Tagarchief: Oude universiteit

Het Standonckcollege

Van het “Verken” tot het Hogeschoolplein. Deel 3

Het Standonckcollege werd in 1490 gesticht door Johannes Standonck bedoeld voor arme studenten. De president werd Pater of Vader genoemd en de studenten leefden volgens zeer strenge regels, zoals die van een strenge kloosterorde. Ze moesten allemaal, zonder uitzondering, het habijt van Sint Franciscus van Paola, voor wie de stichter een speciale religieuze bewondering had, dragen. Omwille van de kap aan dit habijt werden ze in Leuven de Kappekens genoemd.

franciscus

Het Standonckcollege is een tijd geassocieerd geweest met de pedagogie het Varken. Standonck had zo’n faam dat het Varken de Standonckpedagogie genoemd werd. Er was toen dus sprake van een Standonckcollege en een Standonckpedagogie. In 1615 werden de twee instellingen van elkaar gescheiden.

In 1807 werd het college verkocht aan een Brusselse opkoper, François-Joseph Lemonnier, en aan een Leuvenaar, Jean-Joseph van Mechelen. Het grootste deel werd samen met het Varken afgebroken. Het nog bestaande gedeelte, dat dateert van 1763, is verwerkt in particuliere huizen.

standonckkik

Johannes Standonck werd geboren in Mechelen in 1443 als zoon van een bescheiden schoenmaker. Hij krijgt een beurs van de Broeders van het Gemene Leven en gaat studeren in hun school in Gouda.

gouda

Kaart van Gouda, bij nr.25 het Collatiehuis

In 1459 schrijft hij zich in aan de universiteit van Leuven waar hij “magister artium” wordt. Daarna vertrekt hij naar Parijs waar hij met succes theologie studeert. In 1480 wordt hij benoemd aan de faculteit van Sorbonne, in 1483 promoveert hij als doctor in de theologie en in 1486 wordt hij rector van de Parijse universiteit. Hij was tegelijkertijd ook prefect van het college van Montaigu. Hij sterft op 17 april 1504. Voordien had hij colleges en scholen opgericht in Parijs, Leuven, Mechelen, Cambrai en Valenciennes. Hij nam daarbij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat alleen studenten werden toegelaten die zelf hun studies niet konden betalen.

Het college van Montaigu werd in 1314 gesticht door Gilles Aycellin, aartsbisschop van Rouen. Het veranderde van naam na de restauratie in 1388 door Pierre Aycellin de Montaigut, kardinaal van Laon. Toen Standonck in het college aaankwam, was het in verval. Naar verluidt kwamen sommige muren naar beneden. Standonck en zijn leerling Noël Béda zouden het terug groot maken.

montaigu

Standonck legde zijn studenten een zeer streng regime op: zij mochten het college alleen verlaten met zijn toestemming en moesten terug zijn voor het invallen van de avond. Hij hield zelf de sleutel van de portier bij. Zij droegen slechts één kledingstuk een kregen elke dag één stuk brood. Elke morgen om elf uur moesten ze naar een nabijgelegen klooster om een handvol eten te ontvangen. Voor de minste fout werden ze gestraft en ze werden aangemoedigd elke fout van een andere te melden.

Het college van Montaigu kende enkele beroemde alumni: Erasmus, Johan Calvijn, Ignatius van Loyola, John Knox, … Erasmus zou later zeggen dat hij niet kon indenken dat iemand zijn verblijf aan het college kon vergeten of het zelfs ongeschonden kon overleven. Hij zou zich zijn leven lang het vasten en de rotte eieren herinneren.

 

Van het “Verken” tot het Hogeschoolplein

Deel 2: leven in het “Varken”

Als we in het kader van de oude universiteit over een college spreken, hebben we het niet over een school maar over een kosthuis waar studenten onder toezicht kost en inwoon kregen maar in principe geen onderricht. Soms werden er wel herhalingsoefeningen gegeven of werden er disputen georganiseerd. Dit in tegenstelling met de vier pedagogieën – eerst waren het er nog zeven maar in 1446 besliste de Artesfaculteit er maar vier te erkennen – waar ook les werd gegeven. Die vier pedagogieën, de Lelie, de Burcht, de Valk en het Varken, waren echte universitaire kostscholen waar jonge studenten zowel onderkomen als onderwijs kregen.

schildenpedagogieen

uit Louvain Monumental

De vier pedagogieën dragen de naam van het huis waar de eerste magisters, docenten zouden we nu zeggen, gingen samenwonen of van een herberg of afspanning in de buurt. Het Varken werd genoemd naar een herberg in de Naamsestraat: “den wilden ever” alias “het wiltvercken”.

De pedagogieën en de colleges moesten een antwoord bieden aan een dubbel probleem: de bedelstudent en de eeuwige student. Pedagogieën zorgden er in de eerste plaats voor dat ook armere studenten konden eten, drinken en slapen. Er bestond wel een zekere vorm van sociale differentiatie: zo zaten de rijkere studenten (commensales) aan de eerste tafel (prima mensa), de beursstudenten (bursarii) aan de tweede (secunda) en de allerarmsten (pauperes) aan de derde tafel (tertia mensa).

Strenge pedagogiereglementen moesten de studenten beschermen tegen de verlokkingen van drank en spelen. Op de naleving ervan werd toegezien door regenten en subregenten. Voor elke les werden er absenties opgenomen. In de pedagogieën gold een strikte dagindeling gebaseerd op de kloosterregels.

4u30      opstaan
4u45      morgengebed en studietijd
6u30      les
7u30      mis en ontbijt
9u           studietijd
10u        uitgaansverlof
10u30    les
11u30    middagmaal
13u        studietijd
13u30    les
14u30    studietijd
16u        vieruurtje
16u30    les
17u30    studietijd
18u30    avondgebed en avondmaal
20u        studietijd
21u        bedtijd
21u30    lichten doven

De schaarse vrije tijd konden ze doorbrengen met praten, wandelen in groep onder toezicht of schaakspelen. Ze mochten zeker niet deelnemen aan reidansen in de straat, carnavalsvieringen en veerkleedpartijen, en aan kansspelen met kaarten, teerlingen of wat dan ook, in de herbergen. Er stonden zware straffen op nachtlawaai, balorigheid tegen burgers en hun eigendommen en op aanranding van eerzame vrouwen. Vanaf 1477 gold er voor studenten een avondklok: nadat de klok van Sint-Michiel negen uur had geslagen (tien uur in de zomer) mocht geen enkele student nog op straat komen tenzij in gezelschap van een deftig persoon en met een brandende toorts. De overtredende studenten werden aan de promotor uitgeleverd. Wie vier maal werd betrapt, riskeerde geschrapt te worden van de universitaire rol. Baldadige studenten kwamen er meestal van af met een vermaning vaak tot ergernis van de benadeelde Leuvenaars.

“Sus gaudet studio; Falconis mensa triumphat; Libertas Lilio; Formosa cubicula castro.” Volgens dit dictaat blonk het Varken uit in studieijver, won de vrijheid het in de Lelie, had de Valk de beste tafel en de burcht de mooiste kamers. Tussen de vier pedagogieën heerste een gezonde wedijver. Die uitte zich in allerlei voorstellingen. In onderstaande afbeelding vertrappelt het varken een lelie en een valk en duwt het de burcht omver.

excathedra1

In onderstaand embleem eet het varken de lelie op, vertrappelt het de valk en bedreigt het de burcht met een spervuur van drollen.

excathedra2

Het belangrijkste voorwerp van de wedijver was het vergelijkend examen dat jaarlijks voor de laatstejaarsstudenten van de Artesfaculteit werd georganiseerd. De winnaar, de primus, werd eerst in Leuven ingehaald met dagenlange optochten en drinkgelagen. Daarna trok de stoet naar het geboortedorp van het feestvarken waar hij als een vorst werd onthaald. Onderweg werd hij in elk dorp of stad getrakteerd op erewijn en met eerbewijzen overladen.

expo

Op een tekening van 1650 zien we het Varken als een geheel van huizen met trap- of puntgevels en met steile daken en dakkapellen. De leslokalen bevonden zich op het gelijkvloers (1 en 2), onder de leien bevond zich de graanzolder (3). De pedagogie beschikte over een kapel (10) en een bibliotheek (11). De regent (8) woonde naast de toegangspoort (6), een andere professor (4) boven de achterpoort (5). Dat is natuurlijk belangrijk voor de controle op de gang en wandel van de studenten. Naast de toegang ziet men bovendien nog een portiersloge (7). De studenten slapen op de zolder (13). De pedagogie bezit twee binnenplaatsen, een geplaveide (17) en een onverharde (18), en een tuin (16). De waterput bevond zich in een paviljoentje (14). Gans achteraan bevinden zich de latrines (15). Het bier werd bewaard in de kelder (12).

Toen Napoleon in 1801 in het Pauscollege een succursale van het Hôtel des Invalides, werd het Varken een bordeel ten gerieve van de soldaten die nog voldoende valide zijn. In 1806 werd de pedagogie afgebroken. Nu herinnert alleen de Leuvense volksnaam voor het Hogeschoolplein nog aan deze universitaire kostschool.

Het Heilige-Geestcollege in de geschiedenis.

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 4

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

Als belangrijk college van een belangrijke faculteit speelde het Heilige-Geestcollege een belangrijke rol in de discussies binnen de kerk vanaf zijn stichting tot de opheffing van de universiteit aan het einde van de achttiende eeuw.

In de eerste plaats had je de disputen. Deze oefeningen in theologisch discussiëren waren openbare debatten die druk werden bijgewoond en waar de theologische faculteit haar studenten gebruikte om de standpunten van de faculteit te verwoorden en te bediscussiëren. Deze disputen stonden onder leiding van de president. Het was dan ook hij die bepaalde wat aan bod kon komen en wat niet. Je kan gerust stellen dat de president van het Heilige-Geestcollege een belangrijk opiniemaker was en een gezagsvolle stem in het theologisch debat, dat tijdens het Ancien Régime ook het alledaagse leven beïnvloedde.

In de zestiende eeuw speelden enkele van de eerste presidenten een belangrijke rol in de discussies rond het humanisme en het opkomend protestantisme. Zo was Maarten van Dorp aanvankelijk een overtuigd humanist maar veranderde hij volledig van mening als hij president werd van het Heilige-Geestcollege. Hij distantieerde zich uitdrukkelijk van zijn vriend Erasmus en zal met deze heftig discussiëren via brieven. Een belangrijk thema is de wenselijkheid van een nieuwe Bijbelvertaling. Dorpius verdedigde vurig de officiële Vulgaatvertaling en beriep zich hiervoor op het gezag van de concilies. Naar het einde van zijn loopbaan toe, wanneer hij geen president meer was van het Heilige-Geestcollege, veranderde Dorpius nog eens van standpunt en werd hij opnieuw een overtuigd Erasmiaan.

Martinus_Dorpius_(1485-1525)

Zijn opvolger als president van het Heilige-Geestcollege, Ruardus Tapper was een van de meest gezaghebbende theologen die het officiële standpunt van de paus en de katholieke kerk verwoordden en beschermden. In zijn belangrijkste werk, de Explicationes Articulorum, weerlegde hij in 59 – later teruggebracht tot 39 – geloofsartikelen de stellingen van Luther.  In het dagelijkse leven zou hij als inquisiteur-generaal van de Nederlanden een actieve rol spelen in de bestrijding van het protestantisme. Ruardus Tapper was hiermee de koploper in een lange reeks van presidenten van het Heilige-Geestcollege die zich zouden opwerpen als verdedigers van het hoogste kerkelijke gezag.

tapper

Naar het einde van de zestiende eeuw raakte de theologische faculteit in een conflict verwikkeld met de Jezuïeten. In feite ging dit conflict eerder om de verdediging van de eigen privileges dan om fundamentele geloofspunten. De Leuvense theologen wouden absoluut verhinderen dat de nieuwkomers zelf colleges zouden oprichten en daar filosofie en theologie zouden onderwijzen. Mede met de steun van de paus kon de universiteit de concurrentie buitenhouden.

In de zeventiende eeuw werd de theologische faculteit het strijdtoneel van een heftige woordenstrijd tussen twee stromingen binnen het theologische denken: het strenge Augustinianisme tegenover het meer gematigde pragmatische humanisme van onder andere de Jezuïeten. Aangezien binnen de theologische faculteit een sterke augustiniaanse stroming actief was, eerst rond de figuur van Michel de Bay en zijn Baianisme en later rond Cornelius Jansenius wiens ideeën na zijn dood zouden uitgewerkt worden door de Jansenisten, kwamen ook in deze conflicten de theologische faculteit en de jezuïeten tegenover elkaar te staan.

Naar het einde van het Ancien Régime werd de theologische faculteit nog een keer verdeeld door een theologische-politieke tegenstelling. Toen stonden de jozefisten tegenover de ultramontanen. Deze laatsten verdedigden zeer heftig het gezag van de paus en verzetten zich met hand en tand tegen elke inmenging van de wereldse overheid, verpersoonlijkt door de keizer-koster Jozef II. Het belangrijkste strijdpunt van de ultramontanen was de oprichting van het Seminarie-Generaal waarmee de keizer de kerk wou moderniseren door de priesteropleiding aan te pakken. Dit verzet van de kerk zou uitmonden in de Brabantse omwenteling, de opstand in de Zuidelijke Nederlanden tegen de Oostenrijkse keizer die geleid heeft tot het kortstondige bestaan van de Verenigde Nederlandse Staten.

Blijkbaar was het Ancien Régime echt oud geworden en was de strijd om het behoud van de middeleeuwse privileges een verloren strijd. Dat moest ook de laatste president van het Heilige-Geestcollege aan de Oude Universiteit, Jan-Frans Van de Velde, ondervinden: de Franse Revolutie maakten zijn strijd om de rechten van de Oude Universiteit te verdedigen, nutteloos.

De splitsing van het Heilige-Geestcollege

Door het aanzien dat het Heilige-Geestcollege kende, kon het genieten van steeds meer schenkingen en beursstichtingen. Daardoor werd het mogelijk de instelling te splitsen in een Klein en een Groot Heilige Geestcollege. Het kleine Heilige-Geestcollege werd gehuisvest in het Huis Meldert, het huis dat Catharina Pynnock, weduwe van Libert, Heer van Meldert, aan de theologische faculteit had gelegateerd om er de woning van de President van het Heilige-Geestcollege van te maken. Bij de splitsing werd ook het Huis Lombaerts aan het klein college toegewezen. Dit lag op de Booghaerstraete (de huidige Sint-Antoniusberg) achter het domein van Meldert. De huizen “den Uyl” en “het Blauwe Schaap”, gelegen tussen het huis Hollant, oorspronkelijk eigendom van Lodewijk de Ryke, en het huis Meldert werden ook over de twee colleges verdeeld worden.

eigendommen

Elk college kreeg een president en een eigen beheer hoewel het toezicht in handen bleef van de theologische faculteit. De splitsing werd volledig in 1790 wanneer ook de beurzen en de stichtingen verdeeld werden: het groot college kreeg twee derden, het klein college één derde. Het klein college werd in de loop van de achttiende eeuw volledig herbouwd.

plattegrond2

Voor het klein college betekende de Franse overheersing het definitieve einde. Bij de opheffing van de universiteit kwam het klein college in handen van de Fransen en deed het enkele jaren dienst als herberg. In 1805 (of 1807) kwam het in handen van een houthandelaar, Guillaume Goyens en in 1810 werd het gedeeltelijk afgebroken en omgevormd tot woningen. In de achttiende eeuw kwam het in handen van Willem Roberti, notaris. Eén van zijn nazaten is nog altijd als notaris actief. Het huidige gebouw werd na de verwoesting tijdens de Tweede Weredloorlog in 1950 gebouwd. Het geheel bestond uit een notariaat, een notarishuis en twee appartementen. In het notarishuis is nu het Ereconsulaat van Italië gevestigd.

Het dagelijkse leven in het Heilige-Geestcollege.

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 3

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

Voor zover ze niet gebonden was aan bepalingen opgelegd door de stichters selecteerde de theologische faculteit de bursalen. Vaak kregen familieleden van stichters, stads- of streekgenoten, en/of afgestudeerden van een bepaalde pedagogie de voorrang. Wanneer er geen kandidaten waren die voldeden aan de vereisten gesteld door de stichters, kon de faculteit nog zelf beslissen.

Volgens de statuten kwamen alleen niet-religieuzen in aanmerking. De kandidaat moest gepromoveerd zijn in de artes. hij moest een goede naam hebben, geneigd zijn tot het priesterschap en geschikt zijn voor de theologische studies “zodat er een goede hoop bestond dat hij door woord en voorbeeld in het kader van de Kerk vrucht zou afwerpen.”

Het college had een dubbele boekhouding: een voor de stichtingen en een voor de huishouding. De boekhouding voor de stichtingen werd bijgehouden door de rentmeester die onder controle stond van de faculteit. Hij was verantwoordelijk voor het beheer van de erfrenten, hij beheerde ook de gemeenschappelijke inkomsten en betaalde de onderhoudskosten van het gebouw.

De interne boekhouding, waaronder vooral onkosten voor levensonderhoud, verwarming en verlichting, en voor het personeel vielen, werd bijgehouden door studenten die regelmatig afrekenden met de president. Elke week werd een prepositus of weekverantwoordelijke aangesteld. Hij stond in voor de inkoop van voedsel en kleine benodigdheden en hij was verantwoordelijk voor de inning van de boetes. ’s Zaterdags bracht hij verslag uit bij de president, rekende af en werd vervangen door een nieuwe prepositus. De “vinator” was verantwoordelijk voor de aankoop van wijn, hij werd voor een langere tijd aangesteld. De procurator was verantwoordelijk voor de aankoop van grote voedselvoorraden en brandhout. Het aanstellen en betalen van het personeel was de verantwoordelijkheid van de president.

In de beginjaren van het college, in de vijftiende eeuw, was het mandaat van de president nog niet duidelijk uitgewerkt. Blijkbaar was een baccalaureaat in de theologie de minimumvereiste. In de zestiende eeuw werd de functie van de president duidelijk uitgewerkt in de statuten. Hij werd aangesteld door de theologische faculteit.

Iedereen in het college was gehoorzaamheid aan de president verschuldigd. Hij moest erop toezien dat de statuten onderhouden werden en dat de studenten eendrachtig bleven, ijverig de theologie studeerden en ook op religieus vlak vooruitgang maakten. Andere “minder nuttige” en “eigenaardige” wetenschappen waren uitgesloten.

De president kon naar eigen goeddunken straffen uitdelen maar gebruikte meestal geldboetes om ongeoorloofd gedrag te beteugelen. Een aantal boetes was ingeschreven in de statuten. Voor zware overtredingen zoals het te laat komen of wegblijven van disputen konden de boetes oplopen tot twee à drie stuivers. Dit kwam overeen met enkele malen het bedrag van een beurs voorzien voor één dag. Wie na het sluitingsuur het college binnendrong of wie zonder toelating buiten het college overnachtte, kon een zwaardere straf krijgen: opschorting van de beurs voor een bepaalde tijd. De zwaarste straf, de uitsluiting uit het college, kon alleen door de theologische faculteit uitgesproken worden, in principe op voordracht van de president.

Enkel met de toelating van de president mochten studenten de stad verlaten, afwezig zijn bij maaltijden, uitgaan na het avondmaal, herbergen bezoeken, wijn of bier laten halen, gasten ontvangen, in andermans kamer overnachten en boeken of voorwerpen aan het college ontlenen. De president was ook verantwoordelijk voor het afsluiten van de poort ’s avonds en het bewaren van de sleutel. Om negen uur werd de poort gesloten en heerste er stilte tot de volgende morgen.

De president was verantwoordelijk voor de toekenning van de kamers, de verdeling van de missen en de aanstelling van de koster, bibliothecaris en de verantwoordelijke voor het afwezigheidsregister. De president stond in voor het onderhoud van de inboedel en hij moest de inventaris regelmatig aanvullen.  Vanaf 1513 was hij ook verantwoordelijk voor de disputen.

Een gewone dag in het Heilige-Geestcollege begon om halfvijf ’s morgens. Voor halfzes moesten de studenten zich aanmelden, daarna gingen ze naar de mis. Vóór het ontbijt omstreeks negen hadden de studenten al een eerste les in de halle meegemaakt. Daarna volgde een periode van gedempte stilte tot omstreeks elf uur. Wat er in de namiddag gebeurde is niet bekend en ook over het tijdstip van het avondeten zijn geen gegevens beschikbaar. Wie ’s avonds naar buiten mocht, moest om negen uur terug zijn. Dan ging de deur op slot en heerste er stilte tot de volgende morgen.

Het leven in het Heilige-Geestcollege draaide uitsluitend rond theologie. De studenten moesten bij alle lessen, oefeningen en disputen in de theologie aanwezig zijn. Vooral de zaterdagdisputen mochten niet gespijbeld worden.  Deze vonden sinds het einde van de vijftiende eeuw plaats op zaterdagnamiddag.  Op die disputen oefenden studenten zich in theologische discussies door een stelling te verdedigen of aan te vallen. Deze disputen werden vaak voorgezeten door een gezaghebbende professor van de theologische faculteit, zoals bijvoorbeeld Adrianus van Utrecht (de latere paus Adrianus VI) of Ruardus Tapper.  Vanaf het midden van de vijftiende eeuw warren deze disputen een essentieel onderdeel van de theologische opleiding.

Van de bursalen werd verwacht dat ze regelmatig promoveerden. Wie dit niet deed, riskeerde een sanctie en kon zelfs zijn beurs verliezen. Om dit risico te verkleinen controleerde de theologische faculteit regelmatig de studieresultaten. Traditioneel gebeurde deze controle bij de jaarlijkse visitatie. Soms probeerde de faculteit misbruiken te vermijden door de betaling van de beurs ook uit te stellen. De bursaal kreeg dan het eerste half jaar geen geld en werd in twee stappen uitbetaald bij het beëindjgen van de twee eerste delen van de baccalaureaatscyclus.

Het Heilige-Geestcollege beschikte over een eigen bibliotheek. Deze bezat vooral boeken die verschillende schenkers overmaakten aan het college. Naast de voor de hand liggende theologische werken waren ook een aantal kerkjuridische traktaten en enkele werken van klassieke auteurs, waaronder Sallustius en Flavius Josephus, aanwezig. Een van de bursalen werd door de president aangesteld als bibliothecaris. Hij stond in voor het verzorgen van de boeken, het onderhouden van de catalogus en voor de controle op de uitleningen.

Deze en andere jobs, zoals bijvoorbeeld koster, gaven bursalen de kansen om geld bij te verdienen. Aangezien de waarde van de beurzen de evolutie van de levensduurte niet volgde, verslechterde de materiële toestand van de studenten met de jaren. De theologische faculteit ving dit gedeeltelijk op door beurzen te nivelleren en te cumuleren. In de praktijk moesten alle bursalen over een eigen inkomen beschikken om financieel te kunnen overleven.

Dagelijks werd er driemaal gegeten. ’s Morgens werd er in de keuken ontbeten. Dit ontbijt was niet verplicht, toch werd er zo veel mogelijk samen ontbeten. De andere twee maaltijden waren wel verplicht. Ze werden voorgezeten door de president en alleen hij kon studenten van aanwezigheid vrijstellen.  Hij was ook verantwoordelijk voor de bereiding van de maaltijden die “middelmatig” moesten zijn “zoals het bursalen paste.” Hijzelf mocht iets beter eten “zonder de bursalen financiële schade te berokkenen.”

Elke hoofdmaaltijd werd vergezeld van de nodige gebeden en van het lezen van telkens twee hoofdstukken uit de Bijbel.

Buiten de vastgestelde uren mocht niemand eten of drinken binnen het college zonder de toestemming van de president.

Over de samenstelling van de maaltijden in het Heilige-Geestcollege heb ik geen gedetailleerde informatie gevonden. Er was zeker ook vlees aanwezig want enkele stichtingen voorzagen in de aankoop van varkens. Waarschijnlijk werd bij de maaltijden (klein) bier gedronken. Wijn was voorbehouden voor speciale aangelegenheden.

Ontspanning werd waarschijnlijk vooral ’s avonds na de laatste maaltijd genomen. Tot negen uur, uitzonderlijk tot tien uur, mocht er gepraat worden. Waarschijnlijk werd er ook gezongen.

In de zomermaanden konden studenten de studenten aan de president de toestemming vragen het college te verlaten. Voor het bezoeken van een herberg en om gasten uit te nodigen voor een maaltijd of een overnachting in het college, moest de expliciete toestemming van de president gevraagd worden. Vrouwen mochten slechts bij hoge uitzondering aanzitten bij een maaltijd, van logeren in het college was voor meisjes helemaal geen sprake.

Wie de stad wou verlaten moest daarvoor een gegronde reden hebben. Ellke student mocht maximum één maand per jaar of zes weken verspreid over het jaar afwezig zijn. Wie te lang wegbleef, riskeerde een deel van zijn beurs kwijt te zijn.

Van bij de stichting werden in het college missen gecelebreerd. Deze werden voorgegaan door bursalen die hiermee een centje konden bijverdienen. Vanaf 1448 is er sprake van een eigen kapel en werd er dagelijks minimaal één mis opgedragen.  De missen werden opgedragen tussen zes en zeven uur in de zomer en tussen zeven en acht in de winter. Alle missen vielen buiten de uren die voorzien waren voor lessen of disputen. Eén bursaal werd aangesteld als koster. Deze verdiende een centje bij door te kapel en de gewijde vaten te verzorgen en door tijdens de missen dienst te doen als misdienaar.

Zoals andere theologiecolleges was het Heilige-Geestcollege georganiseerd als een regulier kapittel van studenten onder leiding van een president. In de statuten werd de nadruk gelegd op geregeld studeren en promoveren, een matig en geregeld leven en op de verplichte aanwezigheid van alle collegeactiviteiten.

Stichting van het Heilige-Geestcollege

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 2

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

Lodewijk De Ryke was nauw betrokken bij de stichting van de universiteit. Van 1411 tot 1422 en van 1429 tot 1450 maakt hij deel uit van het stadsbestuur. Van 1422 tot 1439 was hij rentmeester van de hertog in het Leuvense kwartier. Zijn huwelijk met Judoca Vanden Putte bleek kinderloos. Een aantal familieleden studeerde aan de universiteit en hij was goed bevriend met Johannes Varenacker, pastoor van Sint-Pieter en professor van de theologiefaculteit. Hij had dus zeer goede contacten met de universiteit en met de theologiefaculteit in het bijzonder. Dit verklaart misschien zijn vrijgevigheid en zijn keuze voor een college verbonden aan de theologische faculteit.

Lodewijk de Ryke woonde sedert 1412 in de Prooststraat (de huidige Naamsestraat) in de buurt van de halle. In 1424 verwerft hij de brouwerij Hollant op de hoek van de Prooststraat en de Hevelstraat (de huidige Collegeberg en in 1445 geeft hij het huis aan de theologieprofessoren Hemericus de Campo en Johannes Varenacker met de bedoeling er een college in te stichten. De voowaarden waren kort voordien vastgelegd en goedgekeurd door bisschop Johannes van Heemsberg. De stichting was bedoeld voor zeven arme theologiestudenten waaronder twee priesters. Die priesters moesten missen lezen en kregen daarvoor een dubbele prebende. In 1448 was er al een kapel waarin weldoeners missen konden stichten.

Het college werd toegewijd aan de “Zeven Gaven van de Heilige Geest” en naast de naam “Heilige-Geestcollege” werd er ook gesproken over het “College van de Theologanten” of het “College van de Theologische Faculteit”.

In 1447 schonk het echtpaar de Ryke-Vanden Putte hun eigen woning en enkele huizen in de Hevelstraat aan de theologische faculteit. Zij behielden wel het vruchtgebruik zodat de gebouwen pas na de dood van Judoca Vanden Putte in 1462 gebruikt konden worden. De theologische faculteit gebruikte ze voor haar eigen activiteiten zoals promotieplechtigheden en disputen. Een van de huizen werd de woning van de pedel van de faculteit.

De naam “pedel” wordt in verschillende contexten gebruikt. Oorspronkelijk werden er twee pedellen toegevoegd aan de rector. Zij moesten hem steeds vergezellen op straat en zorgden voor de bekendmaking van de officiële mededelingen.  Na 1440 bezat elke faculteit een pedel. Deze was vooral met administratieve taken belast. In Vlaanderen wordt de naam “pedel” nu toegekend aan de facultaire verantwoordelijken voor de studentenadministraties en worden de “officiële” pedellen die bij feestelijkheden de rector vergezellen uit deze groep gekozen. Nederlandse universiteiten hebben door de band één of twee pedellen. Officieel moeten zij zich bezighouden met alle academische  zittingen. In Nederland is dit vooral een ceremoniële functie geworden.

De oudste bekende statuten bleven bewaard in een document van 1573 maar dateren voor het grootste deel van vóór 1525 toen het pas opgerichte Pauscollege bepalingen eruit zou overnemen. Deze statuten kwamen aanvankelijk pragmatisch en geleidelijk tot stand. Bepalingen werden toegevoegd naargelang bepaalde problemen zich stelden. De statuten kregen in het eerste kwart van de zestiende eeuw hun definitieve vorm. Ze bevatten bepalingen over de volgende aangelegenheden: leiding en materieel beheer, voorwaarde voor opname en verplichtingen van de bursalen, het dagelijkse leven en de duur van de beurs, de visitatie, de kapel en de bibliotheek, en het onderhoud van de statuten. De statuten werden vier maal per jaar voorgelezen waarvan één maal bij de visitatie door de theologische faculteit.

Tussen 1471 en 1530 werden eenenveertig beurzen onder beheer van de theologische faculteit en haar college geplaatst. Van die eenenveertig waren er achtentwintig bestemd voor bursalen in het Heilige-Geestcollege. De dertien anderen waren bestemd voor bursalen buiten het college. Die waren vooral bestemd voor studenten die in een van de vier pedagogieën verbleven. Alle bursalen in het college zelf waren theologiestudenten. De bursalen buiten het college waren vooral artes- en theologiestudenten. De artesstudenten zaten vooral in de pedagogie de Burcht die een bijzondere band had met de theologische faculteit en haar college.

Behalve beurzen werden in het college ook missen gesticht. Dan ging het geld van de stichting naar de bezoldiging van de studenten die de mis celebreerden. Deze missen waren voor de gekozen celebranten een welkome aanvulling op hun beurs. Vanaf 1448 had het college een eigen kapel en tegen het einde van de vijftiende eeuw werd er elke dag minstens één mis opgedragen. Een aantal weldoeners van het Heilige-Geestcollege deed ook schenkingen voor gemeenschappelijke goederen zoals hout en vlees.

De motivatie van de schenkers was meestal vrij duidelijk: zij wouden hun zielenheil bewerken en sociale noden lenigen. Meestal bevoordeligden ze eigen familie of streek. Een groot aantal kwam uit kringen in de buurt van de theologische faculteit: vijf schenkers waren theologieprofessor en drie baccalaurei formati in de theologie. Drie beurzen kwamen er op initiatief van theologieprofessoren en twee stichtingen door verwanten van theologieprofessoren. De andere weldoeners waren vaak geestelijken of alumni die aan het hof resideerden en die de universiteit, en dan in het bijzonder de theologische faculteit, goed gezind waren.

Typisch voor het Heilige-Geestcollege waren de Leuvense burgers onder haar weldoeners. Zij volgden het inspirerend voorbeeld van de stichter van het college, Lodewijk de Ryke. Zo liet Elisabeth Lambrechts, echtgenote van een Leuvens burger een legaat voor de bibliotheek na en Catharina Pynnock, zuster van de gekende meier Lodewijk Pynnock en gehuwd met Libertus van Meldert, liet bij testament hun huis na aan het college. Dat huis lag naast het college en moest de ambtswoning van de president worden.

Het externe beheer van het Heilige-Geestcollege was van bij de stichting in handen van de theologische faculteit. Zij was naar de wil van de stichters eigenaar van de gebouwen en verantwoordelijk voor de betaling van de lasten en het onderhoud. Voor concrete aangelegenheden werd een wisselend aantal afgevaardigden gedelegeeerd. Gedurende de eerste jaren van de zestiende eeuw kwamen dezelfde drie namen in verschillende delegaties voor: Adrianus Florentius (Adriaan Floriszoon), Johannes Moederloos en Nicolaus Hellens. De pastoor van de Sint-Pieterskerk was er bijna altijd bij.

Het financiële beheer was in de eerste jaren in handen van de pedel van de theologische faculteit. Nadien had het college zijn eigen rentmeester die onder controle stond van de faculteit. Hij was verantwoordelijk voor het beheer van de stichtingen en stond in voor de jaarlijkse boekhoudkundige controle.

Het Heilige-Geestcollege was van bij de stichting nauw verbonden aan de theologische faculteit. In feite was het van in de beginne een faculteitsinstelling. Dit verklaart in grote mate het hoge aantal weldoeners die het college verschillende eeuwen zou begunstigen. Dankzij hun onbaatzuchtige schenkingen zou het Heilige-Geestcollege zonder veel schade de nog komende economische crisissen doorkomen.

Stichting van universitaire colleges.

Het Heilige-Geestcollege vanaf de stichting tot de opheffing van de Oude universiteit (1445-1797). Aflevering 1

(Feuilleton gebaseerd op mijn eindwerk voor de cursus toeristische gids 1997-1998)

9 november 1425, op die dag werd Leuven een universiteitsstad. Op die dag verleende paus Martinus V de stichtingsbul van de universiteit van Leuven. Volgens een stadslegende zou Brussel de stichting eerder zijn aangeboden maar haar bestuurders zouden geweigerd hebben uit bezorgdheid voor de eerbaarheid van hun maagden. Leuven kreeg de toestemming vier faculteiten op te richten: artes, burgerlijk  en kerkelijk recht en geneeskunde. De stad en de hertog moesten de jurisdictie over de leden van de universiteit overdragen aan de rector, zij moesten ook zorgen voor de nodige lokalen en zij moesten de salarissen van de professoren betalen.

Op 17 maart 1432 gaf paus Eugenius IV  de Leuvense universiteit de toelating een theologische faculteit op te riichten. Zo kreeg Leuven een “Studium Generale”: een volledige universiteit. Vanaf 1435 kreeg de theologische faculteit een ereplaats. Ook nu nog openen de professoren van de faculteit Theologie en Religiewetenschappen de stoet der academici bij officiële plechtigheden.

De universiteit was in eerste instantie een corporatie van personen met bepaalde voorrechten en onder gezag van een eigen overheid.

 In een verslag van de visitatie van de periode 1607-1617 krijgen we een opsomming van wie zich suppoost mocht noemen:

  • alle doctoren en licentiaten van de hogere faculteiten, zijnde geneeskunde, beide rechten (kerkelijk en burgerlijk recht) en theologie,
  • de baccalaurei van deze faculteiten,
  • de magisters van de kunsten die hun studie voortzetten, op voorwaarde dat ze geen handel dreven of geen openbaar ambt bekleedden,
  • alle studenten die waren ingeschreven en werkelijk college liepen,
  • de geïncorporeerde kloosters,
  • de weduwen van doctoren en licentiaten van een hogere faculteit, mits ze in de weduwstaat bleven en geen handel dreven,
  • de beëdigde boekverkopers en boekbinders die door de universiteit aanvaard werden,
  • de pedellen, notarissen en andere ambtenaren van de universiteit,
  • één bode per provincie en één receptor per college,
  • de dienstknechten en dienstmeisjes die bij suppoosten inwoonden.

In grote lijnen bleef deze lijst gelden tot kort voor de opheffing van de universiteit.

In de pauselijke bul werden twee privileges gedefinieerd waarvan de leden van de universiteit konden genieten: juridische immuniteit en algemene vrijdom van belastingen. De suppoosten van de universiteit waren onttrokken van iedere vreemde rechtsmacht, alleen de rector had de bevoegdheid suppoosten te oordelen en te straffen. De werkelijkheid was wel meer genuanceerd dan wat men uit officiële documenten zou kunnen afleiden.

Officieel werd de universiteit geleid door de rector. Deze werd aanvankelijk vier maal per jaar verkozen, vanaf 1445 twee maal per jaar. De rector genoot van eervolle voorrechten die vooral protocollair waren, zijn werkelijke macht lag vooral op het juridische vlak. Niemand kon een suppoost van de universiteit arresteren of bestraffen zonder zijn toestemming. Naast de rector had je een aantal andere functies: de kanselier, de conservatoren van de privileges, de gedelegeerden van de faculteiten, de receptor, de syndicus, de promotor, de secretaris, de pedellen en de boden.

De universiteit was enerzijds een corporatie van personen maar anderzijds ook het overkoepelend orgaan van de faculteiten. Faculteiten waren op zichzelf staande corporaties verbonden aan het studium. Hun belangrijkste opdracht was het organiseren van het onderwijs. Dat onderwijs werd op twee niveaus georganiseerd. Je had een vorm van voorbereidend onderwijs dat gegeven werd aan de Artesfaculteit, en je had de meer gespecialiseerde opleidingen in de hogere faculteiten.

Aanvankelijk werden alle lessen gegeven in de Vicus, de zetel van de faculteit in de Nieuwstraat (de huidige Vander Kelenstraat, museum M) maar in de loop van de vijftiende eeuw werden meer en meer lessen overgeheveld naar de pedagogieën. Dit waren in feite universitaire kostscholen waar de studenten woonden en lessen volgden. De belangrijkste beweegreden voor deze evolutie was waarschijnlijk een streven naar meer tucht en orde onder een groter wordende groep studenten. De artesopleiding duurde vier à vijf jaar en leidde tot het diploma van “licentiaat” of “magister”.

Normaal moest je als student eerst aan de artesfaculteit gestudeerd hebben vooraleer je een studie aan een hogere faculteit kon beginnen. De lessen van de hogere faculteiten werden gegeven in de universiteitshal. In de beginjaren van de universiteit was studeren een dure aangelegenheid. De lange studieduur en de hoge promotiekosten zorgden bij een grote groep studenten voor problemen. Deze problemen waren het meest uitgesproken in de theologische faculteit waar de studieduur ook het langst was: tot twaalf jaar. Het verlenen van een priesterloon, een prebende, was ruim onvoldoende om deze problemen volledig weg te werken.

De belangrijkste uitgaven voor een student in de vijftiende eeuw waren de onkosten voor het levensonderhoud. Daarnaast moest de student ook rekening houden voor het reizen, boeken, kleding, … Het schoolgeld maakte slechts een klein deel van de totale uitgave uit, nog geen vijf percent in het midden van de vijftiende eeuw. Daartegenover stonden wel de extreem hoge promotiekosten. In de theologische faculteit kostte een promotie ongeveer even veel als de kosten van één jaar levensonderhoud.

De universitaire overheid was ook bezorgd om de goede faam van haar leden. Ze wou vooral dat haar studenten zich goed gedroegen, regelmatig studeerden en zuinig leefden. De universiteit zocht tevergeefs naar een goede oplossing voor een complex tuchtprobleem. De geldverspilling kon ze min of meer opvangen door haar jonge studenten onder voogdij te plaatsen en aan de artesfaculteit konden de pedagogieën de tuchtproblemen vrij goed onder controle houden maar voor de rest slaagde de universiteit er niet in dit kwaad uit te bannen.

Op dit vlak kenden privéinitiatieven meer succes. In colleges kregen een aantal minderbegoede studenten kost en inwoon. Het initiatief ging uit van een privépersoon, meestal een professor of een alumnus van de universiteit, die zorgde voor een huis en de nodige financiële middelen voor het onderhoud van de gebouwen en voor de betaling van de beurzen. De leden van een college werden bursalen genoemd naar de beurs die zij wekelijks, maandelijks of halfjaarlijks ontvingen en waarmee ze hun bijdrage in de gemeenschappelijke kosten en hun persoonlijke studiekosten moesten betalen. In tegenstelling tot de pedagogieën werd er in colleges in principe niet lesgegeven. Colleges kunnen gezien worden als universitaire kosthuizen.

Colleges werden vooral gesticht door alumni en professoren van de universiteit die iets wilden verhelpen aan de problemen waarmee ze zelf geconfronteerd waren. Zin wensten oprecht een sociale nood lenigen maar tegelijkertijd wouden ze door aan liefdadigheid te doen hun zielenheil in het hiernamaals verzekeren.

Vaak wouden ze ook familieleden en/of streekgenoten bevoordeligen. Het ging dan meestal om inwoners van de stad of streek waar de schenker vandaan kwam of waar hij beneficies had. Vandaar dat een aantal colleges meerdere namen had: een van de stichter en een (of meerdere) van de stad of streek.

Een college was een gesloten gemeenschap onder leiding van een president. Aanvankelijk was dit een student, later, in de zestiende eeuw werden deze gerekruteerd uit het korps van professoren en doctoren. In feite kunnen we dan pas van een president spreken. Geleidelijk kreeg de preident meer bevoegdheden. Hij moest alleen verantwoording afleggen tegenover de visitatoren. Vooral de pastoor van de Sint-Pieterskerk, die ook professor aan de theologische faculteit was, trad vaak op als visitator. Het beheer van de beurzen was vaak in handen van een familielid van de stichter of van een lokale pastoor, kapittel of schepenbank. De universiteit had hierin meestal weinig of geen inspraak.

Colleges waren vaak autarkische gemeenschappen. Ze bakten zelf brood, hadden een eigen moestuin en soms zelfs een wijngaard.

Een document uit het archief van het Atrechtcollege geeft ons een inkijk in de keuken van een zestiende- of zeventiende-eeuws college.

  • ’s Morgens kregen de jongens soms “Bierenbroot” en soms “zoppe opt vleesch geweyckt,
  • ’s middags kregen ze ”pottagien” soms met warmoes of erwten en soms met een stuk gezouten vlees,
  • daarna hutsepot en kaas.

Ossenvlees was het meest gegeten vlees en bier was de belangrijkste drank. Een collegestudent dronk gemiddeld anderhalve liter (klein) bier per dag.

Hoeveel studenten in Leuvense colleges verbleven is moeilijk in te schatten. In 1526 telde Leuven elf colleges met in totaal een honderdtal beurzen. In 1578 waren er al vierhonderd bursalen voor drieëntwintig beurzen. Meer dan de helft van de beurzen ging naar artesstudenten, ongeveer een vierde naar theologiestudenten en een tiende naar rechtsstudenten. De rest ging naar studenten van verschillende faculteiten. Het Standonckcollege en het Pauscollege waren de grootste en hadden tegen het einde van de zestiende eeuw vijftig of meer studenten. Dat was net vòòr het verval. Tijdens de burgeroorlog kwamen veel colleges leeg te staan en deden sommige dienst als kazerne. In 1598 waren er maar dertien colleges bewoond en was het aantal beurzen gezakt tot een twintigtal.

In 1526 telde Leuven ongeveer tweehonderd collegestudenten of ongeveer twaalf percent van de studentenbevolking. Maar het belang van de colleges is groter dan wat uit deze cijfers zou blijken. Colleges waren trendsetters als het over verstrenging van de tucht gaat en ze speelden een belangrijke rol in de vorming van professoren.

In een volgende aflevering ga ik specifiek in op de situatie van het Heilige-Geestcollege.

Sapientiae Immarcessibilis

Het avontuur van de stichtingsbul van de Universiteit

Het belangrijkste erfgoedverlies van de “Brand van Leuven” was geen monumentaal gebouw maar een stuk perkament met een grootte van ongeveer een A3-blad: het origineel exemplaar van “Sapientiae Immarcessibilis”, de bul waarmee Paus Martinus V de formele toelating geeft in Leuven een universiteit te stichten. Dit document was gedateerd op 9 december 1425. Dit is dus de officiële stichtingsdatum van de Leuvense Universiteit. Dit historisch document ging volledig in rook op wanneer Duitse soldaten in 1914 de Hallen in brand steken. Gelukkig werd er vijf jaar eerder een facsimile van de originele bul gemaakt.

Hertog Jan IV van Brabant wordt in de kunst en in de geschiedenis wel eens voorgesteld als de stichter van de universiteit maar dat is historisch niet juist. Het initiatief ging uit van het kerkelijk en het wereldlijk gezag van de stad: het kapittel dat verantwoordelijk was voor de eredienst in de Sint-Pieterskerk en het stadsbestuur dat nog steeds met zijn Brusselse tegenhanger aan het strijden was voor de positie van “Beste stad van Brabant”. Willem Neve, scholaster van het kapittel verantwoordelijk voor het onderwijs, werd door het stadsbestuur naar Rome gestuurd met een verzoekschrift en een aanbeveling van de hertog.

Via de pauselijke administratie werden er verschillende vragen aan de paus gesteld. De belangrijkste was natuurlijk de formele toelating een universiteit te stichten. Deze toelating werd neergeschreven in de bul “Sapientiae Immarcessibilis” (van de onverwelkbare wijsheid). Op dezelfde dag werden nog drie andere bullen getekend waarin een aantal juridische aspecten van de oprichting geregeld werden. De oprichting werd feitelijk voltooid in 1432 wanneer paus Eugenius IV, de opvolger van Martinus V, de oprichting van een faculteit theologie toeliet. Daarmee werd de Leuvense universiteit een volwaardig “Studium Generale” met de vijf klassieke faculteiten: artes (filosofie en natuurwetenschappen), theologie, geneeskunde, kerkelijk recht en burgerlijk recht.

In 1794 beginnen de bullen aan hun zwerftocht. Het bestuur van de universiteit had weinig vertrouwen in het revolutionaire bewind en besliste haar archieven in veiligheid te brengen. Het centrale archief werd samen met enkele andere archieven overgebracht naar Rotterdam. Jan-Frans Van de Velde, president van het Heilige-Geestcollege, bibliothecaris en archivaris van de universiteit, en notoir ultramontaan en antirevolutionair, is “zijn” archief achterna gereisd. Toen gevreesd werd dat de Fransen ook Nederland onder de voet zou lopen, liet Van de Velde de archieven overbrengen naar de toenmalig Deense stad Altona.

Jan-Frans Van de Velde wist zelf de deportatie naar Cayenne (Frans-Guyana, Zuid-Amerika) te ontlopen door te vluchten naar Duitsland. Toen hij in 1802 naar zijn geboorteland wou terugkeren, had hij de “ontvoerde” archieven moeten teruggeven maar hij slaagde erin deze restitutie te beperken. Wat hij wist achter te houden, werd overgebracht naar zijn geboorteplaats Beveren-Waas of werd in bewaring gegeven in het seminarie van ’s Hertogenbosch. Zo kwam de volledige verzameling met charters van de Oude Universiteit terecht in het Bossche seminarie dat eerst in Sint-Michiels Gestel en later in Haaren gevestigd was. Dit werd zo zorgvuldig geheim gehouden dat op het einde van de negentiende eeuw iedereen in Leuven ervan overtuigd was dat deze schatten voor goed verloren waren. Groot was dan ook de verrassing wanneer de bisschop van ’s Hertogenbosch in 1909 de stichtingsbul cadeau deed aan de Katholieke universiteit van Leuven.

De geschiedenis kan hard zijn: vijf jaar later zorgden Duitse soldaten voor de definitieve vernietiging van dit historisch document. Gelukkig had men bij de teruggave een facsimile van de originele bul gemaakt. In 1971 kwamen de andere charters als onderdeel van een ruil terecht in het aartsbisschoppelijk archief in Mechelen. Wanneer het universiteitsarchief in 1983 geruild wordt voor kloosterarchieven, zijn de originele archieven waaronder de drie bullen die op de zelfde dag als de stichtingsbul werden uitgevaardigd, eindelijk weer thuis. Een van de drie, de bul “Qui creditum sibi” is ondertussen gedigitaliseerd en kan je nu in detail bekijken op de fantastische website van de Vlaamse Erfgoedbibliotheken, Flandrica.be.

Bronnen

  • Bul met privilege van Paus Martinus V voor de Leuvense universiteit, 9 december 1425. http://www.flandrica.be/items/show/457/
  • Marc Nelissen. Fundatio: de Stichting van de Oude Universiteit. In: Leuven / Louvain-la-Neuve: kennismaken. Onder redactie van Jan Roegiers en Ignace Vandevivere. p. 9-17. Leuven, Universitaire pers: 2001.
  • Marc Nelissen, m.m.v. Jan Roegiers en Erik Van Mingroot. De stichtingsbul van de Leuvense universiteit 1425-1914. Leuven, Universitaire pers: 2000
  • Jan Roegiers: Bullen. Ex officina. 2000, 13(3) p. 7-8