groot college kreeg twee derden, het klein college één derde. Het klein college werd in de loop van de achttiende eeuw volledig herbouwd.

plattegrond2

Voor het klein college betekende de Franse overheersing het definitieve einde. Bij de opheffing van de universiteit kwam het klein college in handen van de Fransen en deed het enkele jaren dienst als herberg. In 1805 (of 1807) kwam het in handen van een houthandelaar, Guillaume Goyens en in 1810 werd het gedeeltelijk afgebroken en omgevormd tot woningen. In de achttiende eeuw kwam het in handen van Willem Roberti, notaris. Eén van zijn nazaten is nog altijd als notaris actief. Het huidige gebouw werd na de verwoesting tijdens de Tweede Weredloorlog in 1950 gebouwd. Het geheel bestond uit een notariaat, een notarishuis en twee appartementen. In het notarishuis is nu het Ereconsulaat van Italië gevestigd.

Het dagelijkse leven in het Heilige-Geestcollege.

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 3

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

Voor zover ze niet gebonden was aan bepalingen opgelegd door de stichters selecteerde de theologische faculteit de bursalen. Vaak kregen familieleden van stichters, stads- of streekgenoten, en/of afgestudeerden van een bepaalde pedagogie de voorrang. Wanneer er geen kandidaten waren die voldeden aan de vereisten gesteld door de stichters, kon de faculteit nog zelf beslissen.

Volgens de statuten kwamen alleen niet-religieuzen in aanmerking. De kandidaat moest gepromoveerd zijn in de artes. hij moest een goede naam hebben, geneigd zijn tot het priesterschap en geschikt zijn voor de theologische studies “zodat er een goede hoop bestond dat hij door woord en voorbeeld in het kader van de Kerk vrucht zou afwerpen.”

Het college had een dubbele boekhouding: een voor de stichtingen en een voor de huishouding. De boekhouding voor de stichtingen werd bijgehouden door de rentmeester die onder controle stond van de faculteit. Hij was verantwoordelijk voor het beheer van de erfrenten, hij beheerde ook de gemeenschappelijke inkomsten en betaalde de onderhoudskosten van het gebouw.

De interne boekhouding, waaronder vooral onkosten voor levensonderhoud, verwarming en verlichting, en voor het personeel vielen, werd bijgehouden door studenten die regelmatig afrekenden met de president. Elke week werd een prepositus of weekverantwoordelijke aangesteld. Hij stond in voor de inkoop van voedsel en kleine benodigdheden en hij was verantwoordelijk voor de inning van de boetes. ’s Zaterdags bracht hij verslag uit bij de president, rekende af en werd vervangen door een nieuwe prepositus. De “vinator” was verantwoordelijk voor de aankoop van wijn, hij werd voor een langere tijd aangesteld. De procurator was verantwoordelijk voor de aankoop van grote voedselvoorraden en brandhout. Het aanstellen en betalen van het personeel was de verantwoordelijkheid van de president.

In de beginjaren van het college, in de vijftiende eeuw, was het mandaat van de president nog niet duidelijk uitgewerkt. Blijkbaar was een baccalaureaat in de theologie de minimumvereiste. In de zestiende eeuw werd de functie van de president duidelijk uitgewerkt in de statuten. Hij werd aangesteld door de theologische faculteit.

Iedereen in het college was gehoorzaamheid aan de president verschuldigd. Hij moest erop toezien dat de statuten onderhouden werden en dat de studenten eendrachtig bleven, ijverig de theologie studeerden en ook op religieus vlak vooruitgang maakten. Andere “minder nuttige” en “eigenaardige” wetenschappen waren uitgesloten.

De president kon naar eigen goeddunken straffen uitdelen maar gebruikte meestal geldboetes om ongeoorloofd gedrag te beteugelen. Een aantal boetes was ingeschreven in de statuten. Voor zware overtredingen zoals het te laat komen of wegblijven van disputen konden de boetes oplopen tot twee à drie stuivers. Dit kwam overeen met enkele malen het bedrag van een beurs voorzien voor één dag. Wie na het sluitingsuur het college binnendrong of wie zonder toelating buiten het college overnachtte, kon een zwaardere straf krijgen: opschorting van de beurs voor een bepaalde tijd. De zwaarste straf, de uitsluiting uit het college, kon alleen door de theologische faculteit uitgesproken worden, in principe op voordracht van de president.

Enkel met de toelating van de president mochten studenten de stad verlaten, afwezig zijn bij maaltijden, uitgaan na het avondmaal, herbergen bezoeken, wijn of bier laten halen, gasten ontvangen, in andermans kamer overnachten en boeken of voorwerpen aan het college ontlenen. De president was ook verantwoordelijk voor het afsluiten van de poort ’s avonds en het bewaren van de sleutel. Om negen uur werd de poort gesloten en heerste er stilte tot de volgende morgen.

De president was verantwoordelijk voor de toekenning van de kamers, de verdeling van de missen en de aanstelling van de koster, bibliothecaris en de verantwoordelijke voor het afwezigheidsregister. De president stond in voor het onderhoud van de inboedel en hij moest de inventaris regelmatig aanvullen.  Vanaf 1513 was hij ook verantwoordelijk voor de disputen.

Een gewone dag in het Heilige-Geestcollege begon om halfvijf ’s morgens. Voor halfzes moesten de studenten zich aanmelden, daarna gingen ze naar de mis. Vóór het ontbijt omstreeks negen hadden de studenten al een eerste les in de halle meegemaakt. Daarna volgde een periode van gedempte stilte tot omstreeks elf uur. Wat er in de namiddag gebeurde is niet bekend en ook over het tijdstip van het avondeten zijn geen gegevens beschikbaar. Wie ’s avonds naar buiten mocht, moest om negen uur terug zijn. Dan ging de deur op slot en heerste er stilte tot de volgende morgen.

Het leven in het Heilige-Geestcollege draaide uitsluitend rond theologie. De studenten moesten bij alle lessen, oefeningen en disputen in de theologie aanwezig zijn. Vooral de zaterdagdisputen mochten niet gespijbeld worden.  Deze vonden sinds het einde van de vijftiende eeuw plaats op zaterdagnamiddag.  Op die disputen oefenden studenten zich in theologische discussies door een stelling te verdedigen of aan te vallen. Deze disputen werden vaak voorgezeten door een gezaghebbende professor van de theologische faculteit, zoals bijvoorbeeld Adrianus van Utrecht (de latere paus Adrianus VI) of Ruardus Tapper.  Vanaf het midden van de vijftiende eeuw warren deze disputen een essentieel onderdeel van de theologische opleiding.

Van de bursalen werd verwacht dat ze regelmatig promoveerden. Wie dit niet deed, riskeerde een sanctie en kon zelfs zijn beurs verliezen. Om dit risico te verkleinen controleerde de theologische faculteit regelmatig de studieresultaten. Traditioneel gebeurde deze controle bij de jaarlijkse visitatie. Soms probeerde de faculteit misbruiken te vermijden door de betaling van de beurs ook uit te stellen. De bursaal kreeg dan het eerste half jaar geen geld en werd in twee stappen uitbetaald bij het beëindjgen van de twee eerste delen van de baccalaureaatscyclus.

Het Heilige-Geestcollege beschikte over een eigen bibliotheek. Deze bezat vooral boeken die verschillende schenkers overmaakten aan het college. Naast de voor de hand liggende theologische werken waren ook een aantal kerkjuridische traktaten en enkele werken van klassieke auteurs, waaronder Sallustius en Flavius Josephus, aanwezig. Een van de bursalen werd door de president aangesteld als bibliothecaris. Hij stond in voor het verzorgen van de boeken, het onderhouden van de catalogus en voor de controle op de uitleningen.

Deze en andere jobs, zoals bijvoorbeeld koster, gaven bursalen de kansen om geld bij te verdienen. Aangezien de waarde van de beurzen de evolutie van de levensduurte niet volgde, verslechterde de materiële toestand van de studenten met de jaren. De theologische faculteit ving dit gedeeltelijk op door beurzen te nivelleren en te cumuleren. In de praktijk moesten alle bursalen over een eigen inkomen beschikken om financieel te kunnen overleven.

Dagelijks werd er driemaal gegeten. ’s Morgens werd er in de keuken ontbeten. Dit ontbijt was niet verplicht, toch werd er zo veel mogelijk samen ontbeten. De andere twee maaltijden waren wel verplicht. Ze werden voorgezeten door de president en alleen hij kon studenten van aanwezigheid vrijstellen.  Hij was ook verantwoordelijk voor de bereiding van de maaltijden die “middelmatig” moesten zijn “zoals het bursalen paste.” Hijzelf mocht iets beter eten “zonder de bursalen financiële schade te berokkenen.”

Elke hoofdmaaltijd werd vergezeld van de nodige gebeden en van het lezen van telkens twee hoofdstukken uit de Bijbel.

Buiten de vastgestelde uren mocht niemand eten of drinken binnen het college zonder de toestemming van de president.

Over de samenstelling van de maaltijden in het Heilige-Geestcollege heb ik geen gedetailleerde informatie gevonden. Er was zeker ook vlees aanwezig want enkele stichtingen voorzagen in de aankoop van varkens. Waarschijnlijk werd bij de maaltijden (klein) bier gedronken. Wijn was voorbehouden voor speciale aangelegenheden.

Ontspanning werd waarschijnlijk vooral ’s avonds na de laatste maaltijd genomen. Tot negen uur, uitzonderlijk tot tien uur, mocht er gepraat worden. Waarschijnlijk werd er ook gezongen.

In de zomermaanden konden studenten de studenten aan de president de toestemming vragen het college te verlaten. Voor het bezoeken van een herberg en om gasten uit te nodigen voor een maaltijd of een overnachting in het college, moest de expliciete toestemming van de president gevraagd worden. Vrouwen mochten slechts bij hoge uitzondering aanzitten bij een maaltijd, van logeren in het college was voor meisjes helemaal geen sprake.

Wie de stad wou verlaten moest daarvoor een gegronde reden hebben. Ellke student mocht maximum één maand per jaar of zes weken verspreid over het jaar afwezig zijn. Wie te lang wegbleef, riskeerde een deel van zijn beurs kwijt te zijn.

Van bij de stichting werden in het college missen gecelebreerd. Deze werden voorgegaan door bursalen die hiermee een centje konden bijverdienen. Vanaf 1448 is er sprake van een eigen kapel en werd er dagelijks minimaal één mis opgedragen.  De missen werden opgedragen tussen zes en zeven uur in de zomer en tussen zeven en acht in de winter. Alle missen vielen buiten de uren die voorzien waren voor lessen of disputen. Eén bursaal werd aangesteld als koster. Deze verdiende een centje bij door te kapel en de gewijde vaten te verzorgen en door tijdens de missen dienst te doen als misdienaar.

Zoals andere theologiecolleges was het Heilige-Geestcollege georganiseerd als een regulier kapittel van studenten onder leiding van een president. In de statuten werd de nadruk gelegd op geregeld studeren en promoveren, een matig en geregeld leven en op de verplichte aanwezigheid van alle collegeactiviteiten.

Stichting van het Heilige-Geestcollege

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 2

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

Lodewijk De Ryke was nauw betrokken bij de stichting van de universiteit. Van 1411 tot 1422 en van 1429 tot 1450 maakt hij deel uit van het stadsbestuur. Van 1422 tot 1439 was hij rentmeester van de hertog in het Leuvense kwartier. Zijn huwelijk met Judoca Vanden Putte bleek kinderloos. Een aantal familieleden studeerde aan de universiteit en hij was goed bevriend met Johannes Varenacker, pastoor van Sint-Pieter en professor van de theologiefaculteit. Hij had dus zeer goede contacten met de universiteit en met de theologiefaculteit in het bijzonder. Dit verklaart misschien zijn vrijgevigheid en zijn keuze voor een college verbonden aan de theologische faculteit.

Lodewijk de Ryke woonde sedert 1412 in de Prooststraat (de huidige Naamsestraat) in de buurt van de halle. In 1424 verwerft hij de brouwerij Hollant op de hoek van de Prooststraat en de Hevelstraat (de huidige Collegeberg en in 1445 geeft hij het huis aan de theologieprofessoren Hemericus de Campo en Johannes Varenacker met de bedoeling er een college in te stichten. De voowaarden waren kort voordien vastgelegd en goedgekeurd door bisschop Johannes van Heemsberg. De stichting was bedoeld voor zeven arme theologiestudenten waaronder twee priesters. Die priesters moesten missen lezen en kregen daarvoor een dubbele prebende. In 1448 was er al een kapel waarin weldoeners missen konden stichten.

Het college werd toegewijd aan de “Zeven Gaven van de Heilige Geest” en naast de naam “Heilige-Geestcollege” werd er ook gesproken over het “College van de Theologanten” of het “College van de Theologische Faculteit”.

In 1447 schonk het echtpaar de Ryke-Vanden Putte hun eigen woning en enkele huizen in de Hevelstraat aan de theologische faculteit. Zij behielden wel het vruchtgebruik zodat de gebouwen pas na de dood van Judoca Vanden Putte in 1462 gebruikt konden worden. De theologische faculteit gebruikte ze voor haar eigen activiteiten zoals promotieplechtigheden en disputen. Een van de huizen werd de woning van de pedel van de faculteit.

De naam “pedel” wordt in verschillende contexten gebruikt. Oorspronkelijk werden er twee pedellen toegevoegd aan de rector. Zij moesten hem steeds vergezellen op straat en zorgden voor de bekendmaking van de officiële mededelingen.  Na 1440 bezat elke faculteit een pedel. Deze was vooral met administratieve taken belast. In Vlaanderen wordt de naam “pedel” nu toegekend aan de facultaire verantwoordelijken voor de studentenadministraties en worden de “officiële” pedellen die bij feestelijkheden de rector vergezellen uit deze groep gekozen. Nederlandse universiteiten hebben door de band één of twee pedellen. Officieel moeten zij zich bezighouden met alle academische  zittingen. In Nederland is dit vooral een ceremoniële functie geworden.

De oudste bekende statuten bleven bewaard in een document van 1573 maar dateren voor het grootste deel van vóór 1525 toen het pas opgerichte Pauscollege bepalingen eruit zou overnemen. Deze statuten kwamen aanvankelijk pragmatisch en geleidelijk tot stand. Bepalingen werden toegevoegd naargelang bepaalde problemen zich stelden. De statuten kregen in het eerste kwart van de zestiende eeuw hun definitieve vorm. Ze bevatten bepalingen over de volgende aangelegenheden: leiding en materieel beheer, voorwaarde voor opname en verplichtingen van de bursalen, het dagelijkse leven en de duur van de beurs, de visitatie, de kapel en de bibliotheek, en het onderhoud van de statuten. De statuten werden vier maal per jaar voorgelezen waarvan één maal bij de visitatie door de theologische faculteit.

Tussen 1471 en 1530 werden eenenveertig beurzen onder beheer van de theologische faculteit en haar college geplaatst. Van die eenenveertig waren er achtentwintig bestemd voor bursalen in het Heilige-Geestcollege. De dertien anderen waren bestemd voor bursalen buiten het college. Die waren vooral bestemd voor studenten die in een van de vier pedagogieën verbleven. Alle bursalen in het college zelf waren theologiestudenten. De bursalen buiten het college waren vooral artes- en theologiestudenten. De artesstudenten zaten vooral in de pedagogie de Burcht die een bijzondere band had met de theologische faculteit en haar college.

Behalve beurzen werden in het college ook missen gesticht. Dan ging het geld van de stichting naar de bezoldiging van de studenten die de mis celebreerden. Deze missen waren voor de gekozen celebranten een welkome aanvulling op hun beurs. Vanaf 1448 had het college een eigen kapel en tegen het einde van de vijftiende eeuw werd er elke dag minstens één mis opgedragen. Een aantal weldoeners van het Heilige-Geestcollege deed ook schenkingen voor gemeenschappelijke goederen zoals hout en vlees.

De motivatie van de schenkers was meestal vrij duidelijk: zij wouden hun zielenheil bewerken en sociale noden lenigen. Meestal bevoordeligden ze eigen familie of streek. Een groot aantal kwam uit kringen in de buurt van de theologische faculteit: vijf schenkers waren theologieprofessor en drie baccalaurei formati in de theologie. Drie beurzen kwamen er op initiatief van theologieprofessoren en twee stichtingen door verwanten van theologieprofessoren. De andere weldoeners waren vaak geestelijken of alumni die aan het hof resideerden en die de universiteit, en dan in het bijzonder de theologische faculteit, goed gezind waren.

Typisch voor het Heilige-Geestcollege waren de Leuvense burgers onder haar weldoeners. Zij volgden het inspirerend voorbeeld van de stichter van het college, Lodewijk de Ryke. Zo liet Elisabeth Lambrechts, echtgenote van een Leuvens burger een legaat voor de bibliotheek na en Catharina Pynnock, zuster van de gekende meier Lodewijk Pynnock en gehuwd met Libertus van Meldert, liet bij testament hun huis na aan het college. Dat huis lag naast het college en moest de ambtswoning van de president worden.

Het externe beheer van het Heilige-Geestcollege was van bij de stichting in handen van de theologische faculteit. Zij was naar de wil van de stichters eigenaar van de gebouwen en verantwoordelijk voor de betaling van de lasten en het onderhoud. Voor concrete aangelegenheden werd een wisselend aantal afgevaardigden gedelegeeerd. Gedurende de eerste jaren van de zestiende eeuw kwamen dezelfde drie namen in verschillende delegaties voor: Adrianus Florentius (Adriaan Floriszoon), Johannes Moederloos en Nicolaus Hellens. De pastoor van de Sint-Pieterskerk was er bijna altijd bij.

Het financiële beheer was in de eerste jaren in handen van de pedel van de theologische faculteit. Nadien had het college zijn eigen rentmeester die onder controle stond van de faculteit. Hij was verantwoordelijk voor het beheer van de stichtingen en stond in voor de jaarlijkse boekhoudkundige controle.

Het Heilige-Geestcollege was van bij de stichting nauw verbonden aan de theologische faculteit. In feite was het van in de beginne een faculteitsinstelling. Dit verklaart in grote mate het hoge aantal weldoeners die het college verschillende eeuwen zou begunstigen. Dankzij hun onbaatzuchtige schenkingen zou het Heilige-Geestcollege zonder veel schade de nog komende economische crisissen doorkomen.

Stichting van universitaire colleges.

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 1

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

9 november 1425, op die dag werd Leuven een universiteitsstad. Op die dag verleende paus Martinus V de stichtingsbul van de universiteit van Leuven. Volgens een stadslegende zou Brussel de stichting eerder zijn aangeboden maar haar bestuurders zouden geweigerd hebben uit bezorgdheid voor de eerbaarheid van hun maagden. Leuven kreeg de toestemming vier faculteiten op te richten: artes, burgerlijk  en kerkelijk recht en geneeskunde. De stad en de hertog moesten de jurisdictie over de leden van de universiteit overdragen aan de rector, zij moesten ook zorgen voor de nodige lokalen en zij moesten de salarissen van de professoren betalen.

Op 17 maart 1432 gaf paus Eugenius IV  de Leuvense universiteit de toelating een theologische faculteit op te riichten. Zo kreeg Leuven een “Studium Generale”: een volledige universiteit. Vanaf 1435 kreeg de theologische faculteit een ereplaats. Ook nu nog openen de professoren van de faculteit Theologie en Religiewetenschappen de stoet der academici bij officiële plechtigheden.

De universiteit was in eerste instantie een corporatie van personen met bepaalde voorrechten en onder gezag van een eigen overheid.

 In een verslag van de visitatie van de periode 1607-1617 krijgen we een opsomming van wie zich suppoost mocht noemen:

  • alle doctoren en licentiaten van de hogere faculteiten, zijnde geneeskunde, beide rechten (kerkelijk en burgerlijk recht) en theologie,
  • de baccalaurei van deze faculteiten,
  • de magisters van de kunsten die hun studie voortzetten, op voorwaarde dat ze geen handel dreven of geen openbaar ambt bekleedden,
  • alle studenten die waren ingeschreven en werkelijk college liepen,
  • de geïncorporeerde kloosters,
  • de weduwen van doctoren en licentiaten van een hogere faculteit, mits ze in de weduwstaat bleven en geen handel dreven,
  • de beëdigde boekverkopers en boekbinders die door de universiteit aanvaard werden,
  • de pedellen, notarissen en andere ambtenaren van de universiteit,
  • één bode per provincie en één receptor per college,
  • de dienstknechten en dienstmeisjes die bij suppoosten inwoonden.

In grote lijnen bleef deze lijst gelden tot kort voor de opheffing van de universiteit.

In de pauselijke bul werden twee privileges gedefinieerd waarvan de leden van de universiteit konden genieten: juridische immuniteit en algemene vrijdom van belastingen. De suppoosten van de universiteit waren onttrokken van iedere vreemde rechtsmacht, alleen de rector had de bevoegdheid suppoosten te oordelen en te straffen. De werkelijkheid was wel meer genuanceerd dan wat men uit officiële documenten zou kunnen afleiden.

Officieel werd de universiteit geleid door de rector. Deze werd aanvankelijk vier maal per jaar verkozen, vanaf 1445 twee maal per jaar. De rector genoot van eervolle voorrechten die vooral protocollair waren, zijn werkelijke macht lag vooral op het juridische vlak. Niemand kon een suppoost van de universiteit arresteren of bestraffen zonder zijn toestemming. Naast de rector had je een aantal andere functies: de kanselier, de conservatoren van de privileges, de gedelegeerden van de faculteiten, de receptor, de syndicus, de promotor, de secretaris, de pedellen en de boden.

De universiteit was enerzijds een corporatie van personen maar anderzijds ook het overkoepelend orgaan van de faculteiten. Faculteiten waren op zichzelf staande corporaties verbonden aan het studium. Hun belangrijkste opdracht was het organiseren van het onderwijs. Dat onderwijs werd op twee niveaus georganiseerd. Je had een vorm van voorbereidend onderwijs dat gegeven werd aan de Artesfaculteit, en je had de meer gespecialiseerde opleidingen in de hogere faculteiten.

Aanvankelijk werden alle lessen gegeven in de Vicus, de zetel van de faculteit in de Nieuwstraat (de huidige Vander Kelenstraat, museum M) maar in de loop van de vijftiende eeuw werden meer en meer lessen overgeheveld naar de pedagogieën. Dit waren in feite universitaire kostscholen waar de studenten woonden en lessen volgden. De belangrijkste beweegreden voor deze evolutie was waarschijnlijk een streven naar meer tucht en orde onder een groter wordende groep studenten. De artesopleiding duurde vier à vijf jaar en leidde tot het diploma van “licentiaat” of “magister”.

Normaal moest je als student eerst aan de artesfaculteit gestudeerd hebben vooraleer je een studie aan een hogere faculteit kon beginnen. De lessen van de hogere faculteiten werden gegeven in de universiteitshal. In de beginjaren van de universiteit was studeren een dure aangelegenheid. De lange studieduur en de hoge promotiekosten zorgden bij een grote groep studenten voor problemen. Deze problemen waren het meest uitgesproken in de theologische faculteit waar de studieduur ook het langst was: tot twaalf jaar. Het verlenen van een priesterloon, een prebende, was ruim onvoldoende om deze problemen volledig weg te werken.

De belangrijkste uitgaven voor een student in de vijftiende eeuw waren de onkosten voor het levensonderhoud. Daarnaast moest de student ook rekening houden voor het reizen, boeken, kleding, … Het schoolgeld maakte slechts een klein deel van de totale uitgave uit, nog geen vijf percent in het midden van de vijftiende eeuw. Daartegenover stonden wel de extreem hoge promotiekosten. In de theologische faculteit kostte een promotie ongeveer even veel als de kosten van één jaar levensonderhoud.

De universitaire overheid was ook bezorgd om de goede faam van haar leden. Ze wou vooral dat haar studenten zich goed gedroegen, regelmatig studeerden en zuinig leefden. De universiteit zocht tevergeefs naar een goede oplossing voor een complex tuchtprobleem. De geldverspilling kon ze min of meer opvangen door haar jonge studenten onder voogdij te plaatsen en aan de artesfaculteit konden de pedagogieën de tuchtproblemen vrij goed onder controle houden maar voor de rest slaagde de universiteit er niet in dit kwaad uit te bannen.

Op dit vlak kenden privéinitiatieven meer succes. In colleges kregen een aantal minderbegoede studenten kost en inwoon. Het initiatief ging uit van een privépersoon, meestal een professor of een alumnus van de universiteit, die zorgde voor een huis en de nodige financiële middelen voor het onderhoud van de gebouwen en voor de betaling van de beurzen. De leden van een college werden bursalen genoemd naar de beurs die zij wekelijks, maandelijks of halfjaarlijks ontvingen en waarmee ze hun bijdrage in de gemeenschappelijke kosten en hun persoonlijke studiekosten moesten betalen. In tegenstelling tot de pedagogieën werd er in colleges in principe niet lesgegeven. Colleges kunnen gezien worden als universitaire kosthuizen.

Colleges werden vooral gesticht door alumni en professoren van de universiteit die iets wilden verhelpen aan de problemen waarmee ze zelf geconfronteerd waren. Zin wensten oprecht een sociale nood lenigen maar tegelijkertijd wouden ze door aan liefdadigheid te doen hun zielenheil in het hiernamaals verzekeren.

Vaak wouden ze ook familieleden en/of streekgenoten bevoordeligen. Het ging dan meestal om inwoners van de stad of streek waar de schenker vandaan kwam of waar hij beneficies had. Vandaar dat een aantal colleges meerdere namen had: een van de stichter en een (of meerdere) van de stad of streek.

Een college was een gesloten gemeenschap onder leiding van een president. Aanvankelijk was dit een student, later, in de zestiende eeuw werden deze gerekruteerd uit het korps van professoren en doctoren. In feite kunnen we dan pas van een president spreken. Geleidelijk kreeg de preident meer bevoegdheden. Hij moest alleen verantwoording afleggen tegenover de visitatoren. Vooral de pastoor van de Sint-Pieterskerk, die ook professor aan de theologische faculteit was, trad vaak op als visitator. Het beheer van de beurzen was vaak in handen van een familielid van de stichter of van een lokale pastoor, kapittel of schepenbank. De universiteit had hierin meestal weinig of geen inspraak.

Colleges waren vaak autarkische gemeenschappen. Ze bakten zelf brood, hadden een eigen moestuin en soms zelfs een wijngaard.

Een document uit het archief van het Atrechtcollege geeft ons een inkijk in de keuken van een zestiende- of zeventiende-eeuws college.

  • ’s Morgens kregen de jongens soms “Bierenbroot” en soms “zoppe opt vleesch geweyckt,
  • ’s middags kregen ze ”pottagien” soms met warmoes of erwten en soms met een stuk gezouten vlees,
  • daarna hutsepot en kaas.

Ossenvlees was het meest gegeten vlees en bier was de belangrijkste drank. Een collegestudent dronk gemiddeld anderhalve liter (klein) bier per dag.

Hoeveel studenten in Leuvense colleges verbleven is moeilijk in te schatten. In 1526 telde Leuven elf colleges met in totaal een honderdtal beurzen. In 1578 waren er al vierhonderd bursalen voor drieëntwintig beurzen. Meer dan de helft van de beurzen ging naar artesstudenten, ongeveer een vierde naar theologiestudenten en een tiende naar rechtsstudenten. De rest ging naar studenten van verschillende faculteiten. Het Standonckcollege en het Pauscollege waren de grootste en hadden tegen het einde van de zestiende eeuw vijftig of meer studenten. Dat was net vòòr het verval. Tijdens de burgeroorlog kwamen veel colleges leeg te staan en deden sommige dienst als kazerne. In 1598 waren er maar dertien colleges bewoond en was het aantal beurzen gezakt tot een twintigtal.

In 1526 telde Leuven ongeveer tweehonderd collegestudenten of ongeveer twaalf percent van de studentenbevolking. Maar het belang van de colleges is groter dan wat uit deze cijfers zou blijken. Colleges waren trendsetters als het over verstrenging van de tucht gaat en ze speelden een belangrijke rol in de vorming van professoren.

In een volgende aflevering ga ik specifiek in op de situatie van het Heilige-Geestcollege.

Het celestijnenklooster in Heverlee

In juni 1521 werd in Heverlee in de buurt van het kasteel van Croÿ een werf geopend. Vijf jaar later kon in het koor boven het hoofdaltaar het jaartal 1526 geschilderd worden. Op vijf jaar tijd was hier een laatgotische kerk verrezen met de grootte van een stadskerk. Het zou de grafkerk van de familie de Croÿ worden en de celestijnen van het aanliggende klooster zouden zorgen voor de bediening van de kerk en het opdragen van de missen. De kerk werd toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw-Boodschap zoals bij het moederhuis in Parijs.

Met de stichting van een grafkerk en bijhorend klooster plaatste de familie van Croÿ zich volledig in de traditie van hun Bourgondische landsheren. De Bourgondische hertogen hadden hun mausoleum nabij Dijon in de kartuis van Champmol die daarvoor door Filips de Stoute is opgericht.

MINOLTA DIGITAL CAMERA

eigen foto

Onze laatste Bourgondische prinses, Margaretha van Oostenrijk ligt begraven in de kloosterkerk van Brou, nabij Bourg-en-Bresse. Zij had dit klooster met grafkerk laten oprichten naar de wens van haar man, Filibert van Savoye en liet er verscheidene praalgraven voor vervaardigen, onder andere door haar hofbeeldhouwer Conrat Meit.

MINOLTA DIGITAL CAMERA

eigen foto

Willem van Croÿ had zelf de begraafplaats van Lodewijk van Orléans bezocht in het Celestijnenklooster in Parijs.

In september 1525 was de bouw van het convent zo ver gevorderd dat de kloosterlingen er hun intrek konden in nemen. De bouw van het klooster zou nog een tijd aanslepen. De pandgang kreeg een voorlopige houten zoldering en werd waarschijnlijk pas omstreeks 1540 overwelfd.

Rond 1600 trok Karel II van Croÿ zich het lot van de verwaarloosde priorij aan. Hij wordt daarom wel eens de tweede stichter van het convent genoemd.

Karel had grootse plannen. Je kan er nog een idee van krijgen op een vouwblad in het boek van Justus Lipsius, Lovanium, met een panorama van Heverlee. Je ziet er een genivelleerd landschap met kaarsrechte lijnen die loodrecht op elkaar staan in een orthogonaal raster.

Josse_van_der_Baren_-_Heverlea

(c) Wikipedia

De aanpassingen van het landschap heeft Karel voor een stuk kunnen realiseren. Om het terrein rond het kasteel te nivelleren liet hij de valleiwand van de Dijle afgraven. Zo kwam de Sint-Lambertuskerk (nu Sint-Lambertuskapel) op een geïsoleerde hoogte te liggen. Hij liet ook de dreef aanleggen (nu Kardinaal Mercierlaan, het voetbalstadion van OHL is ernaar genoemd) die het kasteel en de stad met elkaar verbinden, veertig voet breed (elf meter) en mille passus of duizend passen lang (één mijl of anderhalve kilometer.)

Sint-Lambertus

Waren enkele van de dromen van Karel en zijn omgeving uitgekomen, de toekomst van het klooster en de kerk zouden er gans anders uitgezien kunnen hebben. Zo droomde Karel van Croÿ van een college voor studenten, verbonden aan het klooster. Dit zou moeten komen hebben in een aanbouw aan de zuidkant met beneden een gehoorzaal en boven een bibliotheek. Het college is er nooit gekomen.

De toekomst van de kerk zou waarschijnlijk rooskleuriger geweest zijn, hadden de inwoners van Heverlee hun zin gekregen toen ze vroegen de Celestijnenkerk te mogen gebruiken als parochiekerk. In 1612 drongen ze hierop aan vanwege de bouwvallige situatie van de Sint-Lambertuskerk, “die welcke daegelijcx ruijneuse en caducq is wordende door het wegh bringhen van de omliggende berghen.” De kloosterkerk had alleen een toren moeten krijgen, met twee klokken en twee schellen. Karel was het plan niet ongenegen maar de verhuizing is nooit doorgegaan.

Aan het klooster werden herstellingswerken uitgevoerd: metselwerk, bepleistering van de binnenmuren en vernieuwing van het schrijnwerk buiten.

Voor de binneninrichting plande Karel ook een grondige vernieuwing. Van plint tot plafond moest er een volledig nieuwe verflaag komen, ontworpen volgens een vast schema: compartimenten in zwart en wit voor de zoldering, imitaties van diverse steensoorten voor de plinten en door zuilen van elkaar gescheiden medaillons op de wanden. De taferelen uit heiligenlevens en Bijbelverhalen zouden herhaald worden in de glasramen. De thematiek zou aangepast worden aan de functie van het vertrek. Het gastenverblijf had bij voorbeeld taferelen moeten krijgen uit de verhalen van Lazarus en van de Verloren Zoon. In de refter zou het leven van de Heilige Celestinus verbeeld worden.

Deze en andere plannen nam Karel van Croÿ mee in zijn graf. In 1612 stierf hij kinderloos. In zijn testament gaf hij de opdracht de Sint-Annakapel in de celestijnenkerk te versieren met de wapenschilden van alle heerlijkheden die in het bezit waren van de familie.

In zijn tombe was er al een plaats voorzien voor zijn jonge weduwe. Dorothea zou Karel met een halve eeuw overleven. Bovendien wou zij begraven worden op de plaats waar de priester de introïtus leest. Zij overleed in 1662 en reserveerde in haar testament een fatsoenlijk bedrag voor de stichting van een klooster voor vrouwelijke celestijnen in Nancy. In Heverlee liet ze naast geld voor missen en een grafplaat en naast giften voor de prior en enkele monniken een kleed na van rood fluweel doorregen met cantilledraad bezaaid met lovertjes voor een ornament en een ledikant met passement van gouddraad en een hemel als baldakijn, voor het Heilig Sacrament.

Het overlijden van Dorothea betekende ook het einde van het geslacht van Croÿ-Aarschot. Anna van Croÿ, zus van Karel en gehuwd met prins-graaf Karel van Arenberg, riep zichzelf uit tot hertogin van Aarschot.

Ook in de Celestijnenpriorij werd het geslacht de Croÿ afgelost door de Arenbergs maar dit veranderde weinig aan de situatie. Het bleef klachten regenen naar aanleiding van visitaties en de schadestaten en vertoogschriften bleven zich opstapelen in de archieven.

Prins-graaf Filips van Arenberg, die in 1644 tot hertog werd verheven, zou nog een barok epitaaf in de Celestijnenkerk krijgen maar de meeste Arenbergs zouden begraven worden in de crypte van het kapucijnenklooster in Edingen, dat in 1615 werd gesticht door Karel van Arenberg.

edingen_ferraris

(c) Wikipedia

De Arenbergs verkiezen de kapucijnen boven de celestijnen maar de Celestina bleef ook voor de Arenbergs haar functie van memoriaal behouden.

Het testament van Willem van Croÿ

In oktober 1520 verliet Willem van Croÿ zijn kasteel in Heverlee. Niemand kon toen vermoeden dat het zijn laatste reis zou worden ook al had hij op 7 oktober zijn testament gemaakt. Daarin had hij zijn neef Filips universeel erfgenaam gemaakt en zijn vrouw Maria van Hamal levenslang vruchtgebruik op de erfgoederen gegeven.

Op 22 oktober woonde hij in Aken de kroningsplechtigheid van Keizer Karel bij waarna hij naar Worms vertrok om er de Rijksdag bij te wonen. Hij kwam er aan op onnozelekinderendag (28 december). De Rijksdag begon op 21 januari.

edict van Worms

(c) Wikipedia

Dit zou de belangrijkste Rijksdag in de geschiedenis worden. De gevolgen van het edict van Worms zijn nog steeds duidelijk zichtbaar in het huidige Europa. Toen werd Europa verdeeld in een protestants noorden en een katholiek zuiden.

In 1517 maakte Maarten Luther zijn Vijfennegentig Stellingen bekend. Hij voegde ze bij een brief aan aartsbisschop Albrecht van Mainz. Deze stellingen waren bedoeld als inleiding voor een theologisch debat. De stellingen, origineel geschreven in het Latijn zouden zeer snel vertaald en verspreid worden. In 1519 werden de stellingen de eerste maal veroordeeld door de theologische faculteiten van de universiteiten van Keulen en Leuven. Paus Leo X liet de stellingen onderzoeken door commissies. In 1520 vaardigde paus Leo X de bul “Exsurge domine” uit waarin Luther bedreigd werd met excommunicatie wanneer hij zijn stellingen niet terugnam. Wanneer Luther de ban verbrandde, volgde de excommunicatie, officieel gedecreteerd in de bul “Decet Romanum Pontificum” uitgevaardigd op 3 januari 1521. In april 1521 weigerde Luther nogmaals zijn stellingen terug te nemen en werd hij in het edict van Worms in de rijksban gedaan. Luther werd vogelvrij verklaard en de verbranding van zijn geschriften werd geboden.

exsurge domine

De dag nadat Luther in de ban was gedaan besloot keizer Karel een coalitie aan te gaan met paus Leo X tegen Frans I, koning van Frankrijk. Daarmee was de rol van Willem van Croÿ als adviseur van de keizer uitgespeeld.

Ook op familiaal vlak kreeg Willem van Croÿ klappen. Op 6 januari 1621 overleed zijn neef  en naamgenoot, de kardinaal van Toledo op drieëntwintigjarige leeftijd. Hij maakte in Worms deel uit van het keizerlijke gevolg. Na een dienst vol pracht en praal werd de kardinaal naar Aarschot overgebracht.

In mei 1521 werd Willem van Croÿ zelf ziek. Door koortsen bevangen werd hij naar de bisschoppelijke residentie in Worms overgebracht. Op 24 mei werd hij door de doctors opgegeven en in de nacht van 27 op 28 mei 1521 overleed hij. De rouwdienst in Worms werd bijgewoond door het keizerlijke hof au grand complet, keizer Karel inbegrepen. De eigenlijke teraardebestelling volgde veertien dagen later in Aarschot. Willem van Croÿ werd voorlopig begraven in het koor van de Onze-Lievevrouwekerk van Aarschot. Ook deze uitvaartdienst werd bijgewoond door de keizer die de overledene uitzonderlijk eerde.

Het uitzonderlijk eerbewijs van keizer Karel bij de uitvaart van Willem van Croÿ had misschien ook te maken met de geheime schenking van vijfhonderdduizend dukaten die Willem de keizer naliet. Verder liet Willem van Croÿ tienduizend dukaten na te verdelen onder het huispersoneel en tienduizend pond van veertig Vlaamse Groten “pour marier povres filles ou les mettre en cloistre”. Om zijn zielenrust te verzekeren moesten er binnen het jaar tienduizend missen gelezen worden. De belangrijkste stichting in het testament was wel de grafkerk met bijhorend convent. Daarin wou hij na de voltooiing bijgezet worden in een “Sépulture honorable”

De laatste wilsbeschikking werd opgetekend in Worms op 21 mei 1521. De eerste secretaris van de keizer, Johannes Hannart, deed dienst als notaris. Het testament dat eerder in Heverlee was opgemaakt bleef geheel van kracht, een groot deel van de laatste versie was gewijd aan de stichting, de bouw en de financiering van het convent, een priorij voor vierentwintig religieuzen van de celestijnenorde. Het klooster moest plaats bieden aan twaalf priesters, zes lekenbroeders en zes leken. Deze laatsten moesten gekozen worden uit de bejaarde onderdanen van het huis van Aarschot. De priesters moesten instaan voor de bediening van de kerk met het praalgraf van de schenker.

De stichting werd in 1522 officieel goedgekeurd door de keizer en de paus. Keizer Karel gaf zijn goedkeuring als hertog van Brabant en ook de paus was een goede bekende want ondertussen was Adriaan van Utrecht paus Adrianus VI geworden.

De financiering zou gebeuren via een jaarrente van 1200 gouden schilden (écu’s) of 1440 gulden afkomstig uit aan te kopen gronden of erfrechten. Dit geldt mocht net zo min als andere verworven goed afkomstig zijn uit het markgraafschap Aarschot.

De uitvoering van het testament werd toevertrouwd aan de weduwe, Maria van Hamal. Die heeft zich kordaat en met grote stiptheid van haar opdracht gekweten. Zij verwierf de nodige fondsen door de aankoop van gronden in de heerlijkheid Beveren in het Graafschap Vlaanderen. Toen het Waasland in 1530 en 1532 geteisterd werd door zware overstromingen, was Hamal verplicht vijfhonderd gulden extra jaarrente te zoeken. Die haalde zij uit ommeland van Diest en Zichem. Er was ook een jaarrente voorzien van tweehonderd rijksgulden voor de armen van de Heerlijkheid Heverlee. De celestijnen moesten deze zes maal per jaar voedselhulp of aalmoezen verstrekken. Tien jaar later was de markgravin bereid acht extra kloosterlingen te bekostigen. Daarvoor voorzag ze een rente van zesduizend dukaten.

glasraam-koppel

Victoria ans Albert museum. London

Maria van Hamal was ook buiten deze testamentaire opdracht gul: in Leuven stichtte ze nog een klooster voor annunciaten en in het Groot Begijnhof een convent voor dertien arme begijnen, nu gekend als het Huis van Chièvres en bekostigde ze een cel in de Kartuis.

Huis_van_chievres

De werkzaamheden aan de kerk en het klooster startten in juni 1521 en in september 1526 was de kerk voltooid. Aan het klooster zou nog een tijd worden voortgewerkt.

Gemma Frisius

Vijfhonderd jaar geleden, tijdens de eerste helft van de zestiende eeuw, kende Leuven een bloeiperiode. De opkomst van nieuwe nijverheden zoals de linnenweverij, de tapijtweverij, de bont- en vederbewerking en de leerlooierij, compenseerde de verschrompelende lakenindustrie. Leuven kreeg een vernieuwd centrum met een nieuw stadhuis en een nieuwe Sint-Pieterskerk die het vernieuwde zelfvertrouwen van de stad moesten symboliseren. Op beide werven volgden de drie zelfde bouwmeesters elkaar op: Sulpicius van Vorst, Jan Keldermans en Matthijs de Layens. De kers op de taart, een complex met drie torens waarvan de hoogste 170 meter hoog zou worden,  is er nooit gekomen. In de Sint-Pieterskerk staat een stenen maquette die je een indruk geeft van de grootse plannen.

(c) Wikipedia

(c) Wikipedia

Vooral de nog jonge stichting van de universiteit stimuleerde de lokale economie en het verbruik. Her en der doken er in het stadscentrum universitaire gebouwen op. In 1480 telde Leuven acht universitaire gebouwen, in 1578 achttien en in 1631 zesendertig. De meeste waren colleges bedoeld voor de huisvesting van behoeftige studenten.

In de periode van 1528 tot 1569 werden 25498 studenten ingeschreven, gemiddeld 622 per jaar, met pieken boven de achthonderd per jaar. In 1568, een woelige periode, was het aantal inschrijvingen terug gezakt tot 408.

In 1526 kwamen ongeveer achttienhonderd studenten uit (het huidige) Nederland, waarvan 267 uit Friesland. 2157 studenten kwamen van buiten de Nederlanden: uit Duitsland (914), Engeland (305), Frankrijk (150), Spanje (136), Italië (74), Schotland (71), Portugal (44), Ierland (38), Denemarken (25), Polen, Noorwegen, het Balticum, Zweden, Joegoslavië en Hongarije.

Eén van de 267 Friesen was Jemme Reinierszoon, bij zijn inschrijving gelatiniseerd als Gemma Reyneri. Latere auteurs hebben abusievelijk Reinier beschouwd als Gemma’s voornaam. Hij betitelde zichzelf van bij zijn eerste publicaties als Gemma Phrysius, verwijzend naar zijn geboortestreek. Dit was tegelijk ook een knipoog naar het antieke Phrygië (Klein-Azië, Turkije).

Jemme werd in december 1508 in Dokkum geboren in een arm gezin. Hij verloor op zeer jonge leeftijd zijn beide ouders en werd opgevoed door een stiefmoeder. Hij was kreupel van bij de geboorte maar hij zou op zesjarige leeftijd – “miraculeus” – genezen. Hij zou zijn hele leven een zwakke gezondheid en een kleine gestalte behouden. Hij kreeg zijn eerste scholing aan de Latijnse school in Groningen waar hij opgevoed werd door de Broeders van het Gemene Leven.

In het najaar van 1525 wordt hij naar Leuven gestuurd waar hij zich liet inschrijven als Artesstudent in de Pedagogie de Lelie. Aangezien zijn stiefmoeder niet de nodige midddelen had om zijn studies te bekostigen, werd hij aanvaard als “arme student”.

“Logica” van Henricus J. Van Cantelbeke, 1669

De pedagogie “de Lelie” was aan de Leuvense universiteit de eerste plaats waar het humanisme voet aan de grond kreeg. Jan de Spouter (Despauterius) stelde er zijn Latijnse grammatica samen, die de volgende eeuwen een klassieker zou blijven. Erasmus had er tot in 1521 gewoond.

In de Lelie kreeg hij waarschijnlijk wiskunde van Johannes Driesdo, professor theologie die ook aan de Artesfaculteit gedoceerd had. Gemma Frisius volgde ook lessen aan het Collegium Trilingue: Latijn en Grieks, en misschien ook Hebreeuws.

Dit Drietalencollege werd door kanunnik Hieronymus Busleyden (circa 1470-1517) bij testament gesticht in 1517 op initiatief van zijn Desiderius Erasmus (1467-1536). Na de dood van Busleyden zou Erasmus de drijvende kracht achter de realisatie en organisatie van het college worden. Het opzet was de stichting van een humanistische school die zich zou toeleggen op de studie van de drie klassieke talen van de Bijbel: Latijn, Grieks en Hebreeuws. Het drietalencollege zou niet alleen belangrijk worden voor de studie van de oude talen, ook in andere domeinen van de wetenschap werden grote geleerden aan dit college gevormd: de schrijver van de eerste woordenboek Kilianus, de oriënalist Andreas Masius, rechtsgeleerden Gabriel Mudaeus en Viglius van Aytta, de arts en anatoom Andreas Vesalius, plantkundigen Rembert Dodoens en Carolus Clusius, Aardrijkskundigen Gemma Frisius en Gerard Mercator, …

uit: History of the foundation and the rise of the Collegium Trilingue Lovaniense 1517-1550; H. de Vocht, Pub.univ.de Louvain, 1951-55

uit: History of the foundation and the rise of the Collegium Trilingue Lovaniense 1517-1550; H. de Vocht, Pub.univ.de Louvain, 1951-55

Gemma Frisius promoveerde in 1528 tot Magister Artium. Waarschijnlijk heeft de regent van de pedagogie Jan Heems, hoogleraar geneeskunde, de studiekeuze van Gemma Frisius bepaald. In 1536 werd hij Licentiaat in de Geneeskunde en in 1542 Doctor in de Geneeskunde.

In 1534 trouwde Gemma Frisius met Barbara, buitenechtelijke dochter van een geestelijke. Wanneer op 2 augustus 1542 Leuven belegerd werd door het Gelderse leger, stonden Gemma Frisius en zijn grote vriend Jeremias Triverius samen met burgers studenten en andere collega’s gewapenderhand paraat om de aanval af te slaan. Gemma en Thriverius waren in Leuven gekend als “par impar”, het ongelijke paar: de grote struise Triverius naast de kleine tengere Gemma. Hij was ook goed bevriend met Andreas Vesalius die in zijn Fabrica vertelt hoe Gemma hem hielp om een skelet van de galg te halen.

Gemma Frisius sterft op 46-jarige leeftijd aan nierstenen. Hij kreeg een graf in de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Predikheren in Leuven.

In de vijftiende eeuw werd het wiskundeonderwijs aan de universiteit vooral aan de Artesfaculteit georganiseerd. In amper vier maanden werden de studenten ingeleid in aritmetica, geometrie, harmonieleer en astronomie. Studenten die meer wilden, konden terecht aan de medische faculteit waar enkele professoren ook uitgebreidere cursussen astronomie doceerden of men kon zijn wiskundekennis bijspijkeren door privélessen te volgen bij studenten die zo een centje konden bijverdienen. Ook Gemma Frisius gaf privélessen in wiskunde en sterrenkunde. Vooral studenten geneeskunde waren geïnteresseerd. Middeleeuwse artsen bestudeerden de stand van de belangrijkste hemellichamen om het meest geschikte tijdstip voor een aderlating of een andere zware medische ingreep te bepalen. Men was ervan overtuigd dat het samen voorkomen van belangrijke hemellichamen een positieve of een negatieve invloed op het lichaam had.

Flandrica.be

Flandrica.be

De eerste gekende activiteit van Gemma Frisius op het vlak van de wiskunde en de astronomie is de publicatie van een licht gewijzigde uitgave van de Cosmographia van de Beierse aardrijkskundige Petrus Apianus (1529). Vier jaar later was er een heruitgave dat aangevuld werd met een klein werkje met als titel “Libellus de locorum describendorum ratione”. Hierin legt Gemma Frisius de techniek van de driehoeksmeting uit. Deze methode is gebaseerd op de eigenschap van de driehoek dat haar vorm kan vastgesteld worden zonder dat alle kenmerken gekend zijn. Een driehoek heeft drie zijden en drie hoeken, dus zes kenmerken. Drie van de zes volstaan om de vorm volledig te bepalen.

(c) Wikipedia

(c) Wikipedia

In 1537 verschijnt een Nederlandse versie van dit werkje met als aanhef: “Een boecxken seer nut ende Profijtelijck allen Geographiens, leerende hoemen eenighe plaetsen beschrijven ende het verschil oft distantie des selver meten sal, welck te voren noyt ghesien en is gheweest, ghemaeckt by Gemmam Frisium Mathématicien ende Licentiaet inder Medecijnen.” Gemma Frisius heeft deze methode voor het eerst beschreven maar ze werd enkele jaren voordien al toegepast door de cartograaf Jacob van Deventer.

Het enige zuiver wiskundige werk van Gemma Frisius is zijn Arithmeticae Practicae methodus, in 1540 gedrukt in Antwerpen. Dit boek werd een internationaal succes. Er zijn meer dan zeventig uitgaven bekend en het werd vertaald in het Frans en in het Italiaans.

De meest gekende leerling van Gemma’s privélessen was waarschijnlijk Gerard Mercator. Deze schreef in een brief aan een Zwitserse correspondent dat hij weinig profijt haalde uit de lessen over de planeten omdat hij niets kende van de geometrie. Gemma Frisius raadde hem aan de hand van Elementale geometricum van Johannes Vögelin de belangrijkste stellingen uit de Elementen van Euclides te bestuderen. Wat hij niet verstond, liet hij uitleggen door Gemma Frisius.

(c) Wikipedia

(c) Wikipedia

Ook vanuit de humanistische kringen rond Erasmus en het Drietalencollege groeide de belangstelling voor de klassieke wiskunde. Aanvankelijk waren de humanisten vooral geïnteresseerd in de klassieke literatuur maar geleidelijk kregen ze ook aandacht voor andere wetenschappelijke domeinen zoals de wiskunde en de kosmografie. Euclides, Archimedes, Apollonius, Nicomachus, Ptolemaeus en Proclus waren de belangrijkste Griekse voorbeelden, Boethius, Vitelo en Jordanus Nemorarius de Romeinse.

Wanneer Gemma Frisius in 1558 stierf, was de belangstelling voor de wiskunde aan de Leuvense universiteit al terug aan het zakken. Het onderwijs in de pedagogieën was nog afgezwakt. In 1568 werd alleen in het Varken nog meetkunde gegeven. Tegen de zin van de universiteit en de Artesfaculteit in richtte de stadsmagistraat een publieke cursus mathematica in. Van 1565 tot 1569 werden de lessen gegeven door Johannes Stadius, in 1569 werd Petrus Beausard als eerste koninklijke professor in de wiskunde benoemd. Naar het einde van de zestiende eeuw waren de stad en de universiteit ten gevolge van pest en oorlog in een benarde toestand terechtgekomen. De universiteit kwam ongeveer tot stilstand en veel studenten en professoren zochten elders een veiligere werkplek.

De volledige titel van Gemma Frisius’ Libellus luidt “Libellus de locorum describendorum ratione, & de eorum distantijs inueniendis, nunquam ante hac visus” (Boekje over een manier om plaatsen te beschrijven en hun afstanden te bepalen die nog nooit eerder gezien is). Hij heeft de methode van de driehoeksmeting voor het eerst beschreven maar ze werd enkele jaren eerder al toegepast door Jacob van Deventer, geneesheer, aardrijkskundige, meetkundige en cartograaf, die op vraag van de Spaanse vorsten een aantal strategische plannen tekende van steden in de zuidelijke provincies van de Spaanse Nederlanden. Hij gebruikte hiervoor al de methode van de driehoeksmeting en het is mogelijk dat hij Gemma Frisius het gebruik ervan in de landmeting aangeleerd heeft.

Gemma Frisius speelde ook een belangrijke rol in de geschiedenis van de cartografie als leermeester van Gerard Mercator, de belangrijkste cartograaf sinds Ptolemaeus. Dankzij Gemma werkte Mercator mee aan de productie van een aantal wetenschappelijke instrumenten. In 1569 introduceerde Mercator een concept dat zijn naam vereeuwigd heeft in de wetenschapsgeschiedenis: de mercatorprojectie. Hij slaagde erin een betrouwbare methode te ontwikkelen waarmee zeelui de havens konden vinden zonder ingewikkelde berekeningen te moeten uitvoeren.

Op deze kaarten heeft de aarde de vorm van een ontrolde cilinder en zijn de lengte- en breedtelijnen loodrecht op elkaar staande rechten. Het resultaat is een wereldkaart waarbij de poolgebieden overdreven breed worden voorgesteld. Terwijl architecten en landmeters afstandsgetrouwe kaarten – afstanden op de kaart zijn altijd evenredig met de werkelijke afstand – verkiezen, verkiezen zeevaarders de kaart met de mercatorprojectie omdat op deze kaarten een rechte koers ook als een rechte lijn wordt voorgesteld. Gemma Frisius maakt duidelijk dat geen enkele projectie op een plat vlak alle eigenschappen van een bol kan bewaren:

Ik wil enkel maar hierop wijzen: alles wat we hier hebben gezegd over de beschrijving op een vlakke kaart zal onvolmaakt zijn indien men het in detail zou onderzoeken. Nooit zal men op een plat vlak de beschrijving van een regio kunnen weergeven die alle karakteristieken behoud (hoeken, afstanden, oppervlakte…), zelfs niet wanneer Ptolemaeus in persoon zou terugkeren… Er bestaat immers geen enkele overeenkomst tussen een bol en een plat vlak, net zoals er geen bestaat tussen het volmaakte en het onvolmaakte, of tussen het eindige en het oneindige.” (nawoord bij Libellus, 1540).

In 1543 verscheen “De Revolutionibus Orbis Coelestium libri sex”, het werk dat de naam van Copernicus zou vereeuwigen. Voordien, mogelijks in de jaren 1511-1513, had Copernicus een eerste versie van zijn heliocentrisch systeem voorgesteld in een zesbladig handschrift, de “commentariolus”, dat bestemd was voor een kleine groep specialisten.

http://digital.lib.lehigh.edu/

Gemma Frisius kwam in contact met het werk van Copernicus via zijn vriendschap met Johannes  Dantiscus, ambassadeur van de Poolse koning aan het hof van Karel V vooraleer hij bisschop werd. Eén bron, een biografie van Karel V maakt melding van een contact van Copernicus, Apianus, Scala, Cardanus en Gemma Frisius tijdens een debat over een komeet in 1533. Gemma Frisius kende de theorieën van Copernicus al in de jaren 1530, getuige een brief aan Dantiscus in 1541: “…lang geleden heb je in mijn aanwezigheid van deze beroemde auteur gewag  gemaakt toen we de bewegingen van de aarde en de hemel met elkaar bespraken.” Ook al heeft Gemma Frisius bewondering voor het werk van Copernicus, probeert hij trouw te blijven aan het standpunt dat de Leuvense universiteit tegenover het heliocentrisme ging aannemen. In een lofrede op Copernicus schrijft Gemma Frisius:

En thans praat ik niet over de aard van de hypothesen waarvan deze auteur in zijn bewijsvoering gebruikmaakt, noch over hun waarachtigheid. Het kan me namelijk maar weinig schelen of hij nu zegt dat de aarde beweegt of stilstaat, zolang de bewegingen van de sterren en de tijdsintervallen voor ons nauwkeurig bepaald en tot de meest exacte berekeningen teruggebracht zijn.”

In 1570 schrijft de Spaanse theoloog  Benito Arras:

“…een van de plaatsen waar men zich ten tijde van de Keizer, vader van onze Katholieke Koning, met wiskunde bezighield, was Leuven. Hij plaatste er twee belangrijke personen: de een was “Gemma Phrigio”, door hem [Karel V] gevormd, zeer wel onderricht in de theorie van deze discipline, en de ander “Gerardo Mercator”, zeer bekwaam in het maken van instrumenten. Hij [Karel V] had veel respect voor Gemma en onderhield zich op vriendelijke toon met hem. Gemma, wiens zoon nu ook actief is op deze universiteit, schreef veel en zeer goed voor deze faculteit. De zoon is zeker niet minder onderricht dan zijn vader, wat blijkt uit zijn werken, zijn autoriteit en faam, hij heeft ook zaken van zijn vader uitgegeven. Daar leeft ook een neef van diezelfde Gemma, wiens naam “Gualtero Arsenio” is, en hij maakt de meest nauwkeurige instrumenten voor de astrologie. Het zijn de meest verfijnde instrumenten die ik ooit zag, ik denk niet dat iemand in Europa betere maakt…”

Gemma Frisius was toen al vijftien jaar overleden en Gerard Mercator verbleef al bijna twintig jaar in Duisburg. Walter Arsenius stond toen op het hoogtepunt van zijn carrière als instrumentenmaker. Maar de fundamenten van dit succes werden gelegd door Gemma Frisius, Gerard Mercator en de instrumentenmaker Gaspar van der Heyden.

Het oudste bekende instrument uit deze omgeving is een wereldglobe gemaakt door Gaspar van der Heyden in 1527, één jaar na zijn promotie tot doctor in de theologie. Hij vervaardigde minstens vier globes tussen 1527 en 1537, in samenwerking met de Mechelse geograaf Franciscus Monachus en Gerard Mercator. In 1903 werd een globe gevonden met in de cartouche het opschrift: “Gemma Frisius, arts en wiskundige, beschreef [dit werk] uit verschillende geografische waarnemingen en gaf het deze vorm; Gerard Mercator uit Rupelmonde heeft het gegraveerd met Gaspar van der Heyden…” In 1537 maakten ze de bijhorende hemelglobe met als opschrift: “Faciebant Gemma Frisius medicus ac mathematicus, Gaspar a Myrica et Gerardus Mercator Rupelmundanus anno a partu virg 1537” (Gemma Frisius, Gaspar van der Heyden en Gerard Mercator uit Rupelmonde maakten [deze] in het jaar 1537 na de maagdelijke geboorte.) Dit is het laatste instrument waarop de drie namen samen voorkomen. In 1536 krijgen Gemma Frisius en Gaspar van der Heyden een keizerlijk privilege voor vier jaar op de productie van dergelijke globes.

Imago Mundi, 9(1952)

Imago Mundi, 9(1952)

Nadien ging Mercator zelfstandig instrumenten bouwen. Als partner van Gemma Frisius werd hij vervangen door Walter Arsenius. Zijn oudste gekende instrument is een astrolabium met opschrift: “Authore Gem[m]a Friſio et exaratu a Gualtero Arſenio Louanij 1554”.

(c) dbnl

(c) dbnl

De achterzijde van dit astrolabium is gegraveerd met de universele stereografische projectie. Deze projectie was in de elfde eeuw in Toledo uitgevonden door Ibn-az-Zarqellu en werd door Gemma Frisius terug opgenomen en beschreven in “De Astrolabo Catholico liber”, postuum uitgegeven door zijn zoon Cornelius Gemma.

(c) KU Leuven

(c) KU Leuven

Gemma Frisius schreef nog twee andere traktaten over de bouw en het gebruik van astronomische instrumenten: in 1534 over de astronomische ring: “Usus annuli astronomici”,

(c) KU Leuven

(c) KU Leuven

en in 1545 over de astronomische meetstok, ook jacobsstaf genoemd: “de radio astronomico et geometrico liber”.

(c) KU Leuven

(c) KU Leuven

Na het overlijden van Gemma Frisius ging Walter Arsenius door met de productie van instrumenten en noemde zichzelf “nepos Gemmae Frisii”. Het verwantschap tussen beiden is nog niet duidelijk. Waarschijnlijk had Walter Arsenius vooral commerciële redenen om de naam van Gemma Frisius te blijven gebruiken. Ook de idee een kompas aan het astrolabium toe te voegen zodat het ook horizontaal kon gebruikt worden, nam Arsenius van Gemma Frisius over.

Toen Gemma Frisius in 1555 overleed, werd zijn werk in verschillende domeinen door vrienden en leerlingen verdergezet. Zijn naam als instrumentenmaker werd verder gebruikt door zijn “neef” Walter Arsenius. Als professor in de wiskunde werd hij opgevolgd door zijn leerling Johannes Stadius, als cartograaf werd hij overklast door een andere leerling Gerard Mercator en als arts en astroloog werden zijn ideeën verder ontwikkeld door zijn leerlingen Rembert Dodoens, die wij beter kennen als plantkundige, door zijn zoon en leerling Cornelius Gemma. Het is typerend dat deze laatste een beeld gekregen heeft in het stadhuis en zijn vader die ongetwijfeld een grotere wetenschappelijke verdienste had, niet.

Literatuur

  • Vereycken Karel. Van kosmograaf tot kosmonaut. Gerard Mercator en Gemma Frisius. http://www.agora-erasmus.be/nl/Van-kosmograaf-tot-kosmonaut-Gerard-Mercator-en-Gemma-Frisius_08561 [geraadpleegd: 5 november 2015]
  • Vanpaemel Geert. Meten en weten: Gemma Frisius: 1508-2008. http://bib.kuleuven.be/apps/ub/expo/
  • Halleux Robert, Opsomer Carmélia, Vandersmissen Jan. Geschiedenis van de wetenschappen in België van de Oudheid tot 1815 (1998). http://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=hall014gesc01
  • Wikipedia, de vrije encyclopedie. https://nl.wikipedia.org/
  • O’Connor J J, Robertson E F. Regnier Gemma Frisius. 1508-1555. http://www-gap.dcs.st-and.ac.uk/~history/Mathematicians/Gemma_Frisius.html
  • Van Paemel Geert, Padmos Tineke. Wereldwijs. Wetenschappers rond Keizer Karel. Leuven: Davidsfonds, 2000
  • Torfs J A. Geschiedenis van Leuven van den vroegsten tijd tot op heden. Leuven: drukkerij Emiel Charpentier, 1899
  • Nelissen Marc. De stichtingsbul van de Leuvense universiteit. 1425-1914. Leuven: Universitaire Pers, 2000
  • Vanpaemel Geert e.a. Ex cathedra. Leuvense collegedictaten van de 16de tot de 18de Leuven: Universitaire Pers, 2012
  • Lamberts Emiel, Roegiers Jan. De universiteit te Leuven: 1425-1985. Leuven: Universitaire Pers, 1986
  • Van Ermen Eduard. Van Petermannen en Koeienschieters: kroniek van Leuven. Leuven: P, 1997
  • Haardt Robert. The globe of Gemma Frisius. Imago Mundi, vol. 9 (1952) p. 109-110
  • Pouls H C. De driehoeksmeting of triangulatie. Caert-Thresoor, vol.8 (1989) 3, p. 61-71

Heverlee en het geslacht de Croÿ. Deel 2

Karel III van Croÿ (1560-1612)

Karel III van Croÿ studeerde aan het Drietalencollege. In 1577 trad hij in dienst bij de landvoogd don Juan van Oostenrijk. Na diens aanval op Namen ontvluchtte hij het geweld in de Nederlanden.

In 1580 trouwde hij met Maria van Brimeu, overtuigde calviniste. In 1582 legde hij openbaar de geloofsbelijdenis van de hervormde godsdienst af. Hij werd stadhouder van Vlaanderen in opdracht van de Staten van Vlaanderen. Wanneer in 1584 de verzoening met Filips II ondertekend werd, nam Karel ontslag als stadhouder. Hij trad in 1584 opnieuw toe tot de katholieke kerk en liet zich scheiden van zijn calvinistische vrouw. Hij werd militair commandant in dienst van de Spaanse koning en nam deel aan de belegeringen van Grave, van Venlo en Neuss. Hij belegerde en veroverde Bonn en nam deel aan de veldtocht tegen Frankrijk. In 1592 werd hij als beloning benoemd tot Grande van Spanje van de eerste klasse en stadhouder van Henegouwen en Valencienne. In 1595 nam hij een tweede maal deel aan een veldtocht tegen Frankrijk.

Na de dood van zijn vader in 1595 kwam hij in het bezit van een uitgebreid domein waarvan het beheer hem nog weinig gelegenheid liet tot militaire actie.

In 1597 benoemde aartshertog Albrecht van Oostenrijk hem tot stadhouder van Artesië. In 1598 onderhandelde hij mee de Vrede van Vervins tussen Spanje en Frankrijk. Bij die gelegenheid verhief de Franse koning de heerlijkheid Croÿ in Picardië tot hertogdom. In 1599 werd hij ridder in de Orde van het Gulden Vlies.

Karel spendeerde een groot deel van zijn fortuin aan het aankopen van kunstwerken en boeken die hij bewaarde in zijn kasteel in Beaumont. Voor het beheer van zijn domein werkte hij een reglementering uit geïnspireerd op Nederlandse voorbeelden.

Hij gaf aan de schilder Adrien de Montigny de opdracht al zijn bezittingen en alle provincies waar hij een hoge functie vervulde, in kaart te brengen. Dit werden de beroemde Albums de Croÿ, tweeduizend vijfhonderd miniaturen gebundeld in ruim twintig folianten, een uitzonderlijk tijdsdocument met uniek beeldmateriaal.

album croy

Als boekenliefhebber had Karel van Croÿ ook goede contacten met de geleerde wereld. Zijn goede relatie met een van de geleerdste mannen van zijn tijd, Justus Lipsius, was als het ware voorbestemd. Deze twee hadden meer gemeen dan de liefde voor de literatuur. Beiden zijn ook afgedwaalde schapen die teruggekeerd zijn naar de katholieke schaapstal en naast hun liefde voor boeken deelden ze ook een liefde voor bloemen en tuinen.

Justus Lipsius droeg zijn beroemd tractaat “De bibliothecis syntagma”, een opstel over antieke bibliotheken, op aan de hertog. Karel van Croÿ had in zijn kasteel van Beaumont een bibliotheek met zo’n drieduizend manuscripten, veruit de grootste privébibliotheek in haar tijd. Justus Lipsius hoopte dat Karel zijn bibliotheek zou overgebracht hebben naar Heverlee waar ze de basis zou kunnen vormen van een nog op te richten Leuvense universiteitsbibliotheek. Als Milaan haar Ambrosiana kreeg en Oxford haar Bodleian, waarom zou Leuven dan geen Celestina kunnen gekregen hebben. Deze bibliotheek kon een plaats krijgen in het kasteel of in het Celestijnenklooster, in ieder geval in de buurt van het college waar zowel Lipsius als Karel van droomden.

Justus Lipsius droeg ook zijn laatste werk, “Lovanium: sive opidi et academiae eius descriptio libri tres” (Leuven: beschrijving van de stad en haar universiteit, in drie boeken) aan “Illmo et Excelmo principe Carolo, duci Croyo et Arschotano, S.R.I. Principe, Equiti aurei velleris.” (Aan de doorluchtige en uitmuntende Prins Karel, hertog van Croÿ en Aarschot, Prins van het Heilig Roomse Rijk, Ridder van het Gulden Vlies. In dit boek wandelt Lipsius met vier leerlingen, onder wie de broer van Rubens, en zijn twee honden, Mops en Mopsulus, van de Kesselse bergen tot in Heverlee. Op de bijgevoegde ets met een geïdealiseerd panorama van Heverlee staat het kasteel centraal geflankeerd door links het Celestijnenklooster en rechts de Sint-Lambertuskerk.

(c) Wikipedia

(c) Wikipedia

Na zijn terugkeer tot het katholieke geloof had Karel een scheiding van tafel en bed met zijn calvinistische vrouw Maria van Brimeu. Dit huwelijk bleef dan ook kinderloos.

Acht maanden na het overlijden van Maria van Brimeu, op 18 april 1605, hertrouwde Karel met zijn nicht Dorothea van Croÿ, dochter van zijn oom Karel Filips van Croÿ, markies van Havré. Ook dit huwelijk bleef zonder nakomelingen.

dorothea

(c) KU Leuven

Dorothea van Croÿ was bevriend met aartshertogin Isabella met wie ze samen aan goede werken deed en ze was de doopmeter van een van de kinderen van Eyricus Puteanus, de opvolger van Justus Lipsius aan de Leuvense universiteit.

Bij het overlijden van Dorothea van Croÿ kwam er een einde de tak Croÿ-Aarschot. Karel II was de laatste Croÿ die de titel Hertog van Aarschot mocht dragen. Karel had in een laatste poging om de hertogstitels van Croÿ en Aarschot in de familie te houden zijn schoonvader Karel Philips van Croÿ hertog van Havré als familiehoofd aangeduid. De erfenis werd verdeeld tussen enerzijds de kinderen van zijn zuster Anna van Croÿ, die met Karel van Arenberg getrouwd was, en anderzijds de familietak Croÿ-Havré. Het hertogdom Aarschot, het vorstendom Chimay, en het graafschap Beaumont kwamen zo in handen van het huis Arenberg. Het hertogdom Croÿ en het vorstendom Château-Porcien en kleinere heerlijkheden kwamen aan Karel Alexander van Croÿ. Daarmee kwam het kasteel van Heverlee en het Celestijnenklooster in handen van de familie van Arenberg. De Arenbergs bleven hertog van Aarschot tot het einde van het Ancien Régime.

“Karel van Arenberg en Anne van Croÿ met familie” door F. Pourbus Jr. (c) Wikipedia

Het kasteel van Heverlee.

De oudste vermelding dateert van 1371: dan is er sprake van een “zware donjon” gebouwd door Raas van Graven, gesloopt op een niet nader bepaald tijdstip. Ook de eerste Croÿs woonden nog in een versterkte woontoren die zich ongeveer in de zuidwestelijke hoek van de binnenplaats van het huidige kasteel bevond. Mogelijk werd deze donjon in de vijftiende eeuw uitgebreid met een woonvleugel vergezeld van twee traptorens. Dit zou de in 1644 afgebrande westvleugel geweest zijn.

(c) Universiteitsarchief KU Leuven

(c) Universiteitsarchief KU Leuven

Willem van Croÿ kan beschouwd worden als de bouwheer van het huidige Arenbergkasteel. Tijdens zijn verblijf in Italië, waar hij aan de zijde van de Franse koning strijdt voor de herovering van Napels, komt hij in contact met de renaissance. Bij zijn terugkeer brengt hij talrijke kunstwerken, meubels en handschriften mee en de volgende jaren laat hij de primitieve burcht ombouwen tot een prachtig lustslot gebouwd in streekeigen materialen, met de kenmerkende afwisseling van bak- en zandsteen. Ook al is het versierd met laatgotische ornamenten, zijn de renaissancecontouren duidelijk herkenbaar. De peervormige torenspitsen zijn getooid met de dubbele adelaar van Habsburg. De heer en de vrouw hadden elk hun eigen appartementen in de torens: de oosttoren was van haar, de westtoren van hem. De bouwheer en zijn dame zijn overal aanwezig in het interieur, onder andere door de vele kruisen – verwijzend naar Croÿ (croix) – en geiten – verwijzend naar Chièvres (chèvre) – in de versiering.

Karel II van Croÿ liet de donjon afbreken en plande een nieuwe noord- en oostvleugel, geflankeerd door torens,  naar het voorbeeld van  wat er al stond. Deze ambitieuze plannen zijn wel zichtbaar op tekeningen maar ze zijn nooit gerealiseerd.

Bij de dood van Karel II en Dorothea van Croÿ kwam ook het kasteel in handen van de familie van Arenberg die het tot in 1914 zouden behouden.

In de achttiende eeuw werd de Parijse architect Charles de Wailly naar Leuven gehaald om het kasteel aan te passen aan zijn tijd. De neogotiekers Joris Helleputte en Joseph Claes maakten in de negentiende eeuw het kasteel middeleeuwser dan het ooit geweest is. Claes is verantwoordelijk voor de neogotische kapel in de voorgevel. In de twintigste eeuw draaide Raymond Lemaire de  neogotische aanpassingen gedeeltelijk terug. Het drieledig raam boven de inkompoort en het halfronde dakraam zijn ontworpen door Paul Van Aerschot.

Literatuur (2 delen)

  • Marc Derez e.a. Arenberg in de Lage Landen: een hoogadellijk huis in Vlaanderen & Nederland. Leuven: Universitaire Pers, 2002
  • Marc Derez & Anne Verbruggen. De Celestijnenpriorij: van klooster tot bibliotheek. Leuven: Universitaire Pers, 2005
  • Justus Lipsius, Jan Papy (vert.) Leuven: beschrijving van de stad en haar universiteit. Leuven: Universitaire pers, 2000
  • Geert Vanpaemel & Tineke Padmos: Wereldwijs: wetenschappers rond Keizer Karel. Leuven: Davidsfonds, 2000
  • Marc Derez & Anne Verbruggen. Open Monumentendag Leuven, 12 september 1999
  • Wikipedia: de vrije encyclopedie. https://nl.wikipedia.org
  • Inventaris onroerend erfgoed. https://inventaris.onroerenderfgoed.be

Heverlee en het geslacht van Croÿ. deel 1

In het begin van de achtste eeuw maakte Heverlee deel uit van de domeinen van de bisschop van Luik. In de twaalfde eeuw wordt Heverlee bij het graafschap Leuven ingelijfd. De heerlijkheid omvatte toen Oud-Heverlee, Vaalbeek en Bertem. De heren van Heverlee hadden hun versterkte burcht op de plaats van het huidige Arenbergkasteel.

Het geslacht van Croÿ

anton

(c) Wikipedia

In 1445 koopt Anton van Croÿ de heerlijkheid van de berooide heer van Heverlee, Raas van Graven (Grez) die sinds de stichting van de universiteit (1425) ook meier van Leuven was.

Croÿ is een heerlijkheid aan de Somme. Ze beweerden dat ze afstamden van de koning van Hongarije en via die omweg van Adam en Eva. Huizinga rekent hen in “Herfsttij der Middeleeuwen” tot de grote parvenu’s van het Bourgondische tijdperk met een neus voor “douceurs” en “faveurs” (schenking en begunstiging). Eerst werkten ze zich in de gunst van de Bourgondiërs, daarna bij de Habsburgers.

Anton, ook de Grote Croÿ genoemd (ca 1385-1475), stond in de gunst van Filips de Goede die hem bij de oprichting van de orde van het Gulden Vlies onmiddellijk opnam als ridder. Anton werd raadsman en kamerheer, en stadhouder in Namen en Luxemburg. In Henegouwen kreeg hij de heerlijkheden Chièvres en Beaumont en door huwelijk kwam hij in het bezit van Aarschot en Bierbeek. Wanneer Karel De Stoute aan de macht kwam in Bourrgondië (1467), liet hij de eigendommen van de Croÿs confisqueren. Als antwoord ging de Grote Croÿ samenspannen met de Franse koning. In 1473 deed hij op achtentachtigjarige leeftijd een knieval en verkreeg alsnog genade en restitutie van zijn goederen.

Anton van Croÿ huwde twee maal en had zeven kinderen.

Rogier van der Weyden. Portret van Filips van Croÿ (c) Wikipedia

Rogier van der Weyden. Portret van Filips van Croÿ (c) Wikipedia

Zijn zoon Filips I van Croÿ (1435-1511) werd de stamvader van de Aarschotse tak. Hij werd samen met Karel De Stoute opgevoed. In 1471 liep hij in een conflict tussen Frankrijk en Bourgondië met zeshonderd soldaten over naar het Franse kamp. In 1475 verzoende hij zich met Karel De Stoute en diende nadien voor Maria van Bourgondië en regelde het huwelijk met Maximiliaan van Oostenrijk. Daarmee komen de Nederlanden in handen van de Habsburgers.

Willem van Croÿ (1458-1521)

Willem van Croy

(c) Wikipedia

Willem van Croÿ trouwde omstreeks 1485 met Maria van Hamal. Bij de keizerskroning van Maximiliaan van Oostenrijk (1486) wordt hij door de keizer zelf tot ridder geslagen. Later wordt hij ridder van het Gulden Vlies (1491), raadsheer en kamerheer.

Willem van Croÿ, ook gekend als Willem van Chièvres of kortweg Chièvres, werd in 1459 in Picardië geboren als telg uit een geslacht dat sinds verschillende generaties in dienst stond van de hertogen van Bourgondië. In 1483 koopt hij de heerlijkheid Rance en twee jaar later verwerft hij van zijn vader Beaumont, Heverlee en Chièvres. Sindsdien draagt hij de titel Heer van Chièvres. In 1488 huwt hij met Maria-Magdalena van Hamal, weduwe van Adolf de la Marck.

Willem van Croÿ was één van de belangrijkste politieke figuren in de Nederlanden en stapelde de politieke ambten op. Hij werd lid van de Geheime Raad, voorzitter van de Raad van Financiën, stadhouder van Namen en bekleedde daarnaast nog een aantal lokale ambten. Hij gaat in Parijs onderhandelen over een toekomstig huwelijk van Karel V met de dochter van de Franse koning. Karel V was toen 2 jaar.

Wanneer Filips de Schone in 1505 naar Spanje reisde om zich als Spaanse koning te laten kronen werd Willem van Croÿ aangesteld als regent van de Habsburgse Nederlanden en in 1509 werd hij benoemd als opvoeder-gouverneur van de kleine Karel V. Hij bracht de toekomstige keizer nieuws over de militaire en diplomatieke ontwikkelingen, bondgenootschappen, veldtochten en veldslagen, over de correspondentie met vorsten en gezanten en  over de rechten en plichten van de Bourgondische vorsten. Willem van Croÿ haalde Karel weg van het Mechelse hof van Margaretha van Oostenrijk om zijn eigen invloed op zijn leerling te versterken. Hij sliep zelfs in dezelfde kamer als Karel.

Een andere leraar van de latere keizer was Adriaan van Utrecht, de latere Nederlandse paus Adrianus VI. Dit onderricht in Latijn, godsdienst en vrije kunsten interesseerde de jonge Karel maar matig. De pogingen om de latere keizer in contact te brengen met de nieuwe denkbeelden, het Humanisme en de Moderne Devotie, hadden blijkbaar weinig succes. Karel voelde zich meer aangetrokken door het laatmiddeleeuwse ridderideaal zoals die door de orde van het Gulden Vlies levend werd gehouden.

Jan van Scorel. Portret van Adriaan van Utrecht (c) Wikipedia

Jan van Scorel. Portret van Adriaan van Utrecht (c) Wikipedia

Niet iedereen was even gelukkig met de dominante invloed van Willem van Croÿ op de toekomstige vorst. Op het vlak van buitenlandse politiek stond Chièvres lijnrecht tegenover de Habsburgers Maximiliaan en Margareta. Willem van Croÿ slaagde erin Karel op vijftienjarige leeftijd mondig te verklaren zodat hij zelf de lakens kon blijven uitdelen.

Vanaf 1517 richtten Willem van Chièvres en Karel hun aandacht op Spanje en voeren ze de druk op Johanna “de waanzinnige” op om haar soevereiniteit over te dragen aan haar zoon. Chièvres en anderen uit Karels omgeving haalden lucratieve postjes binnen en verpatsten niet zelden de opbrengsten. Deze inhaligheid en de toestroom van Vlaamse (en Bourgondische) gunstelingen bezorgden de “Flamencos” in Spanje dezelfde reputatie die de Spanjaarden een halve eeuw later in onze streken zouden krijgen.

Karels voormalige leermeester Adriaan van Utrecht moest voorkomen dat Karels jongere broer Ferdinand in Spanje als troonopvolger zou benoemd worden. Als dank voor bewezen diensten kreeg hij het bisdom Tortosa. Bij Karels terugkeer naar het noorden kreeg Adriaan – tegen zijn zin – het regentschap over Spanje en werd hij de feitelijke regeringsleider.

Het meest geruchtmakende voorbeeld van nepotisme was de blitzcarrière van kanunnik Willem van Croÿ. Het neefje en naamgenoot van Chièvres die op negentienjarige leeftijd aartsbisschop van Toledo en primaat van Spanje. De katheder van Toledo was het best betaalde kerkelijke ambt op het Iberisch schiereiland. Voordien was Chièvres er al in geslaagd om de kerkelijke hiërarchie in de Nederlanden gaandeweg om te vormen tot een familieholding van de Croÿ’s. Ooms en neven volgden elkaar op de katheder op Terwaan, Atrecht, Kamerijk en Doornik.

Willem kanunnik

(c) Wikipedia

De benoeming van een vreemde minderjarige zonder bijzondere verdiensten die bovendien weigerde in zijn eigen bisschopsstad te gaan wonen, was een van de elementen die zou leiden tot de “Opstand van de Comunidades”, de Spaanse steden, die in de bloed gesmoord werd en die de “Flamencos” hetzelfde imago bezorgde als de Spaanse bezetters in Vlaanderen onder Filips II een halve eeuw later.

Als dank voor bewezen diensten verheft Karel V in 1518 de heerlijkheid Heverlee tot baronie en voegt het toe aan het markizaat Aarschot.

In 1521 vertrekt hij met keizer Karel naar Worms voor de Rijksdag. Tijdens zijn verblijf wordt hij ernstig ziek en op 21 mei 1521 laat hij zijn laatste wilsbeschikking vastleggen ter aanvulling van het testament dat hij kort vóór zijn vertrek had opgesteld. Hij overlijdt op 27 mei 1521. Na een plechtige dienst in Worms wordt hij overgebracht naar Aarschot waar hij wordt bijgezet in de Onze-Lieve-Vrouwekerk.

Het huwelijk van Willem van Croÿ met Maria-Magdalena van Hamal bleef kinderloos en hij werd opgevolgd door zijn neef Filips.